Advertentie

De kraaien, de klei, het lijden en de seks


Maris Coppoolse is een gevierd Nederlands schilder. Hij is met zijn vrouw Fran op weg door een klef en benauwd Amsterdam naar zijn overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel hoger kun je als beeldend kunstenaar in Nederland niet stijgen.

‘Zwijgend zaten ze in de taxi. Damp steeg op van het drogende asfalt. Door de halfopen ramen, kwam een vochtig-warme lucht naar binnen. Bij een stoplicht staken drie natgeregende meisjes lachend over, hun jurkjes klevend aan hun lichaam. De taxi vorderde langzaam in de namiddagspits van Amsterdam, de chauffeur hing verveeld opzij.’ ( 2019: 9)

Oei, dat wordt geen vrolijke vernissage, denk ik, daar is iets grondigs loos. En dat blijkt ook vrijwel ogenblikkelijk zo. Fran en Maris (ongetwijfeld naar de broers Maris: Matthijs, Willem, Jacob, in willekeurige volgorde, ik moet altijd hard nadenken over hun voornamen; negentiende-eeuwse schilders, Haagse school; dank dat dit niet wordt uitgelegd!), Fran en Maris dus, zijn compleet uit elkaar gegroeid. Ze hebben geen seks meer; ze ergeren zich aan elkaar over alles wat ze doen, denken en ondernemen. Frans dochter en Maris’ oogappel Fran komt over uit Syrië / Irak, waar ze als fotograaf werkt. Pleegzoon Thijs, werkzaam op de buitenlandredactie van een grote krant, is er natuurlijk ook. De directeur, Beatrix Ruf - ze wordt niet met name genoemd, maar ik vul dat toch maar even in -, en 800 gasten wachten hem op.
Maris raakt van streek door een eigen schilderij: een Japanse schelpdierduikster wordt levenloos met een touw rond haar lijf uit het water gehaald. Het is een schilderij naar een foto. Een onheilsgevoel neemt direct de controle over. Dood, touw, vrouw, naakt, vrijwel naakt.
Een groot artikel over hem in een tijdschrift maakt zijn ellende compleet. Het gaat over een noodlot dat geschied is in zijn jeugd op een Zeelands eiland.

Ik zal niet veel prijs geven over de inhoud van deze roman. Door middel van flashbacks - back and forth, zo noem ik dat altijd maar, dus uit verschillende periodes van het hoofdpersoon en die niet op een chronologische wijze tot ons komen - raken we als lezer op de hoogte van Maris’ moeilijke leven: een existitiële buitenstaander - zoiets als de hoofdpersoon van Doeschka Meijsing, Robinson, maar dan vele malen dramatischer, schilderachtiger en kleurrijker.

Natuurlijk speelt de schilderkunst een grote rol: Picasso, Van Gogh, de middeleeuwse religieuze schilder Grünewald. Als Maris diens triptiek in Colmar gaat zien en daar helemaal ondersteboven van raakt, heeft hij ‘de heilige leeftijd’ van 33 jaar bereikt; zijn leven kan niet ellendiger zijn dan dat van de getormenteerde Christus, die op 33-jarige leeftijd aan het kruis het leven liet, voor ons, arme schapen in grote nood; agnus dei qui tollis peccata mundi.

Al van jongs af aan voelt Maris zich anders, anders dan iedereen om hem heen. Hij is zijn moeders oogappel maar ook is hij haar mislukkeling; zij straft hem hard; hij doet altijd anders dan zij wil; hij stelt haar teleur; juist nog meer stelt hij haar teleur omdat hij haar lieveling is. Als kind al kan hij goed tekenen, maar dat is op een dorp tussen boerderijen en kleiïge akkers een soort van kaïnsteken.

De thema’s uit deze roman spreken me geweldig aan: immens schuldgevoel; het gevoel er niet bij te horen; niet weten wat met het leven aan te vangen; de zwaarte van dat leven; de verlammende werking van seksualiteit die feitelijk beleefd wordt als zondig en die daarom niet genoten kan worden; het moeilijke schildersleven; nadruk op lijden en religieuze vervoering, hoop op verlossing, wanhopen dat de verlossing nooit komt; kortom totaal verloren lopen.
De dubbele gevoelens met betrekking tot seksualiteit en de beleving ervan, het schuldgevoel dat hiermee samenhangt; de hoop of wanhoop op verlossing, al die thema's ‘schopt’ De Jong als het ware en op een geweldige wijze bij ons binnen; hij duwt ons er ruw met onze neus in. Het is dan ook niet de thematiek die mij dwars zit in deze roman. Ik had me enorm verheugd op dit nieuwe boek, want ik ben altijd een liefhebber van Oek de Jongs werk geweest. Maar het valt me tegen, en dat schrijf ik met lood in mijn schoenen en schaamrood op de konen.

Het kan zijn dat mijn smaak veranderd is. Ik heb immens veel gelezen de laatste jaren, laten we zeggen sinds ik De Jongs Pier en oceaan gelezen heb. Ik zie een duidelijke overeenkomst in beide boeken. Een kind dat het met zijn ouders, of een der ouders maar moeilijk kan vinden. Een kind dat zich letterlijk misplaatst voelt. Deze thematiek is majestueus, een beetje taboe ook. Wie durft er toe te geven dat hij het met zijn moeder slecht kan vinden; wie durft te erkennen dat zij haar kind eigenlijk niet bemint?

Wat mij tegenstaat in deze roman is dat mij, de lezer, te veel wordt uitgelegd. Een gebeurtenis met betrekking tot de dood wordt voorafgegaan door een beleving van Maris in kleuren: zwart, blauw en geel; zwart van de kraaien. De schilder Van Gogh, die ook een niet al te vrolijk leven heeft gehad en een geobsedeerd schilder was, is dan al ter sprake geweest. Dan denk ik bij kraaien, akker, geel en blauw direct aan Van Gogh laatste schilderij. De Jong wil het zekere voor het onzekere nemen en noemt de Franse Brabander toch even bij naam. Voor mij is dat een beetje een zwaktebod. Maar het kan ook aan mijn leeservaring liggen. Onlangs (her)las ik bijvoorbeeld Robinson van Doeschka Meijsing. Een van Meijsings opvallende manieren van schrijven is dat zij intertekstualiteit gebruikt om haar verhaal een enorme diepte te geven. Maar zij legt de lezer niets uit. Ik geef toe dat niet iedere lezer alle verwijzingen zal herkennen. Ik zal zeker ook niet al haar ‘puzzeltjes’ oplossen.

Mijn bezwaar tegen Zwarte schuur is zoals ik al schreef dat de auteur mij te veel uitlegt. Dat Maris lijdt aan zijn leven, aan zijn seksualiteit, dat zijn schuld op hem drukt als het zware kruis van Christus, hoeft De Jong niet voortdurend uit te schrijven. Te vaak lees ik zinnen als: Maris dacht aan zijn schuld of woorden van gelijke strekking. Verhaaltechnisch heet dat: te veel ‘tell’ en te weinig ‘show’. Het tonen is er wel degelijk en er zijn wondermooie stukken in deze roman, maar te weinig naar mijn gevoel. En op zich vind ik ‘tell’ ook niet altijd ‘verkeerd’, ‘fout’; het is de manier waarop een auteur dat doet. De Jongs schrijfstijl is niet te moeilijk, bij het karige, het journalistieke af, maar dat bekoort me in deze roman niet.

Psychologisch is het boek heel sterk en ik ben een grote liefhebber van zware thematiek, ook bijvoorbeeld bij Jeroen Brouwers, bij tal van Nederlandse auteurs natuurlijk, het lijkt haast een Nederlands thema, maar de uitwerking ervan en vooral het vele expliciteren - begrijp je wel, lezer, wat ik bedoel? - storen mij. Ook het religieuze aspect kan mij bekoren.

De herhaling van motieven vind ik in Zwarte schuur ook een beetje aan de opzichtige kant. Ik snap dat niet helemaal van mezelf, want ik ben behoorlijk tuk op motieven en hun herhaling, zoals bij bijvoorbeeld Jeroen Brouwers of Thomas Mann.

Ik sta een beetje alleen in mijn opvatting, in mijn matige waardering van Zwarte schuur, maar dat is dan maar zo.

Ik ga het oudere werk van Oek de Jong herlezen, en hoop op verlossing.


‘Hij hoorde de stem van het bleekblonde meisje: een hese stem. De stem van Matty* was van nature een beetje hees geweest. Hij staarde naar de broodjes in de glazen buffetkast. Het was of Matty hem in een nieuwe gedaante verscheen - in de rij voor het buffet op een veerboot. Zij, het meisje met de hese stem dat jongens uitdaagde en voor ze wegrende. Het meisje dat hij had bewonderd omdat ze zo hard kon lopen en met abrupte wendingen alle jongens van zich afschudde, terwijl ze lachend over haar schouder keek. Het stoere meisje dat zich geen raad wist met de ondoorgrondelijke jongen op wie ze verliefd was geworden.’ (ib.: 489)



*Matty is het meisje om wie alles draait in deze roman; een omgekeerde muze, een zwarte muze.






Over de auteur:

Oebele Klaas Anne (Oek) de Jong (Breda, 4 oktober 1952) is een Nederlandse schrijver.

Oek de Jong (1952) is de zoon van voormalig staatssecretaris Klaas de Jong Ozn. en Dies Windig. Zijn jeugd bracht hij door in Dokkum en Goes. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam.

Hij debuteerde in 1975 met "De onbeweeglijke Tze" in het Hollands Maandblad. In 1977 verscheen De hemelvaart van Massimo, een verzameling korte verhalen waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. In 1979 volgde zijn doorbraak met Opwaaiende zomerjurken, een roman die positief ontvangen werd door de pers en door lezers en die met de Ferdinand Bordewijk Prijs beloond werd. Zes jaar later, in 1985, verscheen Cirkel in het Gras. Deze roman was in vergelijking met de bildungsroman Opwaaiende zomerjurken van een heel ander slag, veeleer een ideeënroman. Dit boek werd ook goed ontvangen.

Hierna volgde er een stillere periode rond De Jong. De periode tussen 1985 en 1995 werd door De Jong in interviews een ‘donkere tijd’ genoemd. In deze tijd maakte hij – samen met Chris Rutenfrans, Yoeri Albrecht, René van Hezewijk, Peter Nelissen, Joost Vroege en Jaap Verraes – deel uit van de zgn. "Platoclub", een kring rond de schrijfster Andreas Burnier. Wel gaf hij in deze periode gastcolleges aan de universiteit van onder andere Amsterdam (1986) en Leiden (1993) en later ook nog in Berlijn (2000). Hij gaf les in het prozaschrijven (onder meer aan de nog niet gedebuteerde Joost Zwagerman en Marcel Möring). Daarnaast begon hij aan het schrijven van zijn dagboek en deed vrijwilligerswerk met geestelijk gehandicapten.

In 1993 verscheen een kleine bundel van hem: De inktvis. Door het merendeel van de critici werden deze novellen afgewezen. In een essay met de titel Niet-handelen, niet-weten deed De Jong een poging zijn verhalen te verklaren. Dit essay werd opgenomen in een bundel met essays en reisverhalen die tussen 1995 en 1997 geschreven werd: Een man die in de toekomst springt. In 1998 won dit boek de Busken Huetprijs. De Jong was van 1998 tot 2000 redacteur van De Revisor.

Er verscheen weer een grote roman van De Jong in 2002, namelijk Hokwerda's kind, een boek dat hem weer in de belangstelling bracht. Dit werk is in 2006 op het toneel gebracht in een bewerking van Productiehuis Brabant in een regie van Madeleine Jutten-Matzer met Wendell Jaspers in de hoofdrol.

Hokwerda's kind werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de Gouden Uil.



Bibliografie:

Titel: Zwarte schuur
Auteur: Oek de Jong
Verschijningsdatum: augustus 2019
Aantal pagina's: 496 pagina's
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 978 90 254 5767 9



Reacties op: De kraaien, de klei, het lijden en de seks

121
Zwarte schuur - Oek de Jong
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 24,99 Bestel het e-book € 14,99
E-book prijsvergelijker