Advertentie

Volgens Gabriel García Márquez – roepnaam Gabito – zijn vooral vrouwen van invloed geweest op zijn leven. Vader, telegrafist, was vaak van huis. Oma, moeder en de vele tantes voedden de jongen samen met zijn tien broertjes en zusjes op. Gabriel was de oudste van het gezin, zijn jongste broertje was eenentwintig jaar jonger. Met name met opa van vaders zijde, ‘papalelo’, heeft Gabito een goede band. Deze autodidact – een woord dat hij niet kent zoekt hij op in een woordenboek of encyclopedie – interesseert zijn kleinzoon in ‘het woord’: in deze boeken staan alle woorden van de hele wereld. Als vijfjarige is Gabriel dan ook gevangen door het geschreven woord.
De jeugd van García Márquez is getekend door vele verhuizingen, meestal in de Atlantische noordelijke regio van het land. Ooit studeerde vader medicijnen, maar uit geldgebrek heeft hij zich ‘binnen een maand’ tot telegrafist geschoold. De roeping om mensen beter te maken, blijft hem achtervolgen en al snel probeert hij een apotheek op te bouwen. Als dat in de ene plaats mislukt, verkast hij na enkele jaren na een andere. Soms biedt zijn kennis van de homeopathie voor even uitkomst.
Zijn middelbare schooltijd brengt Gabriel door in Zipaquirá, een uur treinen ten noorden van Bogotá in het binnenland, ver weg van zijn familie. Hij heeft een studiebeurs gekregen, ondanks zijn onvermogen tot rekenen en wiskunde. Zijn zang- en tekentalent compenseren echter veel. Enkele leraren moedigen hem aan te (blijven) schrijven, ondanks dat hij niet in staat is een correcte spelling te hanteren (EW: dat zal niet verbeteren tot zijn dood in 2014). In zijn lyceumtijd wordt Europa verscheurd door WO-II; in Colombia vindt tegelijkertijd een verwoede machtsstrijd plaats tussen de conservatieven en de liberalen. Het eerste nummer van de schoolkrant die Gabito en enkele studievrienden oprichten, Gaceta Literaria, wordt in beslaggenomen nog voor het kan worden verspreid. Het zou subversieve teksten bevatten, bovendien is de kopij niet aan de censor voorgelegd. Een burgeroorlog ligt op de loer. De jaren daarna worden gekenmerkt door conservatieve regeringen die geweld jegens burgers niet schuwen. Enkele keren leidt dat tot een bloedbad. Als op 9 april de populistische politicus en advocaat Jorge Eliécer Gaitán wordt vermoord, de man die voor de armen op kwam, slaat de vlam in de pan. Honderden gebouwen werden geplunderd en in brand gestoken, duizenden burgers kwamen om. Dat moment was bepalend voor de politieke koers die García Márquez daarna zou volgen, een moment ook waarop hij kennismaakte en vriendschap voor het leven sloot met een jonge Fidel Castro.

De verhalen uit de tienerjaren kenmerken zich door die van de adolescentie: lethargie, losbandigheid en alcoholmisbruik. Het is verrassend dat García Márquez daar zo’n groot deel van deze autobiografie aan wijdt. Waar hij ook veel aandacht aan besteedt zijn de vele gedichten waarmee hij kennismaakte. Overweldigd werd hij door de dichtkunst die op dat moment als hoogste van alle kunstvormen stond aangeschreven. Hij dweepte met dichters als Léon de Greiff en de Chileense Pablo Neruda. Niets begreep hij dan ook van zichzelf: waarom wilde hij juist verhalen schrijven, geen poëzie creëren maar proza? Zijn eerste successen bereikt hij met korte verhalen in het literaire supplement van de toonaangevende krant El Espectador in Bogotá.

De familie García Márquez was arm, evenals vele andere plaatsgenoten, zeker vanaf het moment dat de United Fruit Company haar bananenplantages had verlaten na een deel van d opstandige arbeiders neer te hebben gemaaid. Gabriel is voorbestemd te gaan studeren. Maakt niet uit wat, maar vader eist dat hij een universitaire studie zal afronden. Na enkele jaren rechten en politieke wetenschappen te hebben gestudeerd, denkt de jongeman daar echter anders over. Hij wil schrijven. Met twee journalistieke baantjes schraapt hij zijn geld bij elkaar. Tweemaal daags treft hij zijn vrienden Alfonso Fuenmayor, Germán Vargas Cantillo en Álvaro Cepeda Samudio in boekhandel Mundo in hun woonplaats Barranquilla. Daar discussiëren zij over literatuur. Gabriel is met zijn drieëntwintig jaar de jongste van de vier. Uiteindelijk zetten zij hun woorden in daden om en starten een journalistiek en literair weekblad van twintig pagina’s: Crónica. Door een uitstekende reportage van Germán over een voetballer denkt men in Colombia dat Crónica een nieuw toonaangevend sportblad is, een imago waar zij niet meer vanaf komen, en wat de doodsteek voor hun initiatief betekent.

Na omzwervingen als journalist belandt Gabo, zoals hij in Bogotá wordt genoemd, weer bij El Espectador. In deze autobiografie schrijft García Márquez dat geen enkel beroep zo mooi is als dat van verslaggever; volgens hem is het ’t hoogste van het hoogste. In die zin zit hij op de juiste plaats. Een uitgebreide reportage over een schipbreukeling van de Colombiaanse marine bezorgt hem faam. De oplage van de krant neemt mythische proporties aan en de regering ziet zich genoodzaakt haar kant van het verhaal via een officieel communiqué te verspreiden. Hoe het mogelijk is dat het Bureau voor Informatievoorziening en Perszaken pas ingrijpt na dertien afleveringen, blijft een groot vraagteken. Wel is duidelijk dat Gabo het land zo spoedig mogelijk moet verlaten, aangezien hij van steeds meer kanten om subtiele en minder subtiele wijze wordt bedreigd. Zijn reportage zou immers de USSR in de kaart spelen.

De titel van deze autobiografie – 'Leven om het te vertellen' – is misleidend. De achterflap – “…een fantastisch zelfportret van García Márquez en de intrigerende ontstaansgeschiedenis van zovele meesterwerken” is blijkbaar geschreven door iemand die de inhoud van het boek niet kende. De auteur vertelt namelijk niets. Nou ja, hij geeft aan hoe hij tot schrijven is gekomen, hij vertelt over enkele van zijn eerste verhalen (die hij inmiddels als niemendalletjes beschouwt) en er wordt een tipje van de sluier opgelicht naar de totstandkoming van 'Afval en dorre bladeren', de novelle waarmee hij uiteindelijk debuteerde. In het boek geeft hij aan dat hij een Spartaanse discipline heeft: vooraf heeft hij een bepaald aantal woorden in zijn hoofd, daar móet en zál het verhaal aan voldoen. Zo ook dit boek: acht hoofdstukken van tussen de 70 en 75 pagina’s ieder, zonder witregels. Gortdroog is het allemaal. Nee, dan maar liever snel weer een van zijn prachtige romans lezen, en beseffen dat Gabriel García Márquez wel degelijk kan schrijven!

Reacties op: NIET vertellen tot kunst verheven

22
Leven om het te vertellen - Gabriel Garcia Marquez
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker