Advertentie

Alfie Flowers, de hoofdpersoon van Beeldtaal, heeft bepaald een tot de verbeelding sprekende jeugd gehad. Zijn vader Mick was een bekend freelance fotograaf, die vaak in brandhaarden over de hele wereld werkte. Maandenlang van huis, maar als hij niet werkte, reed hij het liefst met zijn zoon in een open sportauto door het vlakke land van het Engelse graafschap Suffolk: “Zijn leren jasje was tot bovenaan dicht geritst, zijn witte zijden sjaal en blonde haren wapperden in de wind [-].” Rijden in de Morgan met zijn vader aan het stuur was voor Alfie zoveel als vliegen in een gevechtsvliegtuig. Aan het eind van zo’n dag picknickten ze aan de kust en rookten samen een joint. Welke jongen zou er niet zo’n vader willen! Helaas overlijdt Mick Flowers kort na de tiende verjaardag van zijn zoon. Killed in action. Zijn lichaam werd nooit gevonden.


Met die joint was overigens iets bijzonders aan de hand. Alfies vader mengde namelijk niet alleen tabak en hasj, maar strooide er ook een geheimzinnig poeder bij, afkomstig van de gedroogde haka-plant, die ergens ten noorden van Bagdad groeide. Dat geurige mengsel had onder meer het therapeutisch doel om Alfie van zijn epileptische aanvallen te genezen.
Dit motief, Alfies epilepsie, introduceert de suspense in het verhaal. De eerste toeval kreeg Alfie toen hij een geheimzinnig vakje in het bureau van zijn opa ontdekt had. Het vakje bevatte een opgerold stuk papier en een buidel met het poeder van de haka-plant. Van wat er toen gebeurde, herinnert hij zich niets meer. Volgens zijn vader had hij het geheimzinnige poeder uitgeprobeerd en iets gezien wat hij niet zien mocht. Wat dat was, ontdekt hij pas vele jaren later, na een zoektocht die gemarkeerd wordt door dreiging, mishandeling en moord. Hoe dan ook, na de ontdekking van het geheimzinnige bureauvakje vindt Alfie zichzelf zwaar aangeslagen in bed terug. Hij is uren van de wereld geweest. In zijn herinneringen is een groot zwart gat geslagen en ’s nachts wordt hij geteisterd door nachtmerries. Hieraan komt pas een eind nadat hij zich onder behandeling stelt van ene meneer Prentiss, een oude vriend van de familie. Aan de inhoud van het geheimzinnige vakje denkt Alfie steeds minder terug.


Maar dat verandert op slag als hij, jaren later, op een winkelruit een graffiti ziet die hetzelfde effect heeft als het poeder en het papier dat hij in zijn opa’s bureau vond: het is alsof hij een absence-aanval krijgt, een lichtere variant van de toevallen uit zijn jeugd. Alfie werkt dan inmiddels als reportagefotograaf in London, waar hij een stukje grond bewoont dat hij van zijn vader heeft geërfd. De graffiti lijkt sterk op de afbeelding op een scherf die een oude vriendin van zijn vader hem heeft gegeven en die is ondertekend met de naam Morph.
Hij vraagt zich af of deze Morph hem kan helpen de oorsprong van zijn epilepsie te vinden. Is genezing mogelijk? En zou hij via Morph meer te weten kunnen komen over de dood van zijn vader? Alfie besluit niet te rusten voor hij deze straatkunstenaar (tagger) heeft gevonden.


Ik kan gerust verklappen dat hem dat ten slotte ook lukt, want de zoektocht naar Morph wordt naarmate het verhaal vordert steeds minder belangrijk. Op den duur vergeet je dit personage zelfs helemaal. De glyphs, de krachtige beelden die zo’n verpletterend effect hebben op de mensen die ze zien; daar gaat het feitelijk om. Al gauw blijkt dat Alfie niet de enige is die naar de bron van de glyphs op zoek is. Een geschifte psychiater blijkt een geduchte tegenstander, evenals de Engelse geheime dienst. En dan is er nog de mysterieuze Nomad’s Club. Allemaal hebben ze hun eigen redenen om de glyphs, die diep onder de aarde in Irak verborgen liggen, als eerste te vinden. 


Je kunt een roman om allerlei redenen waarderen, maar voor een thriller geldt toch bovenal dat je gegrepen wilt worden. Als je eenmaal begonnen bent, moet je zo’n boek niet meer kunnen laten liggen. En dat overkwam mij met Beeldtaal. McAuley heeft de verschillende verhaallijnen knap met elkaar verweven en met Alfie Flowers een overtuigend personage neergezet. Alleen de passages waarin de theorie over het effect van de glyphs wordt beschreven, hadden best wat korter gekund. Ze houden het verhaal onnodig op. Bovendien lijkt de auteur twee belangrijke motieven, die van Mick Flowers’ dood en die van de Noma’s club, geleidelijk te vergeten. De zoektocht naar de glyphs domineert op den duur het hele verhaal. Toch vind ik Beeldtaal een aanrader voor iedere lezer die van onversneden spanning houdt. Als dit McAuley ten voeten uit is, wil ik wel meer van hem lezen.

Reacties op: Onversneden spanning