Advertentie

De fabuleuze korte roman "De angst van de doelman voor de strafschop" begint met een alinea vol vervreemdende kortsluiting en ongerijmdheid: "Toen hij zich 's morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekend keeper was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat, toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek; en hij verliet het bouwterrein. Op straat stak hij zijn hand op, maar de auto die voorbijreed was - al had Bloch zijn hand ook helemaal niet voor een taxi opgestoken- geen taxi. Ten slotte hoorde hij voor zich het geluid van remmen; Bloch draaide zich om: achter hem stond een taxi, de chauffeur schold; Bloch draaide zich opnieuw om, stapte in en liet zich naar de snoepmarkt rijden".

Wat een vreemde alinea, wat een curieus begin. Josef Bloch - al dan niet toevallig voornaamgenoot van Kafka's Josef K- concludeert alleen uit een gebaar dat hij ontslagen is, terwijl je als lezer het verband niet inziet tussen dat ontslag en het gegeven dat slechts één man opkijkt. De woordloosheid van deze scene is minstens zo vreemd, net als de ogenschijnlijke afwezigheid van emoties. Tenzij we zijn onoplettendheid - hij wordt immers bijna overreden- als symptoom van emotie of lamgeslagenheid opvatten, maar wat verklaart dan dat hij helemaal niet schrikt van dit bijna- ongeluk? En dan nog dat handopsteken, dat juist geen verband heeft met een signaal naar een taxi, terwijl Bloch even later bijna geraakt wordt door een taxi en daar dan toch maar gebruik van maakt...…

En in die vervreemdende sfeer gaat de hele roman lang door. Al snel treffen we passages aan als: "[O]p de snoepmarkt aangekomen, bij het zien van de slordig opgestapelde groente- en fruitkisten achter de kramen, had hij weer het gevoel dat de kisten een soort grap waren, niet serieus bedoeld. Net grappen zonder woorden! dacht Bloch die graag grappen zonder woorden bekeek. Deze indruk van vermomming en gedoe […] verdween pas toen hij in de bioscoop, waar een clown in het voorbijgaan als bij toeval een trompet van een rommelplank pakte en daarop als vanzelfsprekend probeerde te blazen". Dat Bloch bij een alledaags tafereel als dit al associaties krijgt met grappen zonder woorden en met maskerades is op zijn minst ongewoon. Dat hij uitgerekend door het zien van een ongerijmde actie van een clown weer tot rust komt is eveneens ongewoon. En niet minder vreemd is zijn aandacht voor details die een normaal mens niet eens ziet. Bijvoorbeeld: "Omdat het licht alleen door het kleine ronde dekselgat naar binnen viel, was de thee in het open blik door de weerspiegeling aan de binnenkant op een merkwaardige manier verlicht. Bloch die met het blik bij de tafel zat, keek star door het dekselgat naar binnen. Het amuseerde hem dat hij zo werd aangetrokken door het vreemde lichten van de theebladeren terwijl hij gelijktijdig met het meisje sprak".

Aldus wordt de lezer meegevoerd van de ene ongerijmde scene naar de andere, Bloch volgend in zijn ogenschijnlijk door niets gemotiveerde dooltocht. Een dooltocht die extra unheimlich wordt als Bloch, zonder enige aanwijsbare reden en zonder enige aanwijsbare emotie, een volkomen gratuite wurgmoord pleegt. Waarna hij des te meer ronddoolt van de ene niet voor de hand liggende plaats naar de andere, maar ogenschijnlijk zonder angst om gepakt te worden en zonder berouw: het dolen gebeurt zo doelloos, ongericht en zonder herkenbare emotie dat je niet eens kan spreken van een vlucht.

De enige herkenbare emotie die we zien is een non-descripte walging, een soort existentiële braakneiging om alles. Die walging komt volgens mij voort uit totale onthechting van hemzelf en de wereld: het verband tussen woorden en dingen is voor hem helemaal door kortsluitingen ontregeld, zodat hij geen enkel fenomeen binnen of buiten hem op de normale wijze kan ervaren of benoemen. " Alles wat hij zag was op de meest onverdraaglijke manier begrensd. De braakneiging deed hem niet opspringen, maar liet hem zelfs nog in elkaar krimpen. Hij had het gevoel dat een breekijzer hem van de dingen die hij zag had losgewrikt, of veeleer alsof de dingen om hem heen van hem waren losgewrikt". Of, zoals elders staat: "Weerloos, niet in staat zich te verdedigen lag hij hier; zijn binnenste op een walgelijke manier naar buiten gestulpt, niet vreemd, alleen op een weerzinwekkende manier anders. Het was een ruk geweest en met één ruk was hij onnatuurlijk geworden, was hij uit zijn verband gerukt. Hij lag hier, onmogelijk, zo werkelijk; geen vergelijking meer". En later wordt gezegd: "[H]ij schaamde zich en walgde nu, […] zonder dat hij erop kwam waarover hij zich schaamde en walgde. Walging en schaamte, beide samen waren zo sterk dat zijn hele lichaam begon te jeuken".

De walging doet mij door zijn intensiteit denken aan Sartres "La nausée", de schaamte doet mij mede door zijn ongrijpbaarheid en onbenoembaarheid aan Kafka. Maar Handke maakt wel op geheel eigen wijze de ontregeling voelbaar, de voortdurende kortsluitingen waaraan Bloch onderhevig is. Bijvoorbeeld in passages waarin de taal in gehakkel ontaardt: "Hij liep verder, omdat- Moest hij het verder lopen motiveren, opdat- ? Wat betoogde hij, wanneer- ? Moest hij dat 'wanneer' motiveren, terwijl hij - ? Ging dat zo verder, tot -? Was hij al zover, dat -? Waarom moest er uit het feit dat hij hier liep iets geconcludeerd worden? Moest hij motiveren dat hij hier bleef staan? Waarom moest hij als hij langs een zwembad liep daarmee iets beogen?". Minstens zo ontregelend is een passage waarin woorden door plaatjes worden vervangen, zodat de beschrijving van een gewone kamer en zijn meubelen ontaardt in een soort "grappen zonder woorden". Daarnaast strooit Handke met allerlei beschrijvingen die vol staan met fragmenten en niet bij elkaar horende details, die sterk suggereren dat Bloch alleen maar fragmenten ervaart en geen samenhangende eenheden. Ook raakt Bloch vaak in de war van die details, omdat ze voor hem hun gebruikelijke betekenis missen en de gecodeerde dragers lijken te zijn van een nieuwe, maar nog onbekende betekenis. Bovendien leiden zijn indrukken, juist door hun ongerijmdheid en hun totale afwijking van de conventies, soms tot naar mijn smaak heel originele poëtische passages: "De kleine gebeurtenissen aan het wateroppervlak schenen zo belangrijk dat je als ze zich herhaalden, er tegelijkertijd naar keek en het je ook al herinnerde. En de bladeren bewogen zich zo langzaam op het water, dat je ernaar wilde kijken zonder je wimpers te bewegen, tot je ogen brandden, uit angst dat je beweging van de wimpers misschien zou kunnen bewegen met de beweging van de bladeren". En ook het eerdere citaat over de vreemd lichtende theebladeren vind ik aantrekkelijk poëtisch en origineel. Daarnaast zijn er ook veel bladzijden gevuld met opmerkelijk langdradige beschrijvingen, vol met naar conventionele smaak volkomen irrelevante details: beschrijvingen zonder focus, zonder een perspectief dat belangrijke dingen op de voorgrond plaatst en minder belangrijke op de achtergrond. Veel lezers vinden die passages niet om aan te gluren zo saai, zo heb ik op internet wel gezien. Maar ik vind ze vaak juist beklemmend en fascinerend, omdat in die passages zo voelbaar wordt dat Bloch alleen maar details ziet zonder samenhang en dat hij tot geen enkel perspectief of focus in staat is. Wij doen dat achteloos, zonder zelfs maar te beseffen dat we vanuit een bepaald perspectief naar de dingen kijken, ze meteen een bepaalde orde opleggen, en automatisch onderscheid maken tussen voorgrond en achtergrond. Maar bij Bloch is precies dat automatisme doorbroken, en daarmee ook elk houvast dat die conventionele automatismen bieden.

Deze korte roman is op veel verschillende manieren te lezen. Bijvoorbeeld als taalfilosofische roman, waarin gedemonstreerd wordt hoe arbitrair en fragiel de ogenschijnlijk hechte band tussen taal en wereld (tussen woord en ding) is. Of als bewust experimentele roman, die in stilte protesteert tegen meer normale boeken waarin de personages wel zijn verankerd in een kenbare wereld, en waarin de roman zelf ook geacht wordt een herkenbare en ware wereld realistisch te kunnen afbeelden. Handke zag dat als een illusie, en wilde mogelijk laten zien wat er gebeurt als je een roman schrijft zonder in die mimetische of realistische illusie te geloven. En je kunt dit boek volgens mij ook lezen als existentialistische roman, als verhaal over onze 'geworpenheid': wij hebben de taal, de conventies en de cultuur waarin we leven niet gekozen, wij hebben dus ook niet gekozen voor hoe we naar de wereld kijken, en zodra we DAT beseffen verliest de wereld alle vertrouwdheid en samenhang en ervaren we alleen kortsluiting tussen de woorden en de dingen, tussen onze perspectieven op de wereld en de wereld. Net als Bloch.

Niet iedereen zal dit soort gedachten delen, niet iedereen zal houden van de stijl van dit boek. Maar zelf bewonder ik hoe Handke dit soort gedachten voelbaar maakt. Ik bewonder de enorme precisie van zijn stijl, de bijna griezelige exactheid ervan juist in de onbestemde en ongerijmde passages. Ik bewonder hoe hij in elke alinea een volkomen unheimliche spanning bereikt, vaak met zinnen die zo origineel en onverwacht zijn dat je ze twee of drie keer moet lezen voordat je gelooft wat je ziet. Kortom, ook dit boek van Handke heb ik met plezier gelezen, en ik ben nog steeds niet met hem klaar.

Reacties op: Korte roman vol fascinerende kortsluitingen

3
De angst van de doelman voor de strafschop - Peter Handke
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker