Advertentie

Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn echtgenote onlangs "Venetië" van Cees Nooteboom, een cadeau dat vooral bedoeld was om mijn reislust en verlangen naar eigen Venetiaanse belevenissen aan te wakkeren. Dat lukte heel aardig, want door dit boek raakte ik zwaar aan het mijmeren over deze bijzondere, weliswaar al te toeristische, maar toch onuitputtelijk mysterieuze stad. Maar nog fascinerender vond ik om een tijd te verblijven in Nootebooms hoofd, dat een brein heeft met beschouwelijke mijmeringen als in geen enkel ander brein, en ogen die zien wat geen enkel ander oog ooit ziet. Nooteboom dwaalt door plekken in Venetië waar geen toerist ooit komt, kijkt naar dingen die geen toerist ooit ziet, of kijkt naar al te bekende schilderijen en kerken met een blik die opmerkt wat geen toerist ooit opmerkt, en doet dit met een hoofd vol herinneringen en erudiete beschouwingen die elke toerist volkomen vreemd zijn. Hij is een reiziger die doolt en dwaalt door de stad, zonder plan, en komt waar niemand komt, en die doolt en dwaalt in zijn eigen hoofd, en zijn indrukken dus verrijkt met associaties die niemand anders ooit bedenkt. Althans niet op die manier, in die meanderende en gedragen stijl. Was ik nu maar in Venetië, dacht ik na het lezen van dit boek. Maar vooral: had ik maar zo'n rijk hoofd, en zo'n opmerkzaam oog.

Het boek is een bundeling van meerdere, soms oudere stukken, die soms verfraaid worden door foto's van Simone Stassen (Nootebooms partner). Meerdere indrukken uit meerdere Venetië- bezoeken raken in die stukken met elkaar vermengd, wat nog wordt versterkt door de pluriforme en vloeiende veelvormigheid van de stad zelf: opgetrokken uit eilanden omringd met water, op elke straathoek verwijzend naar vele verledens en een even rijke als mysterieuze geschiedenis. Heden en verleden vervloeien kortom voortdurend, in de stad en in Nootebooms hoofd, wat Nooteboom fraai voelbaar maakt door vaak te spreken over het "nu van toen" en het "toen van nu", en door zijn zinnen inhoudelijk en grammaticaal soms eindeloos te laten meanderen. Venetië bestaat uit eilandjes in een grillig meanderende lagune, Nootebooms zinnen lijken soms wel reeksen eilandjes met komma's ertussen. Of, wellicht, meanderende lagunes met komma's die de kronkelingen en eilandjes markeren. Zoals bijvoorbeeld deze zin: "Alles wat ik nu wil is op het water een boot zien, de roeiers afgetekend tegen het licht van de horizon, maar het enige wat er te zien valt is het water zelf, een grijze, glanzende vlakte waarin maar weinigen de geheime wegen kennen, we lopen over de smaller weg tussen de groene velden en het water, Venetië is ver weg en dichtbij, en terwijl ik daar loop met de maat van mijn stappen met de wind als begeleider, probeer ik te denken over het wonder van dit alles, een stad door mensen in dit water gebouwd, een mensensoort dat in dit waterlandschap een krankzinnige droom gedroomd heeft, in gedachten zie ik over het water een stad oprijzen van paleizen en kerken, een nooit zo gezien visioen".

Dat de stad Venetië uitnodigt tot dromen en visioenen was mij natuurlijk bekend, al was het maar door al die andere schrijvers - Mann, Brodsky, Mulisch, Henry James, Twain, Luiselli, Donna Leon- die zich door deze stad lieten inspireren. Maar de verlokking van die dromen en visioenen worden door Nooteboom nog verder versterkt, ten eerste omdat hij zich op aanstekelijke wijze door al die schrijvers laat inspireren, maar ook en vooral door zijn stijl, en boven alles door het aanstekelijk verlangen dat uit die stijl opstijgt. Bijvoorbeeld in de volgende scene, in een kerk waar Nooteboom min of meer toevallig is aangeland: "en dan gebeurt het, ineens stroomt de kerk vol gecomponeerd geluid, stemmen die zich door elkaar heen weven, elkaar achtervolgen, ondersteunen, mensen die geen instrument nodig hebben om muziek te maken, hun lichaam is hun instrument, de stemmen vliegen langs de hoge zuilen omhoog, zoeken de muren op, dwalen door het gewelf tot de hele kerk van muziek is en wij gewiegd worden, in harmonieën die dingen beloven die niet bestaan, behalve nu, in deze muziek". Of in een andere scene, in nog weer een andere kerk waar Nooteboom ook weer min of meer toevallig via een dwalende voettocht is aangeland: "Met romaans en gothiek blijf ik meestal op de grond zoals dat bij mensen hoort, maar bij een barokkerk als deze zou ik vleugels willen hebben, gewoon om door de ruimte te zoeven en dan als een soort reuzenkolibrie voor het hoofdaltaar te blijven hangen om de gedraaide zuilen van rond Frans marmer beter te bekijken, en dan langzaam mijn ogen naar boven te laten draaien om het op die zuilen uitgewaaierde schuim van de ijselijk witte marmeren Korinthische kapitelen van zo dichtbij mogelijk op me in te laten werken en daar te blijven kijken waar de geordende waanzin van de barok omhoogvliegt naar een kroon en koepel van extreme uitbundigheid". In de eerste scene een wereld van muziek, die dingen belooft die in de echte wereld niet kunnen bestaan, en juist dat maakt die wereld zo verlokkend. In de tweede scene het verlangen op te vliegen naar "geordende waanzin", in plaats van met beide benen op de grond te blijven: ook hier dus weer een onmogelijkheid, die door zijn onmogelijkheid verlokt. Dat is de verlangende droom die Nooteboom overal in Venetië droomt, kijkend naar het water, starend naar de vele beeldhouwwerken, mijmerend bij de overdadig aanwezige kunst van de vele grote Venetiaanse schilders, bladerend in vele mooie boeken over Venetië en zijn geschiedenis, en ronddwalend door de stad en het eigen geheugen. En dat is ook de droom die Nooteboom zijn lezers laat voelen, door de rijke inhoud en meanderende elegantie van zijn stijl.

Wil ik nu naar Venetië? Meer dan eerst, in elk geval, al schrikken de wagonladingen toeristen mij nog steeds af. Maar ik wil vooral meer Nooteboom.

Reacties op: De dolende reiziger als levensvorm

16
Venetië - Cees Nooteboom
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 24,99
E-book prijsvergelijker