Advertentie

Sommige schrijvers worden, net als wijn, beter naarmate ze ouder worden. Guus Bauer (1959) bewees met zijn De tuinman van niemandsland (2010) een verteller van grote klasse te zijn. Met Heimwee heeft een kleur gaat hij nog verder. Dit drieluik bevat novellen die men normaliter slechts in de literatuur van Midden-Europa tegenkomt. Ze doen denken aan het werk van Tsjechische schrijvers als Karel Èapek, Bohumil Hrabal en Miroslav von Miraus.

Helaas komen we in de Nederlandse literatuur weinig echte vertellers tegen. Een schrijver als Maarten Biesheuvel die borg stond voor een combinatie van humor, originaliteit en ongebreidelde fantasie, werd door de liefhebbers van het ‘andere’ verhaal dan ook letterlijk gemist toen hij met schrijven stopte. Met Guus Bauer is een nieuwe fantast opgestaan, een schrijver die, in de goede zin van het woord, de waarheid weet te liegen. Waar De tuinman van niemandsland voor hoge verwachtingen zorgde, lost Heimwee heeft een kleur die in.

De eerste novelle in Heimwee heeft een kleur is direct ook de titelgever van het boek. Een poëtische titel die typerend is voor de vaak kleurloze wereld die Bauer beschrijft. In de niet nader genoemde streken waar de verhalen zich afspelen, ontbreekt het aan kleur in het leven. Dat kan een gevolg van een geloof zijn of van de benepenheid van mensen in het algemeen, maar verwijst ook naar de geschiedenis die we (gelukkig) achter ons hebben, die van de koude oorlog, naar het leven achter het ijzeren gordijn in de ‘oostbloklanden’. Kenners van het oeuvre van Guus Bauer weten dat de schrijver lang in Tsjechië heeft gewoond. De invloed van zijn ervaringen is merkbaar in iedere regel die hij schrijft. Hij kent de armoede, de argwaan, heeft de verhalen over ‘toen’ in kroegen gehoord, kent de keuken waar schraalhans keukenmeester is. Juist die combinatie van onbelemmerde fantasie en waargebeurde verhalen levert moderne sprookjes en stadslegenden op.

Guus Bauer weet als geen ander de humor te gebruiken. Zijn visie op de dictatoriale wereld van weleer is inderdaad ‘bitterzoet ironisch’, zoals Nelleke Noordervliet het boek aanprijst. Alleen is bitterzoet ironisch niet genoeg om te omschrijven wat Bauer doet. Zijn stijl is een vreemde mix van John Irving met Jáchym Topol. Beiden meesterlijke vertellers maar verschillend van elkaar als water en vuur. Als een oude magiër heeft Bauer deze elementen met elkaar verbonden. Weemoed bundelt hij met avontuur, angst met passie. Hierdoor worden de lange, uitzichtloze dagen van Roman Novela in ‘Heimwee heeft een kleur’ licht als hij een mogelijkheid ziet naar het westen te komen. Hoe absurd het leven in een dictatuur was weet Guus Bauer uitstekend te beschrijven; juist door het angstaanjagende lachwekkend te maken, laat hij zien hoe het leven aan de andere kant van de muur was.

‘Hoe kom ik er nu achter of mijn boek verboden wordt of niet?’
‘Dat is heel eenvoudig..’ Petr wachtte even. ’Door een klacht in te dienen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Tegen je eigen boek.’
Roman kon even geen woord meer uitbrengen.
‘Klagers in dit soort procedures,’ vervolgde Petr, ‘hebben namelijk het recht om de uitspraak eerder te weten dan het publiek.’
Roman dacht even na. De waanzin van de dag.


Clemens’ leven in ‘De koperslager en het grauw’, voor mij het mooiste verhaal van dit boek, krijgt een draai die ook de lezer van het verhaal niet aan ziet komen. De sprookjesachtige wereld waarin hij leeft en waarin alles lijkt vastgelegd, blijkt een metafoor waarin, ook nu weer, licht en kleur een belangrijke rol spelen. Zonder zijn hand ook maar een moment te overspelen, geeft Bauer zijn fantasie de ruimte. Het losgebroken paard draaft door en toch... blijft de ruiter zitten. Hierdoor is het genieten geblazen wanneer hij bijvoorbeeld de koude beschrijft en wat de gevolgen ervan zijn.

‘Hij keek naar buiten, een stijf landschap. De bomen leken dichter tegen elkaar aan te staan dan anders. Was er een klus die beslist vandaag af moest? Elk jaar kwam de kou vrijwel rond dezelfde tijd, maar toch voelden de bewoners van het dorp zich steeds overvallen. Clemens was niet klaar geweest met het dak van het dorpscafé. Hij stond al op een ladder met een hamer toen de vorst het dal binnengolfde. Pas na een halfuur bij de kachel lieten de stalen spijkers zijn hand los. De bezoekers van het café moesten noodgedwongen een winter lang in de woonkamer van de waard doorbrengen. Dat maakte niet veel uit. Meer dan vijf gasten zaten er nooit aan de toog. Het was een kleine gemeenschap. Als er al iemand het dorp aandeed was dat meestal een verdwaalde wandelaar of een overijverige inspecteur.’

In ‘Je bent zelden getuige’ komen we misschien wel het dichtst bij de auteur zelf. In de figuren van Altmann en Novak, meesters op het gebied van de patisserie, splitst hij zich op, vormt zo de Yin en Yang die we allemaal zijn. Door alles heel gedetailleerd te beschrijven, groeit de intensiteit van deze novelle. Waar het verhaal in het begin adequaat, maar nog niet verrassend, de imitatiedrift van het Oostblok beschrijft, toont het einde het vakmanschap van Guus Bauer. Novak kan als enige een wereldberoemd taartje namaken. En dat binnen twee dagen.

‘De ingrediënten had hij snel gevonden. Het kwam zoals altijd aan op de juiste hoeveelheden. Meer dan twintig keer herschreef hij het recept. Uiteraard smaakten alle probeersels uitstekend, maar de betovering ontbrak. Het vergelijkingsmateriaal uit het westen dreigde op te raken. Novak maakte de laatste verpakking van het origineel open. Met lede ogen had de kameraad partijleider van het district de doosjes afgestaan. Wat hij daar niet allemaal voor had moeten doen. En voor had kunnen krijgen.’

Dat de auteur zichzelf overstijgt tijdens de laatste pagina's van het boek komt door de keuze die hij heeft gemaakt. Vrijwel iedere schrijver die de Wende, het vallen van de muur, beschrijft, kiest voor de hysterie, de mensenmassa, de euforie en het geluk. Door juist de eenling, de stilte en de angst voor het ongewisse te beschrijven, beleeft de lezer die wonderlijke dagen alsof hij er zelf bij was. Het is een haast surrealistische ervaring om samen met Novak door die stille straat te lopen.

‘Novak graaide naar het handvat van de koffer. Het voelde anders dan voorheen. Waarschijnlijk was het hengsel ook van bordkarton. Daar was natuurlijk de waterdamp in getrokken. Straks zeulde hij nog de hele nachtmist met zich mee. Ook daarover zou men hem eens duchtig kunnen ondervragen. Hulp aan vluchtige wolken. Uitvoer van staatseigendom. Of van bodemschatten. Bij onderzoek zouden er genoeg stofdeeltjes en zware metalen aan het licht komen. Novak, wreef zijn handpalmen tegen elkaar en rook eraan. Hout, iets metaalachtigs – hij had immers ook de lantaarnpalen omarmd – , aarde, een beetje schimmel, niet onaangenaam, bospaddenstoelen, een vleugje knoflook, wat uien, beide waarschijnlijk nog van zijn ochtendbrood, en inderdaad: mos, maar met een hint van benzine.’

Guus Bauer heeft met Heimwee heeft een kleur een prachtig en poëtisch boek geschreven. Juist door de onvoorspelbaarheid van zijn verhalen blijven ze sterk tot de laatste regel. Daarmee geeft hij de Nederlandse literatuur de kleur van heimwee die het helaas al te vaak ontbeert.

Reacties op: Een prachtig en poëtisch boek