Mocht er een prijs voor Het Meest Originele Verhaalgegeven worden ingesteld, dan gooit De Gelijkenis van Tana French ongetwijfeld hoge ogen. De Gelijkenis, het tweede boek van deze Iers-Amerikaanse schrijfster, is het verhaal over rechercheur Cassie Maddox en haar zoektocht naar een antwoord op de vraag wie haar identiteit heeft gestolen. En dat is een verzonnen identiteit, dus zou je zeggen: who cares? Wat je is afgepakt, had je toch al niet. Maar de werkelijkheid blijkt toch wel wat gecompliceerder te zijn. Weliswaar begint het verhaal met de ferme woorden: ‘Dit is het verhaal van Lexie Madison, niet mijn verhaal,’ maar gaandeweg wordt Cassies betrokkenheid groter dan binnen de grenzen van haar professionaliteit past. En daarmee brengt zij zichzelf in een levensgevaarlijke situatie.
Maar eerst terug naar het begin. Lexie Madison was de identiteit waarvan Cassie zich ooit bediende toen zij als undercover infiltreerde in een drugsploeg die op de campus van de universiteit van Dublin actief was. Zij had de cover bedacht samen met Frank Mackey, een onbetwiste autoriteit in het Ierse politiekorps, die de leiding over undercoverprojecten had. Frank was ook degene die Lexie uiteindelijk weer terugstuurde naar de vergetelheid. En vervolgens is het met Cassie bergafwaarts gegaan. Ze kon haar zenuwen steeds minder goed de baas en uiteindelijk werd de Operatie Vestaalse Maagd, waarin de moord op een klein meisje moest worden opgelost, haar fataal. Ze stortte in en belandde na een moeizaam herstel bij de afdeling Huiselijk Geweld. Veel minder belastend, maar ook veel minder boeiend. Een keurig grijs mantelpakje werd haar dienstkleding. Ze heeft er vrede mee, want het baantje brengt rust in haar gemoed. Tot zij op een dag een telefoontje krijgt van Sam O’Neill, haar vriend die bij Moordzaken werkt. Of ze onmiddellijk naar een gehucht in de bergen even buiten Dublin wil komen. Ze treft hem aan, mét Frank Mackey, in een hutje aan de rand van het gehucht Glenskehy. Aan hun voeten ligt een dode vrouw; ze lijkt als tweedruppels water op Cassie. Op haar identiteitsbewijs staat een bekende naam: Alexandra Madison. Vier jaar nadat Frank haar op een professionele manier liet verdwijnen, is Lexie terug. Al snel wordt duidelijk waarom Cassie naar Glenskehy is gehaald: Frank wil haar terug in een undercoverrol, terug in de huid van Lexie. Voor de buitenwacht zal dan de schijn opgehouden worden dat de vrouw die haar naam droeg, alleen zwaar gewond is geraakt. Sam is pertinent tegen, Cassie zelf aarzelt maar Franks overredingskracht is uiteindelijk groot genoeg. En zo doet zij een week later haar intrede in Whitethorn House, waar de vermoorde vrouw woonde in het gezelschap van een illuster viertal: Raphael ‘Rafe’ Hyland, Daniel March, Justin Mannering en Abigail ‘Abby’ Stone. Haar opdracht is uit te vinden wie de vrouw vermoord heeft. Intussen proberen Frank Mackey en zijn mensen haar verleden te reconstrueren.
Voor dat alles neemt de verteller rustig de tijd; het verhaal telt ruim vijfhonderd bladzijden. Maar vervelen doet het geen moment en dat vind ik beslist een prestatie, zeker voor een auteur die nog aan het begin van haar carrière staat. Het lijkt er wel eens op dat omvang in de misdaadliteratuur meer een doel is dan een middel en er zijn genoeg schrijvers die er niet in slagen hun verhaal van begin tot eind voor inzakken te behoeden. Tana French lukt dat wel en dat belooft veel voor wat er ongetwijfeld nog komen gaat.
De Gelijkenis is niet alleen een boeiende, maar ook een bijzonder rijke roman. French schetst een indringend beeld van wat undercover met eens mens doet en levert en passant op een fijnzinnige manier kritiek op de hedendaagse consumptiemaatschappij. Ergens halverwege het verhaal citeert Daniel March een oud Spaans gezegde: ‘Neem wat je wilt, zegt God, en betaal ervoor.’ Dat eerste, houdt hij ‘Lexie’ filosofisch voor, spreekt ons als samenleving bijzonder aan, maar het tweede deel van het gezegde lijken we steeds vaker te negeren. ‘We zijn een natie van wanbetalers geworden: we kopen op krediet, en als de rekening komt, zijn we zo verontwaardigd dat we er niet eens naar willen kijken.’ Dat egocentrische materialisme is niet alleen een kwestie van pure hebzucht; de ‘wanbetalersmentaliteit’ is ook ‘een koortsig onderdrukte onderstroom van doodsangst’. Vrij zijn van die angst, dat is het hoogste doel in het leven van de bewoners van Whitethorn House. Daarom hebben zij zich, op een bepaalde manier, uit de samenleving teruggetrokken. Weliswaar hebben zij een baan aan de universiteit, maar na werktijd trekken zij zich meteen terug in het isolement van hun huis, waar zij zich permanent veilig kunnen wanen en vrij zijn van angst. Maar dat blijkt een illusie. De schuilhut die Whitethorn House is, begint steeds meer scheuren te vertonen en valt uiteindelijk uit elkaar. Een somber stemmend slot van een roman die tot het beste hoort van wat ik dit jaar gelezen heb.

Reacties op: Op zoek naar een leven vrij van angst