Advertentie

Met De tuinman van niemandsland en Heimwee heeft een kleur schreef Guus Bauer romans die uniek zijn voor de Nederlandse literatuur. Vertellers zoals hij, die humor hoog in het vaandel dragen, komen we in Holland, in tegenstelling tot Midden-Europa, zelden tegen. Bauers proza kun je nog het best vergelijken met auteurs als Hašek, Hrabal of Topol. Wie deze schrijvers nog niet kent, wat bijzonder jammer zou zijn, moet zich hen voorstellen als de oude oom of goede vriend die, na de nodige glazen Tsjechisch bier en wat Bechers, aan het vertellen slaat. De ene geschiedenis leidt tot de volgende en ook de andere aanwezigen in de kroeg komen nu met sterke verhalen, de tijd wordt vergeten en zelfs de kleinste gebeurtenis blijkt een anekdote waard. Dictators op de thee voegt een heerlijke novelle aan Guus Bauers oeuvre toe.

Gehuchten in de oerbossen van voormalig Tsjecho-Slowakije vormen vaak de omgeving waar de verhalen van Guus Bauer zich afspelen. Die dorpjes ten tijde van de koude oorlog zijn het perfecte podium waarop de auteur zijn fantasie de vrije loop kan laten. Eigenlijk beschrijven zijn verhalen de effecten van dictatuur op een land, op de mens. Door af en toe te overdrijven, door humor te gebruiken, blijven de verhalen verdraaglijk. Vaak doen ze aan sprookjes denken, zij het moderne, aan sagen en legenden die een al lang vervlogen tijd beschrijven. Een mooi voorbeeld van overdrijving en het effect daarvan komen we tegen als Bauer het hulpje van de verteller beschrijft.

‘Ik had een hulpje, een jongen met een klompvoet en groene vingers. Hij was langzaam, maar ongekend sterk. Amper zestien jaar oud kon hij met zijn aapachtig lange armen bomen van honderden jaren oud omvatten. Om te planten en te wieden hoefde hij zijn rug niet te krommen. Het jongmens merkte de lichtste verkleuring van een blad op. Feilloos rukte hij de aanstaande ziekte uit de grond. Grasmaaien deed ik altijd zelf, want met zijn zware schoen ploegde hij vorens in de gazons en het was niet de bedoeling dat we daar iets gingen verbouwen.’

Ondanks dat het overduidelijk een fantasie betreft, ontstaat toch een beeld van het hulpje. Hier is sprake van een zekere magie. Zelfs het begrip ‘groene vingers’ lijkt even een eigen leven te gaan leiden. De opeenstapeling van superlatieven blijkt te werken. Bomen moeten honderden jaren oud zijn, armen zijn aapachtig lang en klompvoeten ploegen een gazon om. Zodra men zich aan deze bijzondere Bauer-wereld overgeeft, opent zich een nieuwe dimensie. De wereld en zijn geschiedenis blijken een speeltuin die hij naar zijn hand kan zetten.

Na de Duitsers vallen dit keer de Russen het land binnen. Slechts tien minuten krijgen de driehonderd bewoners van het dorp de tijd om hun spullen te pakken. Het dal waar ze wonen hebben de bezetters nodig als militair oefenterrein. Na negen uur lopen in colonne bereiken ze de bergpas in het westen waarachter hun eindbestemming, een inderhaast gebouwd hooghuis, staat. Van de geplande, moderne stad rondom deze flat komt niets. Een groene, door Russische soldaten bewaakte vlakte vormt de omgeving waar de dorpsbewoners hun leven moeten voortzetten. Interessant is het hoe Bauer steeds weer de grenzen opzoekt.

Naarmate de ervaringen van de dorpsbewoners naargeestiger worden, moet hij zijn vertelwijze aanpassen. Heel langzaam neemt de humor af en komt er een milde vorm van cynisme voor in de plaats. Subtiel laat hij de denkwereld van de simpele dorpeling zien die niet goed weet hoe hij op de gebeurtenissen moet reageren. Het zijn kinderen in de klauwen van een dictatuur.

‘Ze durfden waarschijnlijk niet naar de bovenste verdiepingen van het hooghuis te kijken, bang misschien dat hun blikken het gebouw zouden doen wankelen. In tegenstelling tot de meeste bewoners van ons dal, zo niet allen, was ik één keer in de stad geweest en had op het trottoir voor zo’n gebouw gestaan totdat ik er duizelig van werd. Ik vroeg me toen af of de wolken bewogen of dat ik elk moment kon worden bedolven. De flat waar we nu met z’n allen voor stonden, telde nog meer verdiepingen dan die in de stad en was misschien wel twee keer zo hoog als onze kerktoren. En zodra de dorpelingen in de buurt van de kerk waren, bogen ze altijd hun hoofd.’

Bauer gebruikt het fabuleren en associëren als geen ander. Hier en daar doet het aan John Irving denken, maar dan de Tsjechische variant. Wie weinig fantasie heeft zal het soms te ver gaan. Zelf moest ik regelmatig aan een zinsnede van Gerard Reve denken: ‘Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust, dat is wat ik altijd zeg.’ Bauer weet wat doseren is, dat blijkt als ook in zijn boek de Muur in Berlijn valt. Hij schetst wat het indertijd met gehuchten, ver van de bewoonde wereld, moet hebben gedaan. Plotseling krijgt het verhaal iets symbolisch en veranderen absurdistische elementen in metaforen. ‘De bellen beneden werken niet en niemand kijkt in de brievenbussen. Men wil de nestelende vogels niet storen en post komt hier natuurlijk niet.’

Met het hoofdstuk ‘Het tweede leven’ krijgt ook Dictators op de thee een tweede leven. Slechts vier van alle dorpelingen wonen nog in het flatgebouw. De verteller Janos en zijn vrouw Free worden op een dag opgeschrikt door een telefoontje. De regering heeft een verzoek ingewilligd vanuit het westen. De nieuwe vriend, nu een bondgenoot, kan niet veel geweigerd worden. Het flatgebouw blijkt een ideale locatie voor het herbergen van dictators. Janos bevordert zichzelf van conciërge tot burgemeester van het dorp. De kleine wereld van de flat verandert als bij toverslag in een hogedrukpan als de ‘grote en kleine kanonnen van de wereld’ worden samengebracht.

Zonder de dictators bij naam te noemen wordt vrij snel duidelijk wie wie is. ‘Een voormalige gekkendokter, een oud-leraar, gewezen olietycoons. We hebben hier van alles in huis. Wij zijn een wereld op zich.’ Zoals te verwachten valt, proberen de voormalig bewindhebbers ook in het hooghuis boven de ander uit te komen. Er ontstaat een machtstrijd waarbij vele middelen worden gebruikt. De conciërge kijkt het allemaal rustig aan. Na vijfenveertig jaar over het hooghuis te hebben geregeerd, is hij degene geworden die over leven of dood beslist. In ‘Het tweede leven’ zien we een ander talent van Guus Bauer. Waar menig schrijver tevreden was geweest met het verhaal ‘Hooghuis’ ziet hij de mogelijkheden voor een tweetrapsraket. Niet terugleunen maar doorschrijven is zijn devies.

Hoe zo’n schrijversleven er nu in werkelijkheid uitziet, lezen we in Schrijfmachine : een autorequiem, opgedragen aan AFTh. In amper zeventien pagina’s schotelt Guus Bauer ons een nieuwe wereld voor. Het is een variatie op de grot van Plato. Het is de hel die schrijver zijn is. In opdracht van een almachtige schrijft de ik-figuur erop los. Dat wat hij schrijven moet, is veel, erg veel. ‘Soms gaan mijn vingers automatisch verder op het toetsenbord. Dat neem ik tenminste aan, want zodra ik mijn ogen open staan er nieuwe regels op papier. Een enkele keer een heel hoofdstuk.’ Maar het moet sneller. ‘Terwijl ik met rechts alvast begin te typen breng ik met links ook de derde machine in gereedheid.’

Het gaat de schrijver nog niet vlot genoeg... hij zet er er nog een tandje bij. ‘Ik heb ondertussen met de voetpedalen de grove lijnen voor de roman al uitgezet.’ De volgende stap is voorspelbaar. ‘Zonder moeite bedien ik nu vier schrijfmachines tegelijk. Met mijn tenen kan ik hameren op de toetsen. Binnenkort zal ik een wedstrijd houden tussen mijn voeten en mijn handen.’ Bewust speelt Bauer in dit verhaal ieder hersenspinsel uit tot een groteske fantasie. We zien het voor ons: de schrijver als spin in het web van zijn oneindig uitdijende verhalenuniversum. Hij is god en slachtoffer tegelijk. Wij, de lezers, vinden het allemaal goed zolang er maar geschreven wordt. We willen als kleine kinderen voorgelezen worden, liefst uit het grote dikke boek dat Bauer aan het schrijven is. Zodra die Midden-Europese verhalenreeks voltooid is verdienen ze tezamen te komen in één band. Als kinderen van dezelfde vader, maar bij verschillende vrouwen verwerkt.

Reacties op: Alles hangt af van ‘boven’