Advertentie

Sommige boeken weten al bij het eerste doorbladeren zo’n indruk op je te maken dat je weet dat ze een mensenleven mee zullen gaan. Nee, Plato, nee, de Auden-vertaling door Benno Barnard, Huub Beurskens en Wiel Kusters is zo’n boek. Alles is zo vanzelfsprekend dat je er haast aan voorbij gaat dat het mensenwerk betreft. Voorbij gaat aan de meesterlijke gedichten van W.H. Auden, voorbij gaat aan de schitterende vertalingen en voorbij gaat aan de voorbeeldige typografie. Een moment van bezinning maakt al snel duidelijk dat hier een keuze uit het oeuvre van een de grootste dichters voor je ligt, dat het jarenlang noest vertaalwerk moet zijn geweest en vervolgens precies die vorm op papier kreeg die al dit werk verdiende.

W.H. Auden, W.B. Yeats, T.S. Eliot, Ezra Pound en de zeer ten onrechte vergeten Wyndham Lewis waren de grote vernieuwers van de Angelsaksische literatuur van de vorige eeuw. Auden is de meester van schijnbaar lichte, zeer heldere poëzie ondanks het feit dat de onderwerpen serieus en de versvormen ingewikkeld zijn.

Vertalen is verliezen. Tenminste dat is vaak het geval. Zeker bij een dichter van het kaliber Auden, iemand die het moet hebben van metra en rijmschema’s. Daarnaast lijkt het breedsprakige Nederlands zelden geschikt voor vertalen als je van het origineel in het meer beknopte Engels uitgaat. Toch is het de vertalers gelukt deze drempel te nemen. Niet alleen lopen de vertaalde gedichten soepel als het origineel, ze behouden ook de inhoud. Daarvoor zal naast hoofdbrekende strapatzen ook het dichterschap van dit driemanschap nodig zijn geweest. Iedere vertaling werd getoetst en het resultaat is er dan ook naar.

Een voorbeeld van goed vertalen is ‘Toen ik op een avond uitging’. Huub Beurskens vertaalde dit gedicht op voorbeeldige wijze. Auden omschreef het als een pastiche van volksliedjes. En inderdaad, je ziet de kinderrijmpjes en sprookjesmotieven erin terug. In iedere strofe zit de vertaler het origineel dicht op de huid. Af en toe blijkt de oplossing in het verspringen van regels te zitten. Hierdoor gaat niets verloren en blijft het rijm intact.

(Uit: As I walked Out One Evening)

‘I’ll love you dear, I’ll love you
Till China and Africa meet,
And the river jumps over the mountain
And the salmon sing in the street,

Ik heb je lief, lief, ik heb je lief
Tot de rivier over de bergen springt,
Tot Afrika en China elkaar raken
En de zalm in de straten zingt,

En dit is nog een simpele oplossing. Wat Beurskens een paar strofen verder doet is schitterend.

‘In the burrows of the Nightmare
Where Justice naked is,
Time watches from the shadow
And coughs when you would kiss.

In de legers van de angstdroom
Waar recht het naakt moet doen,
Kijkt Tijd vanuit de schaduw toe,
En hoest net voor je zoen.

Hier gaan de vertaler en de dichter hand in hand om samen de ultieme oplossing te vinden. ‘Waar recht het naakt moet doen’ staat inhoudelijk dicht bij het origineel, terwijl het meteen een rijmwoord oplevert voor de laatste regel. Die heerlijke regel, zowel in het Engels als in het Nederlands, waarin de Tijd door even te hoesten het kussen voorkomt.

Soms worden typisch Engelse begrippen vervangen door Nederlandse. Hierdoor komt het gedicht nog dichter bij ons te staan. The Giant en Jack heten plotseling de reus en het snijdertje, Lily-white Boy de brave Hendrik, terwijl Jill Fiederelsje wordt, die haar benen spreidt. Het is gewaagd, maar het werkt. Ook omdat de originele versie naast de vertaling staat.

Soms lukt het onmogelijke. De vertaling evenaart het origineel. Benno Barnard wist het gedicht ‘Twelve Songs VIII’ (‘Het geheim’) zo te vertalen dat slechts een verplaatsen van wat woorden en een vrijpostigheid genoeg waren om het origineel vrijwel compleet, dus met rijm en ook qua inhoud, te behouden. De vrijpostigheid moet ik wellicht eerder een briljante ingeving noemen. ‘The tongue has its desire’ vertaalt Barnard met ‘doet de tong haar ronde.’ Hoe vernuftig is dat. Het gevolg van een begerige tong is immers dat een verhaal rondgaat. Daarnaast rijmt ronde op gronden en weet hij, door ‘Geen rook zonder vuur’ en ‘Stille waters, diepe gronden’ om te wisselen, de boel rijmend te houden. Juist doordat de krachttoer die deze vertaling ongetwijfeld was, nergens die moeite toont, staan het origineel en de vertaling naast elkaar. De vertaling laat zien hoe Auden geschreven had als hij Nederlander was geweest. Soepel schrijvend zonder ook maar ergens het korset van rijm of metrum te voelen.

Het geheim

Het geheim komt ten slotte uit, dat is ook waar het voor dient,
Het kostelijke verhaal is rijp, dus je vertelt het aan je vriend;
Boven de theekopjes en op de markt doet de tong haar ronde;
Geen rook zonder vuur, lieverd, stille waters, diepe gronden.

Achter het lijk in het stuwmeer en het spook op het golfterrein,
Achter de dame die danst en de man die zo dronken kan zijn,
Onder de vermoeide blik, de zucht en opeens de migraine
Zit altijd een ander verhaal, zit altijd een andere scène.

Bij de stem hoog in de kloostermuur en haar onverwachte zang,
Bij de geur van de vlierstruiken, de sportprenten in de gang,
Het croquetspel in de zomer, de handdruk, de hoestbui, de kus
Hoort altijd een zondig geheim, een intieme reden dus.

De derde vertaler van deze Auden- bloemlezing is Wiel Kusters. Zijn vertaling van ‘Ascension Day, 1964’ toont opnieuw waartoe deze dichters/vertalers in staat zijn. De vertaling heet ‘Hemelvaartsdag 1964’. Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in haikuvormige strofen (5/7/5 lettergrepen) Nu is het meteen duidelijk dat een handhaven van deze vorm snel voor gekunstelde taal zorgt. Kusters kiest voor kort waar het kan en schroomt niet om een lettergreep meer te gebruiken waar dat nodig is. (Uit: Hemelvaartsdag 1964)

Maar de lucht is
Bemoedigend vandaag,
En de boomgaardvolken,

Naïef in het wit
Of onbarmhartig roze,
Zien op naar het toegeeflijke blauw.

Het vertalen van de gedichten moet een voortdurende uitdaging voor de vertalers zijn geweest. Nergens was er ruimte tot ontspanning, laat staan aan gewenning. Auden schreef namelijk liefst zo gecompliceerd mogelijk en maakte daarbij gebruik van een keur van dichtvormen. Zo vinden we in deze bloemlezing ballades, een gedicht geschreven op de cadans van een trein (‘Night Mail’), een pastiche van volksliedjes, het sonnet, een gedicht geschreven in het ritme van Yeats’ bekende ‘Easter 1916’ (drie heffingen per regel), een gedicht met syllabische versbouw (elke strofe is opgebouwd uit 11/11/9/10), een Spaanse cossante (morgengebed), een gedicht met haikuvormige strofen, een gedicht in tankavorm (5/7/5/7/7 lettergrepen), haiku’s en de hexameter.

Als titel voor deze Auden-bloemlezing kozen Barnard, Beurskens en Kusters Nee, Plato, nee. Het gedicht werd enkele maanden voor zijn dood geschreven en gaat dan ook over de mogelijkheid van het voortbestaan van de ziel.

(Uit: Nee, Plato, nee)

Ik heb waarachtig geen idee
wat ik minder graag zou zijn
dan een Geest, een vleesontworden
iets dat niet meer kauwt of nipt
of een oppervlakte aanraakt
of zomergeuren ademt
of luistert naar taal en muziek
of staart naar de overkant.
Nee, God heeft de plek gekozen
waar ik zelf het liefste ben:
het ondermaanse is zo leuk,
waar man en vrouw de Mens zijn
die alles Eigen Namen geeft.

Nee, Plato, nee bevat een keuze uit het werk van Auden die in chronologische volgorde in de bundel staat. Daardoor volgen we de ontwikkeling van de dichter op de voet. Eigenlijk is het een voorbeeldig boek. De tweetalige, ruime keuze uit het werk van W.H. Auden vormt samen met het nawoord door Benno Barnard ‘Zijn dichters te redden?’, de aantekeningen, de biografie en de bibliografie, de mooiste ode aan Auden in het Nederlands taalgebied.

Reacties op: Ode aan Auden