Advertentie

Hebban vandaag

Dossier /

Made in Holland

DISSECTIE VAN DE THRILLER (deel 3 van 4)

Ten opzichte van Vlaanderen is Nederland, in meer dan één opzicht, een veel opener land. De wind heeft er langs alle kanten vrij spel: frisse ideeën krijgen meer kans zich te verspreiden. In het behoudsgezinde Vlaanderen stormt men pas uit de loopgraven als er een notariële akte bestaat van de overwinning.

Niet dat Nederland een vooraanstaande plaats mag opeisen in het ontstaan van de thriller. Dat is immers het privilege van de Angelsaksische literatuur waar Edgar Allan Poe, Conan Doyle en Agatha Christie met recht en reden onverwoestbare pioniers waren.


Toen misdaadliteratuur eind 19e eeuw aanvaard werd als genre keek Nederland er wel gretig naar uit, maar deed er aanvankelijk weinig mee. Het spettervuur van plagiaatjes, zowel qua stijl als inhoud, doofde stilletjes uit. In 1914, meer dan een decennium na Sherlock Holmes, was er eigenlijk niets noemenswaardig gebeurd.

 

BOEGBEELD

Tot ene Jacob van Schevichaven de Nederlandse misdaadliteratuur in 1917 plots op de kaart zette. Onder het pseudoniem Ivans publiceerde hij dat jaar De man uit Frankrijk.

Zoals al zijn tijdgenoten was Ivans zwaar beïnvloed door Conan Doyle en Sherlock Holmes. Hij creëerde de Engelse detective Geoffrey Gill. Diens klankbord, de broodnodige Watson, werd Willy Hendriks, een Nederlandse advocaat. Deze variant van het creatieve genie met de stoethaspel werd een instant succes, dus een vervolg, Het Spook van Voroshegy, dat zich in Hongarije afspeelde, kon niet uitblijven. Opnieuw bingo, waardoor Ivans pas goed de smaak te pakken kreeg en zijn paarden opzweepte. In totaal publiceerde hij 44 detectives en 15 andere boeken, waaronder een sciencefiction en een historische roman. De Nederlandse misdaadliteratuur had zijn boegbeeld te pakken.

Hoe vooruitstrevend Ivans ook was, opvolging kreeg hij echter niet. Na hem gaapte opnieuw een kloof. De misdaadliteratuur van die tijd was vooral flauw, melodramatisch en meestal mank geschreven.

Het werd wachten tot de periode 1935-1938 wanneer Jan de Hartog zijn eerste (spannende) boeken schreef. De Hartog was nauwelijks 20 en vol levenslust. Hij schreef vijf detectives en koos het pseudoniem F.R. Eckmar (lees dit met een Hollands accent). Toen hij onder eigen naam Hollands Glorie (1941) uitbracht, zocht hij voortaan andere literaire bestemmingen op.

In diens kielzog dook Willy Corsari op. Haar dertien thrillers hadden meer Agatha Christie als module, de whodunit manier. Toen ook zij de weg naar de psychologische roman insloeg, dreigde een nieuwe crisis.


HAVANK WERPT ZIJN SCHADUW OP DE MISDAAD

Maar dan ging Bruna er zich mee bemoeien. Ivans stierf in 1935 en uitgeverij Bruna trok tijd uit om een nieuw goudhaantje te lanceren. Uit de stapel recent geweigerde manuscripten kwamen ze met Hendrikus van der Kallen op de proppen. Tot zijn eigen stomme verbazing mocht die dan toch zijn eersteling, Het mysterie van Sint Eustache, publiceren. Alleen, zo’n Van der Kallen, dat knalt niet écht op de cover, dus koos Hendrik voor het pseudoniem Havank. Ziedaar the Making of a Hero.

Havank werd een instant hit en wordt nu aanzien als de échte doorbraak voor de Nederlandse misdaad. Hoofdfiguur in de boeken van Havank is Charles Carlier, bijgenaamd de Schaduw. Daarmee lonkte Havank duidelijk naar The Saint van Leslie Charteris, die Havank goed kende via de vele vertaalopdrachten die hij van Bruna kreeg. In de zowat dertig boeken die zouden volgen ontplooide de Schaduw zich van brigadier tot chef Interpol, een spectaculaire carrièreplanning waar Herman Van Rompuy nog een punt kan aan zuigen. Met Havank nam Bruna een groot risico, maar het heeft gewerkt. Het taalgemak, de humor en de creativiteit van Hendrik Van der Kallen deden de rest en hielden hem met gemak boven water.

Van der Kallen vluchtte in 1942 naar Engeland maar knoopte moeiteloos aan met het succes. In 1946 schreef hij heel toepasselijk De Schaduw is terug, zijn veertiende roman. Zijn productie stokte pas met Caviaar en cocaïne in 1959.
In 1957 kreeg Havank immers een ernstig ongeluk. Met hulp van journalist Pieter Terpstra publiceerde hij in 1964 nog Menuet te Middernacht, waarna Terpstra de serie voortzette onder de naam Havank + Terpstra. De geestelijke vader van de Schaduw lag intussen echter al onder de Leeuwardse zoden.

Ondanks de publicaties van Terpstra begon de reputatie van Havank te tanen. De naam Havank kwam opnieuw aan de oppervlakte door de lancering van de Schaduwprijs in 1997, een initiatief van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs, die eerder al de Gouden Strop lanceerden. De voorzitter van dat genootschap, Tomas Ross, bracht in 2008 nog de 55e Schaduwroman uit: Caribisch complot onder de auteursnaam Havank Ross. Er zijn drie vervolgen, met De Schaduw contra de Schorpioen in 2011 als voorlopige afsluiter.

DE TUSSENPAUSEN

Voor opvolging moest dit keer niet worden gevreesd. Joop van den Broeck won in 1953 met Parels voor Nadra de manuscriptprijs van uitgeverij Bruna. Naar het schijnt sloeg dit boek in als een bom. Kijk nog eens naar het jaartal en voeg er dan de ingrediënten seks en geweld aan toe en je weet meteen hoe laat het is.

Conservatief Nederland eiste op staande voet een executie, voor wat niet meer was dan de Nederlandse versie van de hard-boiled thrillers van Hammett, Chandler en Spillane.

En plots was ze er, de literaire dijkbreuk. Literair Nederland begon haar thrillers zeer divers te schrijven. De zusjes Monsma publiceerden onder het synoniem Martin Mons niet minder dan 31 boeken met een hoog Miss Marple gehalte. Willem Hendrik van Eemlandt zette een politieserie op naar het voorbeeld van Ed Mc Bain, alleen niet zo pittig geschreven. Zijn inspiratie droogde op na nummer twaalf. Robert Hans van Gulik boetseerde zestien detectives rond de Chinese rechter Tie. Van Gulik was een sinoloog die voortdurend in het buitenland verbleef, waardoor zijn romans on-Hollands aandoen. Van Gulik stierf in het harnas, als ambassadeur voor Nederland in Japan.

Ted Viking (Jan Louwen) creëerde een James Bond-kloon met McGregor, waarmee ook het potje van de spionage werd afgedekt. Henk Oolbekkink deed het nog een stuk beter met zijn geheim agent, Glotz, iemand die eerst schoot voor hij vragen stelde. Oolbekkink werd een stukje verfijnder met avonturier Tim Spender. De match Spender-Glotz eindigde op 10-8.



FERDINANDUSSE, BAANTJER, VAN DE WETERING

Eens kijken, wie was er nog. O ja, Rinus Ferdinandusse, zijn verdienste voor de misdaadroman valt niet te onderschatten. Als literator vernieuwde hij het genre met lichte satires zoals Naakt over de Schutting (1966) of Ze droeg die nacht een paars korset (1967). Als tv-presentator choqueerde hij Nederland met Zo was het toevallig ook nog eens een keer, als hoofdredacteur van Vrij Nederland zette hij een fond achter misdaadschrijvend Nederland. Het is op zijn initiatief dat de jaarlijkse thrillergids van Vrij Nederland, de canon voor thrillers in Nederland, wordt uitgegeven.

Heb je Baantjer nog natuurlijk, Albert Cornelis. In 1965 publiceerde hij zijn eerste (De Cock en de wurger op zondag) Er zouden er dik 70 volgen. Baantjer begon als rechercheur in een Amsterdams bureau. Zijn verhalen zijn dus uit het leven gegrepen, maar verlopen volgens een vaststaand stramien. Critici durven te beweren dat hij 70 keer hetzelfde boek schreef met telkens andere namen. Fans verwijzen naar de verkoopcijfers, waar ook het Genootschap voor Misdaadauteurs zich in 2003 liet aan vangen toen ze Baantjer de GNM Meesterprijs voor een carrière overhandigden. De verantwoording luidde dat zo vele populaire politieromans wel een belangrijke bijdrage moésten zijn. Het viel te verwachten dat niet iedereen er dezelfde mening op nahield.

Toch prijkt zijn naam nog op vele nieuwe boeken. Samen met vriend en collega Simon de Waal bedacht en werkte hij aan een nieuwe reeks (Baantjer & De Waal). Na het overlijden van de 86-jarige ex-rechercheur werd de reeks stilzwijgend voortgezet door zijn jongere partner in crime. Collega-auteur Ed van Eeden schreef inmiddels een aantal delen van Baantjer Inc, een 100% spin-off van De Cock, maar tot dusver zonder het gehoopte succes.

Over dat genootschap zo dadelijk iets, maar eerst nog Janwillem van de Wetering onder de loep nemen. Ook hij had succes met de politieroman, met hoofdfiguren inspecteur Henk Grijpstra en sergeant Rinus De Gier. Het lijk in de Haarlemmer houttuinen was het eerste boek in 1975. Van de Wetering was op zijn zachtst gezegd een eigenaardig figuur. Eerst en vooral was hij een wereldburger, die zijn romans eerst in het Engels schreef.

Hij aarzelde niet zijn ervaringen te gebruiken en bracht daarmee Grijpstra en de Gier in de meest onmogelijke situaties. Geleidelijk wekten zijn romans irritatie op, omdat ze op een drafje werden afgewerkt, en tal van slordigheden, tegenstrijdigheden en anomalieën meesleurden. Zijn reputatie kelderde zienderogen. Van de Wetering is ook een auteur van een trilogie Zen-boeken, die wél veel respect ontlokten.

HET HERENCLUBJE

1980 blijkt opnieuw een mijlpaal in de Nederlandse misdaadliteratuur. Vier jonge dertigers publiceerden dat jaar hun eerste roman: Theo Capel, Jacques Post, Felix Thijsen en Tomas Ross.

Capel werd recensent van de Haagse Post. Jacques Post uitgever en vader van Elvin Post, Thijsen is van alle markten thuis. Hij schrijft en vertaalt sciencefiction, brengt stapels thrillers uit in de series rond Charlie Mann en Max Winter, of publiceert handleidingen over schapen fokken of plantenteelten voor teruggetrokken zielen zoals hijzelf (Thijsen woont al 40 jaar in de Franse Cévennes). Ook Tomas Ross is een veelschrijver, die vertrekt van zijn historische of sociologische vorming.

Zeven jaar later voegt ook René Appel zich bij dat groepje. Appel was de enige overblijvende van een academisch initiatief van Jacob Vis, gericht op rekrutering van academisch gevormde schrijvers. Het initiatief werd jaren later mild bekritiseerd door Tomas Ross, die beweerde dat dat soort vakmanschap omgekeerd evenredig was met de vereiste hardnekkigheid om een roman te schrijven.

René Appel was de enige die zijn ongelijk bewees. Sinds 1987 publiceert Appel zowat om de twee jaar een nieuwe roman.

Maar goed, toen Tomas Ross en enkele anderen in 1986 het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs oprichtte kwamen bovengenoemde heren elkaar regelmatig tegen. Op de erelijst van De Gouden Strop verdelen Appel en Ross onder elkaar 16 nominaties en 5 overwinningen.

Het hek was nu definitief van de dam. Elk jaar opnieuw schopte wel een of ander talent met een nieuwe roman het tot de nominaties. Jacob Vis, Chris Rippen, Peter de Zwaan, Jac. Toes en Charles den Tex kleurden elk om beurt de jaren negentig. Deze vijf heren verzamelden 19 nominaties voor de Gouden Strop, die ze samen vijf keer wonnen. Appel publiceert psychologische, literaire romans. De Zwaan verkoopt hard-boiled boeken vol grootstadse humor. Den Tex ontdekt met de regelmaat van een klok een industrieel complot. Rippen is een traagschrijver met goed opgebouwde plots. Toes baseert zijn fictie op waar gebeurde verhalen.

Vanuit Vlaanderen mocht al eens een Geeraerts of een Mendes komen overwaaien, maar voor het overige was de blik van Nederland absoluut niet Zuidwaarts gericht. Vlamingen kunnen niet schrijven, was de algemene teneur. Ze gebruiken foute lidwoorden en archaïsche woorden vol goesting. Intussen bleven Nederlanders wel van de Vlamingen verliezen in taalspelletjes op tv en andere grote dictees.

Je merkt het: eind twintigste eeuw was er voor ieder wat wils. Toch ontbreekt één aspect. Waar bleven de vrouwen?

HET DAMESKRANSJE

Plots waren ze daar: die vrouwen, met dank aan Nicci French. Toen uitgeverij Anthos de verdeling van hun boeken voor Nederland voorbereidde, namen ze een paar intelligente beslissingen. Vooreerst plaatsten ze op elke cover van Nicci French een poëtisch detail van een praalgraf. Op diezelfde cover stond, quasi terloops, de vermelding “literaire thriller”. Dat was er bonk op. De Nicci Frenchen vlogen de deur uit, met duizenden tegelijk. Hoewel dit een populaire polemiek is die ik hier niet wil voeren was het epitheton literaire thriller een zegen. Bij Anthos hadden ze vervolgens een goede neus voor potentiële vrouwelijke auteurs.

Die moesten wel voldoen aan enkele criteria. Ze zien er vooreerst stuk voor stuk goed uit. Toeval waarschijnlijk, maar het helpt toch. Zeker wanneer die boeken geschreven blijken te zijn met heel goede pennen.

Saskia Noort schreef voor Marie-Claire en andere bladen. Simone van der Vlugt verdiende haar strepen eerst in de jeugdliteratuur. Esther Verhoef schreef en fotografeerde al jaren goedlopende boeken over huisdieren. Marion Pauw was copywriter voor ze daar gillend weg liep. Schrijven kunnen ze dus allen, deze blonde invasie.

Inspiratie haalden ze vooral bij Nicci French. Hun hoofdpersonen zijn steevast vrouwen die zich mentaal in nesten werken. De hoofdbrok van de spanning gebeurt in hun hoofd waar idealen als trouw, gemoedsrust, drift of idealisme vaak met elkaar in de clinch gaan. Mannen hebben vooral een decorfunctie als slapjanus, driftkikker of zonderling.

Windeieren worden hier niet gelegd. Saskia Noort is nu al de best verkopende thrillerschrijver in Nederland, ooit. Dat, ondanks al het bekende volk dat ik hierboven heb aangehaald. Het succes van Noort reikt inmiddels tot over de grens. Haar boeken worden uitgegeven in het Duits, Frans en zelfs Russisch. In Frankrijk kreeg ze eindelijk ook erkenning waar ze in eigen land nog steeds op moet wachten: met De Eetclub won ze de Franse publieksprijs.

Van der Vlugt maakte indruk met haar debuut De reünie. Met Schaduwzusters bewees ze origineel uit de hoek te kunnen komen. Na vier nominaties nam ze vorig jaar de NS publieksprijs in ontvangst voor Op klaarlichte dag, het boek dat door de bezoekers van Crimezone vervolgens ook werd uitgeroepen als de Beste Nederlandstalige Thriller van 2010.

Esther Verhoef laat zich evenmin doen: zij wordt om de haverklap genomineerd voor Strop of Kogel, dit jaar weer. Marion Pauw maakt thrillers met een behoorlijk exotisch gehalte. Ze zit dan ook de grootste tijd van het jaar in het buitenland.

Het succes van de Anthos-misdaadvrouwen zou uiteindelijk een schoolvoorbeeld worden voor veel Nederlandse uitgeverijen. Uitgeverij A.W. Bruna maakte van Suzanne Vermeer één van de succesvolste thrillerschrijfsters van dit moment. Alleen heette Suzanne in het échte leven Paul Goeken. Pech voor Bruna dat Goeken deze zomer stierf.

Uitgeverij Karakter zet met twee boeken per jaar in op 'thrillerfabriek' Loes den Hollander en Corine Hartman. De Boekerij heeft talenten Judith Visser en Siska Mulder in haar gelederen. The House of Books gokt op Kim Moelands en Ingrid Oonincx, uitgeverij Cargo investeert in talenten als Anita Terpstra en Milou van der Will en de jonge uitgeverij Verbum Crime verzamelde al een heel leger Nederlandse thrillerschrijfsters, met Schaduwprijs-winnares Linda Jansma als eerste kroonprinses.

Thrillerschrijvend Nederland vroeg om vrouwen. Ze zijn er nu. Actie/reactie: zo gaat dat altijd in de werelden van kunst en woord. Dus, even poken, waar blijven de mannen?

Volgende keer wegen we in het slotartikel het binnenlandse succes af tegenover het buitenland.



Over de auteur

Raymond Rombout

75 volgers
17 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Made in Holland