Advertentie

"De voortvluchtige" is het voorlaatste deel van "Op zoek naar de verloren tijd", en gaat verder waar "De gevangene" ophield: de vlucht van Albertine, Marcels geliefde, uit de gevangenschap van Marcels jaloerse toezicht, en uit zijn op klemmende verlatingsangst berustende web van veinzerijen. Een vlucht die voor Marcel onverwacht komt, en hem met werelden van onverwachtse en ondraaglijk kwellende onzekerheid confronteert. En bovendien met onhanteerbaar gevoel van verlies, zeker als zij ook nog eens onverwacht sterft.

Vooral in het eerste en langste hoofdstuk zijn uitweidingen de kern: de steeds wanhopiger, melancholieker en tastender bespiegelingen van Marcel. Die bespiegelingen zijn, zoals steeds, van een enorme subtiliteit: alle mogelijke verklaringen en tegenverklaringen van Albertines gedrag en mogelijke ontrouw worden ongelofelijk minutieus geanalyseerd, evenals alle vaak zeer tegenstrijdige en voor Marcel zelf uiterst verrassende emoties en emotionele wendingen in Marcels eigen beprangde gemoed. Die bespiegelingen stellen je als lezer behoorlijk op de proef, door hun melancholieke gehalte en hun enorm uitgesponnen subtiliteit: pagina's lang worden in vaak ellenlange en vertwijfeld grillige zinnen steeds alle pijnlijke nuances en treurige schakeringen uitgebreid meegenomen. Maar ik vond die bespiegelingen tegelijk ook enorm fascinerend, en van enorme gevarieerde rijkdom. En uiterst imponerend bovendien, omdat ze zo ongelofelijk helder culmineren in een hoogst ontnuchterend inzicht: het inzicht dat Marcel in een totaal niet- weten is ondergedompeld, omdat hij uiteindelijk niets begrijpt van het raadsel dat Albertine voor hem is, en ook niets begrijpt van wat er in zijn eigen hoofd gebeurt.

Marcels grote angst was dat Albertine, door haar "Gomorreaanse" (oftewel: lesbische) geaardheid, van vrouwen genot ondervond dat hij haar niet geven kon en dat zij hem bovendien bijzonder vaak ontrouw was. Maar de vele getuigenissen die hij daarover hoort zijn dubbelzinnig of zelfs driedubbelzinnig, dus volkomen onbetrouwbaar, en bovendien spreken alle getuigen elkaar tegen. Iedereen heeft alleen maar een volkomen arbitrair beeld van Albertine, even arbitrair en veelvoudig en veranderlijk als het beeld dat Marcel zelf van Albertine heeft. Dus of ze hem ontrouw was blijft onzeker, zelfs of ze "Gomorreaanse" aanvechtingen had: in een later hoofdstuk vertelt iemand zelfs dat er juist een man in het spel was, een personage dat in "In de schaduw van meisjes in bloei" nog een volstrekt onnozele jongeling leek, maar die zich tot intellectueel en kunstenaar blijkt te hebben ontpopt. Maar ja, ook dat alternatieve verhaal van "een andere man" is alleen maar een onbetrouwbare getuigenis van een onbetrouwbare getuige. En voegt alleen maar meer onzekerheid toe aan het toch al zo onzekere en onduidelijke beeld. Een beeld dat bovendien behoorlijk pervers en troebel is, gezien de passages waarin Marcel vrouwenliefde beluistert en begluurt om beter te begrijpen hoe Albertine haar veronderstelde (hoewel dus soms ook betwijfelde) "Gommorreaanse" genietingen beleefd heeft. En vervolgens allerlei geschakeerde gevoelens beleeft bij het in vrouwenliefde geslaakte gekreun. Even vertroebelend en complicerend zijn de passages waarin Marcel, niet zonder enige verwarring, de bizarre mogelijkheid oppert dat het in het begin nog onbewuste vermoeden van Gomorreaanse geaardheid, hoe afschuwwekkend voor hem ook, misschien juist ook was wat hem zo aantrok in Albertine.

Die onzekerheid en onduidelijkheid wordt dus pagina's lang met geniaal subtiele analyses van alle kanten onderzocht, op een manier die Marcels niet- weten echt verbluffend scherp belicht. Datzelfde geldt voor Marcels bespiegelingen op wat hij doet, denkt en voelt, en waarom. Wat hij doet is van een verbijsterende en zelfs bizarre grilligheid, totaal irrationeel soms, en ik vind het echt geniaal hoe juist die analytische bespiegelingen haarscherp laten zien hoeveel verschillende facetten er kunnen schuilen achter irrationeel en door obsessieve angsten gedreven gedrag. De vlucht van Albertine kwam op een moment dat Marcel dacht niks meer voor haar te voelen: meteen na haar vlucht is hij echter totaal in paniek. Vanwege de werelden aan angsten in zijn hoofd durft hij haar niet te schrijven "kom nu meteen terug", maar bedenkt hij allerlei brieven vol geveinsd gevoel en allerlei ingenieuze maar averechtse tactieken om haar via andere wegen te bewegen terug te komen, zonder risico op de door hem zo gevreesde afwijzing. En als hij in een opwelling toch schrijft dat ze terug moet komen, kruist dat schrijven met het bericht van haar dood. Zodat het verlies nu compleet is, wat weer leidt tot een ongelofelijk meeslepend beschreven wirwar van wisselende stemmingen, gedachten, gevoelens en elkaar tegensprekende conclusies.

Ook in de vorige delen van de cyclus speelde de dood een steeds duidelijker rol: indrukwekkend was bijvoorbeeld de lange sterfscene van Marcels grootmoeder, en minstens zo indrukwekkend was de beschrijving van het hem veel later pas overvallende verdriet. Maar de bespiegelingen over het door de dood zo definitieve verlies van Albertine zijn nog wel wat doordringender. Bijvoorbeeld door de melancholie waarmee Marcel diverse prachtig scenes uit vroegere delen in veel donkerder toonsoort herneemt: de zonovergoten passages uit "In de schaduw van meisjes in bloei" , waarin Albertine een bloeiende mysterieuze bloem was te midden van het schitterende kleurenspel van strand en zee, worden nu herinnerd vanuit een stemming vol ontgoocheling en desillusie. Waardoor die wereld vol zonnige dromen met terugwerkende kracht een wereld van duisternis en pijn wordt. In de vorige delen gingen allerlei vormen van angst en ontgoocheling nog gepaard met hoopvolle verwachting, vaak zelfs anticiperende extase: dat echter is nu vervangen door ontgoochelde herinnering. Waarbij Marcel de voor hem verbijsterende ontdekking doet - en minutieus van alle kanten belicht- dat de liefde en de herinnering vooral levend wordt gehouden door zijn nog steeds voortlevende jaloezie en liefdespijn. Bovendien beseft Marcel steeds scherper dat niets bestendig is: zijn beeld van Albertine was een illusie, "verstoken van een werkelijke verbintenis met die persoon", wat betekent dat "alles wat mij zo tederlijk, onverbrekelijk, met de herinnering aan Albertine leek te binden, niet meer voor mij zou bestaan. Het ongeluk wil dat mensen voor ons niets meer zijn dan prenten van zeer aan slijtage onderhevige verzamelingen in ons brein". Of, zoals hij later zegt: "Want er is in deze wereld waarin alles slijt, waarin alles vergaat, één ding dat nog volslagener in het niet verzinkt, nog minder resten achterlatend dan schoonheid: dat is verdriet". Niet alleen omdat het beeld van Albertine een illusie is, en veelvoudig en veranderlijk bovendien, maar ook omdat hijzelf onbestendig en veranderlijk is: niet één ik maar honderden volkomen ongelijksoortige ikken, die voortdurend veranderen en afsterven. Nooit had één van die ikken daadwerkelijk contact met Albertine: zij was immers een beeld in zijn hoofd, en "De banden tussen een wezen en ons bestaan alleen in onze gedachten […] De mens is het wezen dat niet buiten zichzelf kan treden, dat de anderen enkel in zichzelf kent, en dat liegt als het het tegenovergestelde zegt". Marcel beweende dus niet een persoon, maar - en dat gevoel van ontoereikendheid doet hem nog harder wenen- alleen zijn beeld van die persoon. En ook die smartelijke pijn is niet permanent, want dat verdriet slijt, de ikken die dat verdriet voelen sterven af, de totale ontroostbaarheid vanwege de dood gaat ook zelf dood, ook het arbitraire en ontoereikende beeld van de geliefde vergaat. Dat maakt het verdwijnen van dat verdriet, en de wijze waarop Marcel troost zoekt en vindt in allerlei substituten voor Albertine, voor mij nog treuriger en navranter dan dat verdriet zelf.

Het is imponerend hoe Proust alle grillige schakeringen schetst van Marcels verdriet. En vooral imponerend vind ik hoe juist de onbestendigheid van dat verdriet extra reden is voor verdriet, of, beter gezegd misschien, voor melancholieke bespiegelingen over de onbestendigheid van alles. Dat niet alleen naar aanleiding van de dood van Albertine, in het eerste hoofdstuk van "De voortvluchtige", maar ook door de vele vaak volkomen bizarre wendingen in de drie latere hoofdstukken. Gilberte Swann, Marcels eerste prille liefde, blijkt bijvoorbeeld ineens "Mademoiselle Forcheville" te heten, een naamsverandering die het haar mogelijk maakt om niet langer geassocieerd te worden met haar vader, een jood. Die naamsverandering komt niet door een huwelijk, al trouwt ze wel opeens, maar dan met Marcels vriend Robert de Saint- Loup, die zo'n mooie ontroerende rol had in met name deel 2 en 3 van deze cyclus. Maar dat huwelijk betekent wel een ongehoorde vermenging van adel en bourgeoisie, dus een nogal verwarrende vermenging van waarden en werelden. En bovendien, Saint- Loup blijkt na dit huwelijk een totaal andere ik te zijn, of te zijn geworden, met totaal andere geaardheid, dan de persoon die Marcel meende te kennen als zijn vriend.... Wat voor Marcel uiteraard weer aanleiding is tot uitgesponnen, subtiele en zeer melancholieke bespiegelingen. Net als in het allerlaatste hoofdstuk zijn wandelingen door het Combray van zijn prille jeugd, het Combray dat in "Swanns kant op" nog schitterende wijze als paradijs van de kinderjaren werd geschetst, maar dat nu op even briljante wijze geëvoceerd wordt als een volkomen onttoverd oord. Want de wandeling in Combray lijkt nu niet door een paradijs te voeren, maar door een onderwereld met schaduwen uit een dood verleden.

Alles waarop Marcel zo vurig hoopte is dus uitgemond in ontgoocheling en dood. In de vorige delen nam de melancholie steeds meer toe, maar was er ook altijd tegenwicht in prachtige passages over esthetische ervaring en kunst: ook nu zijn er diverse heel esthetische zinnen, maar klinkt toch vooral de boodschap dat schoonheid NOG vergankelijker is dan verdriet. Ook monden de bespiegelingen van Marcel in dit deel veel duidelijker uit in een melancholiek, soms zelfs wanhopig niet- weten. Het niet- weten wat of wie Albertine was, en wat zij voor Marcel betekende, behalve dan een drogbeeld of een voorbijgaande illusie. Het niet- weten en niet- begrijpen van de vele grillige aandriften, angsten en veranderingen in het eigen hoofd. En het totaal geen vat kunnen krijgen op de bizarre, zelfs redeloze veranderingen in de wereld. Dat alles gaat gepaard met een bepaalde wijsheid, maar dan wel een troosteloze: "Die wijsheid, wordt die niet geïnspireerd door de muze die het goed is, wil men enige toegankelijkheid voor indrukken en enig scheppend vermogen behouden, zo lang mogelijk te miskennen, maar die juist degenen die haar hebben genegeerd in hun levensavond tegenkomen in het middenschip van de oude provinciale kerk, op een ogenblik waarop zij zich voor de, in de sculpturale altaarstukken uitgedrukte, eeuwige schoonheid minder ontvankelijk voelen dan voor de kennis van de lotswisselingen die ze hebben ondergaan, via een vermaarde collectie teruggekomen in een kapel, toen in een museum, toen weer teruggekeerd in de kerk; of voor het besef dat zij over een haast denkende vloer lopen die uit het laatste stof van Arnauld of Pascal bestaat; ofwel voor een ontcijfering, zich misschien het gezicht van een fris provinciaaltje voorstellend, op het koperen plaatje van de houten bidstoel, van de namen van dochter van de landjonker of de notabele heer, de muze die alles heeft vergaard wat de hogere muzen van de filosofie en de kunst hebben verworpen, alles wat niet in waarheid is gefundeerd, alles wat bijkomstig is maar ook andere wetten aan het licht brengt: de geschiedenis!". Een onmogelijk kronkelende zin, over een wel een heel bedroefde wijsheid: niet de jubel vanwege de schoonheid van de altaarstukken en de eeuwige waarheid die zij representeren, maar het stemmige inzicht dat ook die altaarstukken voortdurend van plaats veranderen en aan lotswendingen onderhevig zijn. Die wijsheid (deze muze) gaat dus niet over de bestendige eeuwige werelden van het Hogere en het Schone die men in altaarstukken ziet, maar - in mijn beleving- om alles wat daarbuiten valt: de lotswendingen van die altaarstukken zelf, het stof van de doden, de vervagende herinneringen aan een door verterende jaloezie getekende liefde, de eveneens vervagende herinneringen aan alle idiote misverstanden en innerlijke dwaalwegen die met die liefde gepaard gingen, en alle voor Marcel niet te begrijpen veranderingen in de wereld. Die wijsheid is dus het besef dat al het irrationele en onbestendige van onze lotswendingen, dat door filosofie en (een groot deel van) de kunst niet wordt belicht, juist het wezenlijke is. Juist dat irrationele en onbestendige, het betekenisloze en ongerijmde dat volgens rationele denkers alleen bijkomstig is, het stof van de geschiedenis dat nauwelijks zinvolle vorm aanneemt, wordt in "De voortvluchtige" dus volop centraal gesteld en voluit belicht.

Ja, dit boek is zonder meer het meest donkere en ontgoochelde deel van deze cyclus. Maar ik bejubel de enorme precisie en subtiliteit van Prousts ontgoochelde zinnen, en de wijze waarop hij juist door de enorme analytische kracht van zijn stijl het totale niet- weten van zijn hoofdpersoon voelbaar maakt. Ik vind het bovendien geniaal hoe hij die ik- figuur een helder analytisch licht laat werpen op zijn vele volkomen bizarre en irrationele aandriften en op zijn vaak redeloze en erratische gedrag. Ik vind het zelfs troostrijk dat iemand in een zo rijke en verhelderende stijl kan schrijven over de troosteloosheid van de dood, de onbestendigheid van de werkelijkheid en de totale onbestendige chaos in iemands hoofd. Temeer omdat ik die troosteloosheid, onbestendigheid en chaos zelf als ervaringsfeiten meen te herkennen. Ik bewonder Prousts prachtige taalfilosofische inzichten, de wijze waarop hij laat zien dat de werkelijkheid altijd een heel onzekere vertaling van de werkelijkheid is in ons ontoereikende brein, en die diepgang van die inzichten weegt voor mij ruimschoots op tegen het ontnuchterende karakter ervan. Bovendien, ik herinner mij van alle vorige keren dat ik deze cyclus las dat al deze troosteloosheid de opmaat is voor "De tijd hervonden": het grandioze afsluitende zevende deel waarin de ik- figuur, totaal bevrijd van alle illusies, eindelijk ten volle de verlossende kracht ervaart van niet- conventionele kunst. Dus ga ik nu vol verwachting aan "De tijd hervonden" beginnen!

Reacties op: Alles is illusie, en onbestendig bovendien

7
De voortvluchtige - Marcel Proust
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het e-book € 14,99
E-book prijsvergelijker