Advertentie

Sinds hij in 2005 debuteerde met Steenkoud, heeft Stuart MacBride in rap tempo naam gemaakt als schrijver van recht-toe-recht-aan romans met brigadier Logan McRae in de hoofdrol en het unheimische Aberdeen als crimecity. Geen psychologie of andere literaria; de boeken van MacBride zijn honderd procent zuivere whodunnits en daarin gaat het er niet altijd even zachtzinnig aan toe. Mo Hayder mag dan de naam hebben, maar in het bloed-zweet-en-tranen-genre is zij inmiddels toch wel overklast door Stuart MacBride. Dat geldt zeker voor zijn laatstverschenen boek, dat de veelzeggende titel Slachthuis draagt. Voor lezers die in de loop der jaren nog geen aanleg voor enige vorm van sadisme hebben ontwikkeld, zal het moeilijk zijn oprecht van dit boek te genieten.
Ik vraag me af of je Slachthuis wel een serieuze misdaadroman kunt noemen; het is veel eerder een soap. In een soap wordt de werkelijkheid steevast met een knipoog benaderd. Alles is net een beetje té; overdrijving is een van de belangrijkste stijlmiddelen. Alsof de scenarioschrijver je voortdurend wil waarschuwen: ’Beste kijker, wat je ziet lijkt misschien wel echt, maar dat is het niet hoor.’ Zo is het ook met deze vierde roman van Stuart MacBride. De overdrijving zit ‘m vooral in de onbeschrijflijke wreedheid van de seriemoordenaar op wie McRae en zijn collega’s jagen. De man wordt ‘de Vleesmeester’ genoemd en neemt u maar van mij aan: die naam doet hij alle eer aan! Maar ook de personages missen voldoende geloofwaardigheid. Inspecteur Insch bijvoorbeeld, Logan McRae’s superieur, loopt het hele boek door met een vuurrood hoofd te schreeuwen en ook tussen de andere personages komt amper een normaal gesprek voor.
Het verhaalgegeven is vrij simpel: in de tweede helft van de jaren tachtig zaait een seriemoordenaar dood en verderf, en vooral veel angst, in de straten van Aberdeen, waar wind en regen altijd om voorrang lijken te strijden. Omdat de man zijn slachtoffers in stukken snijdt en hun lichaamsdelen stiekem als consumptievlees aanbiedt, wordt hij ‘de Vleesmeester’ genoemd. Aan die gewelddadige praktijken komt een eind wanneer de politie ene Ken Wiseman als hoofdverdachte arresteert. Wiseman bekent en krijgt levenslang, maar wordt elf jaar later wegens goed gedrag vrij gelaten. Tien jaar worden er weer lijken gevonden die tot consumptievlees zijn verwerkt. De Vleesmeester heeft zijn oude beroep kennelijk weer opgepakt.
Je hebt als lezer het nodige doorzettingsvermogen – en een sterke maag – nodig om het moment te kunnen beleven waarop Wiseman opnieuw wordt gepakt. Maar, zoals het een goede misdaadroman betaamt, weet je niet zeker of de moorden nu ook zijn opgelost. En inderdaad, er komt dus nog meer en dat is meer van hetzelfde. Grote vraag: Is Wiseman nu wel of niet de Vleesmeester. De uiteindelijke ontknoping had ik eerlijk gezegd niet zien aankomen. Dat is dan wel weer knap gedaan.
Het zal duidelijk zijn dat Stuart MacBride me teleurgesteld heeft. Met zijn eerder verschenen boeken had hij me echt voor zich gewonnen, maar in Slachthuis wordt zijn handelsmerk op een verkeerde manier geëxploiteerd. En dat werkt vooral vervreemding in de hand. Het verhaal noch zijn personages hebben me ook maar een moment voor zich gewonnen en dat mag je voor een schrijver toch een doodzonde noemen. Om deze bespreking in stijl af te sluiten.

Reacties op: Stuart MacBride vergaloppeert zich