Advertentie

Achter de sobere, maar opvallende, rode omslag gaat het debuut schuil van de Amerikaan Spencer Quinn. Maar die naam blijkt dan weer een pseudoniem te zijn van Peter Abrabams, een in Cape Cod verblijvende misdaadauteur van wiens hand tussen 1980 en 2000 al een vijftal psychologische thrillers in het Nederlands vertaald werden. Boze tongen beweren dat teruglopende verkoopscijfers aan de basis lagen van deze naamsverandering, maar zelf stelt de auteur dat het verschil tussen zijn andere boeken en Luie hond te groot was om ermee naar buiten te komen als het negentiende boek van Abrahams.
En dat het geen doorsnee spannend boek is blijkt meteen, want het hoofdpersonage is Chet, een hond, die na het zakken voor zijn eindexamen van politiehond onderdak vond bij privé-detective Bernie Little. Samen zetten ze hun tanden in voornamelijk echtscheidingszaken en vermissingen, zoals deze van Madison Chambliss, een vijftienjarige studente die op een dag geheel ongebruikelijk niet thuiskomt.
“Ik rook hem al – of beter gezegd zijn kegel – voordat hij de deur opendeed, maar mijn reuk is nu eenmaal behoorlijk goed ontwikkeld, beter dan de jouwe waarschijnlijk.” Zo klinkt de openingszin, die representatief is voor het ganse boek: een verfrissend, lichtjes kinderlijk, ontwapenend, maar geestig taalgebruik dat regelmatig een glimlach op het gelaat van de lezer weet te schilderen. En het moet gezegd: de auteur kan zich voortreffelijk inbeelden in de wereld van de hond. Hij verwoordt de zienswijze van de hond zo doeltreffend en geloofwaardig dat men al lezend een andere kijk ontwikkelt op het gedrag van zowel honden als de mensen in hun omgeving. Luie hond heeft absoluut een meerwaarde voor de liefhebbers van deze huisdieren.
We zouden bijna vergeten dat dit boek als een detective geprofileerd wordt door de commerciële jongens van de uitgeverij. Maar de plot valt nogal dun uit en het geheel is zeer summier en rechtlijnig uitgeschreven. Zowat elk hoofdstuk eindigt met een gebeurtenis of hint die in het begin van het volgende hoofdstuk uitgezocht wordt. En de met droge humor doorspekte schrijfstijl, met bij wijlen een redelijk hoog Samson & Gert gehalte, dooft ook telkens weer elk opspattend vonkje suspens. En dat is jammer, want het verhaal bevat genoeg potentieel spannende momenten en actiescenes. Er gebeurt zelfs zoveel dat ik benieuwd ben wat de auteur in de beloofde volgende boeken in de reeks nog uit zijn pen weet te schudden om verrassend uit de hoek te komen zonder in herhaling te vallen. Zelfs in dit boek worden de zinsnedes “een verhal waar ik later misschien nog eens op terugkom” en “opeens vielen mijn ogen dicht” als meermaals aan het papier toevertrouwd.
Luie hond – trouwens een titel die het hoofdpersonage te weinig eer aan doet – is vooral een leuk komisch boek overgoten met een dun spannend sausje dat zijn bestaansrecht volledig ontleent aan de zeer originele invalshoek van het vertelperspectief. Een ideaal tussendoortje, maar geen echt spannend boek, deze kruising van Rataplan en Lassie.

Reacties op: Flinke hond met droge humor