Advertentie

De roman De verzoening van de Ierse schrijver David Park speelt tegen de achtergrond van de ‘Ierse Kwestie’, de burgeroorlog die decennia lang het leven in Belfast en omgeving tot een ware hel maakte. Weliswaar hebben de strijdende partijen intussen de vrede getekend, maar de bevolking is nog steeds verdeeld tot op het bot. Terwijl de ene helft krampachtig probeert de traumatische jaren te vergeten, zoekt de andere helft naar waarheid. Want nog steeds is niet duidelijk wie verantwoordelijk kan worden gesteld voor de vele doden die in die jaren zijn gevallen.
Het verhaal draait om de verdwijning van de vijftienjarige katholieke jongen Connor Walshe. Hij was geen gemakkelijk kind, spijbelde vaak en was meerdere opzichten volstrekt ongrijpbaar. Het liefst bewoog hij zich in het schemergebied tussen gewaagd en levensgevaarlijk en dat dreef hem op een dag in de armen van de RUC, de regionale politie, die in hem een uitstekende verklikker zag. Met de dood als uiteindelijk resultaat. Want zoveel is vanaf het begin al wel duidelijk: Connor Walshe leeft niet meer. Zijn familie worstelt dan ook niet zozeer met de vraag waar hij gebleven is; ze wil weten wat er precies met hem is gebeurd en wie Connors dood op zijn geweten heeft. Vijftien jaar moet ze op een antwoord wachten. Dan is de tijd rijp om een waarheidcommissie in het leven te roepen en die zet Connors verdwijning bovenaan haar agenda. Eindelijk zal de waarheid aan het licht komen en krijgt de familie rust. Dat geldt niet voor de mannen die destijds een actieve rol in Connors verdwijning hebben gespeeld: Francis Gilroy, die minister voor Jeugdzaken en Cultuur in de nieuwe regering is; James Fenton, een gepensioneerde politie-officier, en Danny, die zijn dagen doorbrengt in de anonimiteit van een baantje bij de plantsoenendienst. Voor hen betekent de keus die de waarheidscommissie gemaakt heeft, niet minder dan het openen van een beerput die zij jarenlang zorgvuldig gesloten hebben gehouden.
Aan het eigenlijke verhaal gaat een motto uit de bijbel vooraf; uit het Evangelie van Johannes, om precies te zijn. Het is de passage waarin verteld wordt over het bad bij de Schaapspoort in Jeruzalem, dat de bijnaam Bethesda droeg. ‘Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, (die wachtten op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er het eerst in kwam na de beweging van het water, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.)’ Dit citaat is in feite het verhaal in een notendop. Want Gilroy, Fenton en Danny zijn er dan wel in geslaagd hun verleden voor hun omgeving verborgen te houden, maar dat wil niet zeggen dat zij het ook hebben verwerkt. In tegendeel; alle drie zijn ze na al die jaren nog steeds op zoek naar ‘heling’. Of beter: alle vier, want ook Henry Stanfield, de voorzitter van de waarheidscommissie, heeft een kwellend verleden en ook voor hem betekent het onderzoek naar Connor Walshes verdwijning een ongewenste maar onvermijdelijke inbreuk van zijn vorige op zijn huidige leven.
David Park schijnt als schrijver in Noord-Ierland een uitstekende reputatie te hebben opgebouwd; De verzoening is zijn eerste boek dat in het Nederlands verschijnt. Als ik afga op deze roman, dan is het structureren van een verhaal niet zijn sterkste punt. Hij neemt uitgebreid de tijd om zijn belangrijkste personages te portretteren, uitgebreider soms dan me lief was, om dan vrij plotseling door te schakelen naar de hoogste versnelling en de belangrijkste raadsels de ontsluieren. Dat komt wat onevenwichtig over. Maar stilistische staat hij zijn mannetje en dat maakte het lezen van De verzoening toch tot een aangename bezigheid.

Reacties op: Het badwater van Bethesda