Advertentie

Vol verwondering las ik "De andere naam" van Jon Fosse, een eindeloos meanderend boek dat ons in eindeloos lange zinnen - of liever: met één eindeloze zin die ruim 530 bladzijden duurt, en die ons van het ene peilloos mysterieuze beeld naar het andere vervoert- doordesemt van de gedachte dat de wereld en onze identiteit een volkomen onkenbaar doolhof is. Een boek ook vol door Bijbelpassages gevoede verbijstering over de schepping, en vol prachtige passages over de passie om dit raadsel in al zijn raadselachtigheid te vangen in de schilderkunst. Een boek dat door zijn meanderende stijl, inhoud en vorm nauwelijks te recenseren valt. Daarom begin ik deze recensie ook maar meanderend: met een zijsprong naar de Bijbel.

Het Bijbelboek Genesis begint, in sommige vertalingen, met: "En God zeide:"Er zei licht", en er was licht". In zijn prachtboek "Mimesis" zegt Auerbach over dat Bijbelwoord: "Juist het weglaten van de causale relatie, enkel het relaas van wat geschiedt, waarmee het verbinden en begrijpen plaats maakt voor een verwonderd beschouwen dat niet eens waagt te willen begrijpen, verleent de zin zijn grootsheid". Een prachtige gedachte vond ik, en dat vind ik nog steeds: de Bijbel zou dan de schepping van de wereld niet transparant verklaren, maar als groots en onbegrijpelijk raadsel presenteren. En de peilloze verwondering over raadsel wordt onderstreept door het steeds herhalen van "en", het voegwoord dat - anders dan "dus", "want", "doordat", "derhalve"- geen enkele causale relatie aangeeft. Alsof alle causale relaties die wij kennen totaal verstommen zodra wij denken aan God. Alsof alle ratio volkomen paf staat zodra wij nadenken over de essentialia van de schepping en van leven en dood.

Goed, er zijn natuurlijk totaal andere interpretaties mogelijk van dit Bijbelwoord. Maar Jon Fosse lijkt mij in "De andere naam" vergelijkbare inspiratie aan de Bijbel te ontlenen. Let op het motto uit het Bijbelboek Openbaring: "en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet die hem ontvangt". Die "andere naam" of "nieuwe naam" is dan, heel kort door de bocht en als leek gezegd, het woord waarmee God de wenselijke identiteit en wezenskern benoemt van degene die deze naam ontvangt. Maar ook hier hangt de sfeer van geheim omheen: alleen de ontvanger kent die nieuwe naam, ook hij doorgrondt niet ten volle Gods bedoelingen, en het verwonderlijke van dit alles - zo zouden we met Auerbach in het achterhoofd kunnen denken- wordt ook hier onderstreept door het herhalen van "en", dus door het weglaten van de causale reactie. Ook Fosse zet ons dus, in mijn beleving tenminste, meteen in de modus van het "verwonderd beschouwen dat niet eens waagt te willen begrijpen".

Deze interpretatie is naar de smaak van sommigen misschien overhaast. Maar kijk maar eens met mij mee hoe de roman begint: "En ik zie mijzelf staan kijken naar het schilderij met de twee strepen, één lila en één bruin, die elkaar in het midden kruisen, een langwerpig schilderij, en ik zie dat ik die strepen langzaam heb geschilderd en met dikke olieverf, en die is uitgelopen, en waar de bruine en lila streep elkaar kruisen is de kleur mooi vermengd en biggelt de verf langs het doek en ik denk bij mezelf dat dit geen schilderij is, en toch is het zoals het moet zijn, het is af, er hoeft niets meer aan te gebeuren, denk ik en ik moet het schilderij wegzetten, ik wil het niet langer hier op de ezel hebben staan, ik wil er niet meer naar kijken, denk ik en ik denk bij mezelf dat ik het schilderij weg moet zetten bij de andere doeken waar ik aan bezig ben, en waar ik nog niet mee klaar ben […] ".

Zoals eerder gezegd gaat deze zin ruim 530 bladzijden door, vol komma's maar met geen enkele punt: alsof het verwonderd beschouwen van de ik- figuur geen eindpunt kent, niet tot een conclusie kan komen, zich niet laat vangen in zinnen van normale lengte of in logisch geordende alinea's. En het verwonderd beschouwen gaat ook alle kanten op: langs herinneringen van de ik- figuur Asle, langs zijn mijmeringen en beschouwingen over zijn geloof in een onkenbare God, langs zijn zeer eigenzinnige interpretatie van Bijbelpassages die doorregen zijn van devoot ontzag maar ook van geloofstwijfel en openlijk beleden niet- weten, langs allerlei vreemde voorvallen in het hier en nu die vermengd raken met droom en associatieve herinnering. Maar op blz. 99 komt hij weer terug bij de twee geschilderde lijnen, die een kruis vormen: "en zijn hij en ik niet de paradox zelf zoals we daar staan, want hoe hangen lichaam en ziel samen, zeg ik en Asleik zegt nee, daar heb je gelijk in en dan staan we daar en geen van ons zegt iets en dan zeg ik dat het kruis op zich een paradox is, met de twee lijnen die elkaar kruisen, de verticale en horizontale, zoals ze dat noemen […]".

Het kruis, Christelijk symbool bij uitstek, als paradox. En het door hem geschilderde kruis als extra bron van verwondering. Dat alles wordt nog versterkt door diverse fascinerende passages waarin Asle het heeft over het "onzichtbare licht" dat zijn schilderijen uitstralen, het "lichtende donker" dat hij poogt te schilderen, en door zijn vermoeden dat ook God - of: het Zijn der Zijnden- zodanig ongrijpbaar is voor de ratio en zodanig onvoorstelbaar dat Hij alleen in de vorm van paradoxen kan worden aangeduid. Of: omcirkeld. Zodat Asles schilderkunst één lange in verf gevatte verbijstering is over de onkenbaarheid van het ik en de wereld. Een verbijstering die door de eindeloos door meanderende taal van Fosse naar mijn smaak mooi voelbaar wordt gemaakt.

De citaten wekken misschien de indruk dat dit boek lastig leesbaar is, en het is inderdaad vast niet naar ieders smaak. Maar voor mij las het tot mijn verbazing als een trein. De stijl meandert, hakkelt, herhaalt, hakkelt, stokt en zit vol kleine betekenisverschuivingen. Maar tegelijk vloeit de stijl enorm, als je er eenmaal aan gewend bent. En de meanderende herhaling heeft op mij ook een obsederend, bezwerend en meeslepend effect. Er is ook afwisseling: bladzijden lang zonder enige witregel worden soms afgewisseld met dialogen vol witregels, waarin de personages meer verzwijgen dan zeggen, en waarin alleen tussen de regels door iets gebeurt. Opmerkelijk en fascinerend is bovendien hoe die dialogen ook weer niet eindigen met een punt, en vervloeien met die ene zin waaruit dit wonderlijke boek bestaat. En ook hoe de stijl de ene keer door al zijn herhalingen een bezwerend effect heeft, de andere keer juist heel erg past bij het steeds maar de dingen herhalen van een eenzame oudere man, weer een andere keer prachtig aansluit bij hoe Asle helemaal verdwaalt in de sneeuw en alle gevoel voor richting helemaal kwijt is, terwijl deze stijl in nog weer andere passages ook vol zit met originele poëtische kracht en filosofische diepgang.

Maar nog opmerkelijker is hoe Asle mijmert over een andere Asle, net als hij schilder met vergelijkbare obsessies, maar toch met een radicaal andere levensloop. De ik- figuur accepteert het bestaan van de andere Asle zonder verwondering, maar bij de lezer -althans, bij mij- komen er allerlei verwonderde vragen boven. Is de andere Asle een dubbelganger? Of een door de ik- figuur gedroomde alternatieve versie van zichzelf, van hoe hij zou zijn geweest als zijn leven door andere toevalligheden was gestuurd dan zijn eigen leven nu is? Die vraagtekens worden nog vergroot als de ik- figuur Asle de "andere" Asle daadwerkelijk spreekt en ontmoet. Is dat droom, of werkelijkheid? En wat betekent die droom, of die werkelijkheid? Wat te denken bovendien van de werkelijk hallucinerende passage waarin de ik- figuur Asle een heel jeugdige Asle ziet, vergezeld door zijn jeugdige geliefde Ales. Is dat een erg levendige herinnering aan iets wat ooit daadwerkelijk is gebeurd? Of fantasie, ingegeven door melancholie en door Asles verdriet omdat zijn geliefde Ales jaren geleden gestorven is? En wat betekent het dat de namen Ales en Asle elkaars anagram zijn? Als lezer weet je dat allemaal niet, maar juist dat fascineerde en ontroerde mij zeer. Want juist dat niet- weten is, naar mijn gevoel, sterk vergelijkbaar met het niet- weten waar Asle in is ondergedompeld. Het niet- weten ook dat hij steeds weer poogt te vangen in het duistere licht van zijn schilderijen. Een niet- weten en niet- begrijpen bovendien dat hij misschien ook bezweert door geregeld los te barsten in een lang gebed, bijvoorbeeld op het moment dat hij de jonge Asle en de jonge Ales ziet en zijn eigen emoties niet meer begrijpt. Of dat hij wellicht ook in zijn schilderijen bezweert, want die schilderijen noemt hij zelf een vorm van gebed.

Het is voor mij kortom onmogelijk dit boek in zijn kern te vatten. Precies dat vond ik er mooi aan, en ontroerend. De passages over geloof en kunst vond ik fascinerend, hoe agnostisch ik ook ben, en de passages waarin Asle verwonderd of bedroefd kijkt naar alternatieve versies van zijn eigen ik vond ik prachtig. Net als de passages waarin hij treurt om Ales en hij die treurnis tegelijk uit alle macht verdringt. Dit boek is deel I en II van een "Septologie", dus er volgen nog twee of drie van zulke verwonderlijke boeken. Dit eindeloos lijkende boek is nog naar het begin. Ik zie reikhalzend uit naar het vervolg.

Reacties op: Meanderende verwondering over het diep duistere en onzichtbare licht van de kunst en de wereld

1
De andere naam - Jon Fosse
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 21,95
E-book prijsvergelijker