Guus Bauer Specialist

Bij de research voor zijn bekroonde roman Godenslaap is Erwin Mortier gestuit op een aantal parels, dagboeken geschreven door mooie, intelligente jonge vrouwen van goede afkomst die als vrijwilligsters werkten in veldhospitalen gedurende de Eerste Wereldoorlog. Na Verboden gebied van Mary Borden en Het kielzog van de oorlog van Ellen N. La Motte is nu het derde, en helaas laatste, deel in deze serie verschenen: Dagboek zonder data van Enid Bagnold.

Enid Bagnold (1889 – 1981) publiceerde in haar leven veel romans en toneelstukken. Zij debuteerde in 1918 met Dagboek zonder data, misschien wel haar sterkste werk. In ieder geval het meest originele. Je zou kunnen zeggen dat ze geen blad voor de mond nam. Tijdens de Grote Oorlog was het de gewoonte om vooral voor het thuisfront het slagveld rooskleurig voor te stellen. Jongens onder elkaar, die een partijtje knokten tegen de vijanden.

Veel jonge knapen konden niet wachten om zich bij de heroïsche strijd aan te sluiten en vervalsten hun leeftijd. Een dienstweigeraar, in Engeland aangeduid als ‘witte veder’, werd door de hele gemeenschap uitgekotst. John Boyne schreef er een roman over onder dezelfde titel. Op het slagveld werden de geweldlozen met een brancard de loopgraaf uitgejaagd, een wisse dood tegemoet.

Bagnold ontmaskert in haar dagboek het angstvallig door de legerleiding in stand gehouden imago. Zij koppelt de oorlogsrealiteit van de vrijwilligsters en onervaren zusters aan die van de vele geknakte soldaten die in het Engelse hospitaal aankomen. De vaste krachten die er al langer werken, eigenaardig ontsekste wezens, hanteren nog de geldende victoriaanse normen: mannen mogen niet zeuren en lanterfanten. Eens te meer wordt duidelijk waartoe het Engelse klassensysteem leidt. Officieren worden geadoreerd, naar de gewone manschappen mag bijna niet worden omgekeken.

Ontpersoonlijking is het credo. Manschappen worden gereduceerd tot nummers. De naamloosheid zorgt voor een grote emotionele impact. Bagnold versterkt dit nog door, zoals de titel al doet vermoeden, nergens plaats en tijd te noemen. Het herstel van de gewonden is bijzaak in plaats van hoofdzaak. Patiënten mogen wel worden gewassen, gevoerd en aangekleed, maar nimmer aangesproken.

Ze weten zo weinig van elkaar, en ze willen het ook niet weten. Ik ben het, die zich van alles afvraagt – ik, een vrouw, en daardoor iets van de oude wereld, de opgebrande wereld. [...] Ze zijn pasgeborenen, voorlopig hebben ze geen aspiraties en zoeken er ook geen.

Bagnold observeert nauwkeurig, ze hekelt de mores van de medische dienst, van het leger, eigenlijk van het hele militaire apparaat. Raak kenschetst ze ook de bezoekers. ‘Je hebt de raarste vogels nodig voor een hospitaal.’ Voor de hoofdzusters zijn de bezoekers bijkans heilig. Elke bontjas of gesteven kraag is belangrijker dan de gewonden. (Behalve natuurlijk een medisch officier die ziek is.) Om die reden ‘worden de monden van de kussenslopen allemaal naar de zaal gekeerd, weg van de deur.’ Er valt ook taalkundig veel te genieten. Bagnold is laconiek, aards. Door een paar gewonden een naam te geven, wordt duidelijk hoe hoog de prijs is die door heel veel soldaten betaald moet worden. Eindeloze vernietiging, nutteloze veldslagen om een paar meter terreinwinst, ondraaglijk lijden, verspilling en geestelijke ontwrichting.

Meneer Wicks, die nooit meer een voet op het gras zal zetten, maar die, in zijn bed liggend, blijft herhalen, zoals alle Tommies: ‘Ik zit goed in mijn vel.’ En dat is ook zo, hij zit goed in zijn vel. Maar dood gaat hij toch, het is niet anders.

Voor Bagnold is het hospitaal een klooster en de mannen zijn haar broeders. Ze weet zich nauwkeurig te verplaatsen in de personen die in bed liggen.

De kwaliteit van de verwachting wordt bij een persoon die zich horizontaal bevindt tot grote verfijning gebracht. Je verwacht altijd wel iets. Doorgaans gaat het om eten, drie keer per dag is het de post. Vaker draait het om de vervulling van een belofte.

Je voelt de onmacht die Bagnold moet hebben gehad omdat ze bijna niets gedaan krijgt voor de gewonden. Als iemand in zijn laatste uren bijvoorbeeld graag naar het raam wil worden toegeschoven, mag dat niet omdat dan ‘de symmetrie van de zaal wordt verknoeid’. Bagnold was altijd opgewekt en vond dat een verdienste. Ze beseft plotseling dat het eigenlijk hemeltergend is, het systeem is hypocriet.

Het is haast ondoenbaar om iemand goed te verplegen als je zijn pijn niet aanvoelt. [...] Goddank kun je je niet blijven realiseren wat de dood is. [...] Zelfs wanneer ik naar de T.B.-zaal kijk, weet ik dat alles, alles, beter is dan de dood.

Reacties op: De ontmaskering van een angstvallig in stand gehouden imago