Guus Bauer Specialist

Veel (beginnende) schrijvers vestigen hun hoop op sterk autobiografisch werk. Dergelijke uiteraard in de ik-vorm gestelde memoirs zijn doorgaans nogal matig van kwaliteit. Je moet op z’n minst in zeven keer zeven sloten hebben gelopen om iets af te leveren dat het niveau van de interessantdoenerij ontstijgt. Dergelijke boeken zuchten vaak onder een groot en-toen-en-toengehalte en lijken eerder een rechtvaardiging, een krampachtige poging om het eigen leven een zekere inhoud te geven. Schromelijk gemiste kansen en dergelijke. Och, had ik maar … Och, was ik maar … Ja, bij moeder thuisgebleven.

Deze inleiding stond bij de recensie van Pieter Waterdrinkers nieuwste boek De correspondent, een ‘geheugenboek’ dat net als Een zoon van Limburg van Chretién Breukers NIET tot bovengenoemde categorie behoort. ‘Niet’ staat hier in kapitalen omdat de laatste tijd is gebleken dat sommige lezers nog weleens de leesplank misslaan. Beide heren hebben iets te vertellen, kunnen echt schrijven en weten dat de zelfspotmodus de beste gemoedstoestand is van de beschouwer – in beide gevallen hier een buitenstaander – die de kritische veder wenst te hanteren.

Nog een valkuil die mister Contrabas – zoals gevoeglijk bekend moge zijn, is Breukers naast poëet de drijvende kracht achter het bekendste weblog in ons taalgebied – weet te omzeilen, is die van de lukrake verzamelaar. Prozaïsten die voor den brode stukjes schrijven in kranten, tijdschriften en op het net, willen die nog weleens gemakshalve bundelen. Stel dat er een publiek voor is, ter grootte van bijvoorbeeld dat van Youp van ‘t Hek.

Doorgaans is er voor plaatsing in de media wel een redacteur doorheen gefietst, om niet te zeggen overheen gegaan, en veel taal- dan wel constructiefouten zitten er dan ook niet in. Maar veelvuldig ontbreekt bij dergelijke in elkaar geflanste boeken een grote lijn, zijn de stukjes wat onderwerp betreft nogal wijdlopig, hakketakkerig dus, en valt men nogal eens onbedoeld in herhaling. Daar gaan we weer: ook dit is NIET het geval bij Het Grote Breukers Boek.

Breukers heeft wel degelijk goed nagedacht over de constructie. De stukken over zijn jeugd in het dorp Leveroy, over het katholicisme en het welhaast onvermijdelijke verliezen van dat geloof, over de leesverslaving en de jeugdige drang om bewonderde voorbeelden na te volgen, zijn visie op zijn ouders (van het type ‘we hebben het beste met je voor’) en halsstarrig volhardende dove opa en op zowel het ‘jengelende kind Limburg zich vastklampend aan tradities’ als op zijn eigen Limburgse identiteit, grotendeels tegen wil en dank, vloeien heel natuurlijk in elkaar over en versterken elkaar. Dit is wat ‘bundeling’ betekent: samenballen om tot een overtuigend geheel te komen.

Als je ergens goed in bent, in het schrijven van columns op een weblog bijvoorbeeld , wie zou dan moeten zeuren over het feit dat dit geen roman is. De Here zij geprezen is het ook NIET als dusdanig op de markt gezet. Het is een groot goed wanneer een schrijver zijn beperking kent en van zijn eigen kracht uitgaat. Het Grote Breukers Boek, Chrétiens Credo, is een verslag van een groeiproces, van de tweespalt die een schrijver nu eenmaal nodig heeft: de haat-liefdeverhouding met de plekken van de jeugd en ook de wisselwerking tussen het leesgedrag én de schrijfdrang.

Debuteren met een roman is natuurlijk mooi. Het wordt, om met Breukers te spreken, gezien als het nec plus ultra binnen de literaire hiërarchie. Romans zijn belangrijk, kunnen vaak meer informatie bevatten en meer teweegbrengen dan non-fictiewerken. Bovendien kunnen goede fictiewerken keer op keer worden herlezen, een immens niet te onderschatten voordeel. Tsja, het universele karakter en zo.

Misschien komt er nadat deze herinneringen verwerkt zijn en Breukers met een lichter gemoed kan ‘terugfietsen’ naar zijn geboortedorp alsnog eens een langer fictiewerk. Of niet, dat maakt ook niet uit. Ook in dit soort memoirs kan een goede stilist de mozaïek van het dagelijkse leven kwijt. Vaak zijn brievenboeken, privédomeinen – op die laatstelijk verschenen na, maar daar mag je als leeftijdsgenoot van de man die het onderwerp is, kennelijk niets over zeggen – dagboeken en ander beter literair voyeurwerk net zo interessant. Literaire bedevaarten worden niet voor niets druk bezocht. Maakt niet uit of je voor het verkeerde huis staat. Het gaat om de mystiek, de waarheid die je graag wilt geloven.

‘Als ik, bijvoorbeeld , al vijf romans had geschreven, zou ik waarschijnlijk zitten lezen als een vakman, een collega … maar dat ben ik nu juist niét en dat verhoogt mijn leesgenot, een leesgenot dat cirkelt rond het niet-weten: het niet weten hoe de gewaardeerde (of soms niet-gewaardeerde) collega het voor elkaar krijgt.’

Begrijpelijk, deels waar, want als (boeken publicerende) recensent is het ook ondoenlijk om bij het lezen van om het even welke tekst dan ook geen strepen te zetten en opmerkingen te noteren, beroepsdeformatie, maar desalniettemin valt er al lezende nog heel wat te genieten (ook wel heel wat te ergeren, maar daar hoort u tikker dezes bijna nooit over. Enthousiasmeren, daar gaat het om, tenzij men het wel heel erg bont maakt. Dat is de noodrem gewenst.)

Breukers is tot vijf keer aan toe aan ‘de grote roman’ begonnen. De stukjes hierover zijn hilarisch. Het falen op zich is literatuur. Over het geheel genomen is Een zoon van Limburg erudiet, komisch, fijn kritisch en precies licht sentimenteel genoeg. Chrétien, blijven proberen kan geen kwaad. In dat geval zal het credo wellicht moeten zijn: Hausarrest en tikken als een Simenon.

Breukers pakt zonder schaamte clichés aan. Het carnaval, de vlaai, de asperges en het zuurvlees, de Limburgse schrijvers, wat dat stigma ook precies moge betekenen, het wielerleven en dan in het bijzonder dat van de eeuwige tweede Joop Zoetemelk, de biljartsport en wat u zelf als Hollander nog maar bij dat bijzondere landsdeel kunt bedenken, of denkt dat het o zo typisch is voor de lappendeken Limburg.

‘Ik ben door het schrijven van dit boek Limburgser geworden dan ik ooit was, me realiserend dat dit niet mogelijk is. Ik lijk godverdomme wel een jood, die nog nooit in Israël is geweest maar die wel wekelijks in de synagoge komt om daar naar Israël te verlangen. Die jood heeft tenminste nog medejoden, met wie hij in commissie kan verlangen. Voor Limburgers in diaspora is de spoeling beduidend dunner. Die mensen komen niet samen. Die leven alleen, niet in kuddevorm. Je ziet er zo nu en dan een opduiken, dat wel, en je spreekt er wel eens een, maar ze zijn allemaal lid van hun eigen, particuliere eenmanskerk.’

Uw recensent, geboren Amsterdammer, maar gezegend met hele volksstammen aan familie in zowel Noord- als Zuid-Limburg, kan zich de vervreemding als jonge jongen op bezoek bij ooms en tantes nog goed herinneren. Een ontboezeming uit eigen herinnering: een jeugdige verliefdheid op de Limburgse rossige vriendin van een iets ouder neefje. ‘Meisjes met rode haren’ van Arne Jansen, een nummer aangaande hun kuscapaciteiten, stond begin jaren zeventig wekenlang in de hoogste regionen van de hitparade. Kritiek op Limburgers, of spottende opmerkingen aangaande het dialect, eten of tradities waren sindsdien onverdraaglijk.

Breukers moet die overgevoeligheid begrijpen, al ligt het bij hem gezien zijn geboorteplaats anders, sterker. Een zoon van Limburg sluit af met een bijzonder fraai gedicht getiteld ‘Begraaf mijn hart in Limburg’. Breukers is in eerste instantie misschien toch een dichter. Ach, laten we eens afstappen van al die kwalificaties en gewoon van goede teksten genieten, al dan niet fragmentarisch. Waarvan akte!

Reacties op: Erudiet, komisch, fijn kritisch en precies licht sentimenteel genoeg

Steun je favoriete boekhandel

Bestel je boeken op Hebban bij Libris of Blz. en steun een boekhandel bij jou in de buurt. Vanaf €15,- gratis bezorgd.

Bestel het boek bij Libris vanaf 10,00 Bestel het ebook bij Libris voor 14,99
Bestel het boek bij Blz. vanaf 10,00 Bestel het ebook bij Blz. voor 14,99
bestellen
bestellen
bestellen
Boeken.combestellen
Proxisbestellen

  Klik hier voor een overzicht van alle aanbieders