Advertentie

Na "Melancholie I", dat ik onlangs ademloos las, ben ik Fosse- fan. Meteen daarna las ik de novelle "Ochtend en avond", een wonderlijke novelle vol verwondering. Ook weer fraai, hoewel heel anders, en ik wil nog steeds meer lezen van die man.

Het gaat in deze novelle helemaal niet om de plot, maar des te meer om stijl en sfeer, en om verwondering over de raadselachtige fenomenen van dood en geboorte. In het korte eerste deel wordt de visserszoon Johannes geboren. We volgen dan de prachtig geformuleerde angsten van zijn vader Olai vanwege het risico dat moeder en zoon deze geboorte niet gaan overleven, en de metafysische bespiegelingen van Olai over het peilloze raadsel van de ijskoude wereld en het wankele evenwicht tussen de onkenbare God en Satan. In het langere tweede deel volgen we de mijmeringen van de oude Johannes, weduwnaar en eenzaam, voor wie alle dagen ijskoud zijn en vrij leeg bovendien. Treffend, hoewel onnadrukkelijk detail is dat hij, sinds het overlijden van zijn innig geliefde echtgenote, elke dag kotsend begint. Daarna begint hij dan, met een opmerkelijke mengeling van gedempte droefheid en serene berusting, aan zijn steeds kleiner wordende cirkel van elke dag terugkerende bezigheidjes en mijmeringen. Het meanderende verhaal wordt, heel geleidelijk aan, steeds surrealistischer en droomachtiger: alles wat Johannes ziet is zoals het altijd was maar tegelijk ook lichter en zwaarder, op een bepaald moment vaart hij weer samen met zijn vriend Peter die al enkele jaren dood is, en hij ontmoet zijn innig geliefde gestorven vrouw weer maar nu als jong meisje. Tijdens zijn boottocht met Peter heeft hij ook een nauwelijks begrepen gevoel van afscheid: "en hij kijkt naar de botenhuizen en hij ziet de huizen, de woonhuizen, daar boven langs de weg en dit alles grijpt hem hevig aan, de heide, alles, dit alles kent hij, dit alles is zijn plek op aarde, dit is van hem, dit allemaal, de heuvels, de botenhuizen, de stenen langs de vloedlijn, en dan heeft hij plotseling het gevoel dat hij het nooit meer zal terugzien, maar het blijft in hem aanwezig in dat wat hij is, als geluid, ja, in zekere zin als geluid in hem, denkt Johannes en hij heft zijn handen op naar zijn ogen en wrijft erin en hij ziet hoe alles schittert, de hemel op de achtergrond, elke muur, elke steen, elke boot schittert hem tegemoet, en nu begrijpt hij er niets meer van, want vandaag is niets zoals het was, er moet iets gebeurd zijn, maar wat kan dat zijn? denkt Johannes en hij begrijpt het niet [….]"

De geciteerde zin loopt in werkelijkheid nog lang door. En het verhaal van Johannes zit vol met dit soort lange, ademloos meanderende zinnen, met veel vraagtekens middenin de zin, met heel vaak het voegwoord "en", en nooit met een "doordat", "omdat" of "dus". Zinnen dus die, naar mijn smaak, op fraaie wijze het niet- weten en niet- begrijpen van Johannes uitdrukken. En dat niet- begrijpen is voor de lezer maar al te begrijpelijk, want wat Johannes doormaakt is niets meer of minder dan de overgang van de grens tussen leven en dood, daarbij beseffend: "daar waar wij heengaan, bestaan geen woorden". Johannes ontstijgt dus het aardse, herbeleeft sommige delen van zijn leven als in een droom of in de vorm van spookverschijningen, en gaat het volstrekt onbekende tegemoet. Niet een kenbaar hiernamaals, of een in concrete vormen uit te tekenen paradijs zoals ons in de Bijbel is beloofd, maar een soort van bestaan dat zodanig onbekend en anders is dat de woorden ervoor ons ontbreken. Want geen enkel ons bekend begrip geldt hier nog, ook niet het woord "bestaan".

Dit alles suggereert Fosse veel subtieler en mooier dan ik nu weergeef, en veel meer tussen de regels door. Soms in lange, meanderende en bedwelmende zinnen, die elke kern en elke conclusie opschorten. Soms in dialogen die juist uit korte zinnen bestaan, waarin veel ongezegd blijft, en die allemaal eindigen in een onbestemd stuk wit en juist niet met een punt. In veel scenes blijft bovendien onbeslist of Johannes droomt, of al dood is: het enige wat we zien is dat hij ontwent aan het leven en dat het leven steeds meer werkelijkheid voor hem verliest. Ook zijn "overgang" zou een droom kunnen zijn, of toch werkelijkheid, maar in dat laatste geval is het een onbeslisbare werkelijkheid die wij net als Johannes niet begrijpen. Te meer omdat deze overgang naar gene zijde, ondanks alle overduidelijke religieuze connotaties en symboliek, in deze novelle gepaard gaat met allerlei twijfelende vragen over aard en waarde van het bestaan en van God. Bij de geboorte van Johannes bedenkt Olai zelfs: "en nu, terwijl Marta, zijn moeder, schreeuwt en pijn lijdt, zal hij zijn intrede doen in deze koude wereld en daar zal hij dan alleen zijn, gescheiden van Marta, gescheiden van alle anderen, daar zal hij alleen zijn, altijd alleen en dan zal hij, als alles voorbij is, als zijn tijd is gekomen, vergaan en tot niets worden en weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam, uit het niets en naar het niets, dat is de loop van het leven, voor mensen, dieren, vogels, vissen, huizen, potten en pannen, voor alles wat er bestaat, ja, denkt Olai […]". Vervolgens blijkt Olai, ondanks deze expliciete benadrukking dat het hele bestaan doordesemd is van het loutere niets, toch religieus te zijn. Maar zijn devotie is behoorlijk ambigu en allesbehalve rustgevend: "er moet toch haast een Geest Gods bestaan die in dat alles aanwezig is en die alles tot meer maakt dan niets, die het zin en kleur verleent, en daarmee, denkt Olai, is toch Gods Woord en Geest overal aanwezig, zo is het, ja, daar is hij van overtuigd, denkt Olai, maar dat ook Satans wil werkzaam is, daar is hij net zo van overtuigd, en of het ene sterker aanwezig is dan het andere, nee, daar is hij absoluut niet zeker van, denkt Olai […]".

De geboorte van Johannes is dus voor Olai aanleiding tot extra geloofstwijfel, of extra twijfel over aard en waarde van God en de schepping, met op de achtergrond het vermoeden dat geboorte niets meer is dan gescheiden worden van de veilige baarmoeder en de dood niets meer is dan het eenzame niets. Die twijfels blijven, voor mij, doorklinken in het verhaal over Johannes eenzame ouderdom en zijn raadselachtige overgang naar daar waar geen woorden bestaan. Bijvoorbeeld omdat deze twijfels door een vriend van Johannes letterlijk worden herhaald, hoewel in gedempte vorm. Maar ook door de voortdurende verbazing van Johannes, en de ongrijpbaarheid van Fosses scenes en beelden. De voorbewuste toestand van Johannes als pasgeborene wordt prachtig in stamelende taal gevat, de ongrijpbaarheid van alles wat hij als oudere man liefheeft komt prachtig naar voren in zijn meanderende mijmeringen, En zijn overgang naar het onbepaalde, het onbeslisbare, het niet meer in de wereld zijn, wordt heel fraai gevat in geheimzinnige beelden die het raadsel bewust intact laten.

Daarom is "Ochtend en avond", in mijn beleving, vooral een niet- wetende overpeinzing van de raadsels van geboorte en dood. Een overpeinzing die makkelijk loodwaar of sentimenteel of zelfs kitscherig had kunnen uitpakken, maar die door zijn subtiliteit en bedwelmend- raadselachtige stijl toch opmerkelijk licht en verstild blijft. En dat verwondert mij misschien nog het meest.

Reacties op: Novelle vol verwondering over geboorte en dood

1
Ochtend en avond - Jon Fosse
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker