Guus Bauer Specialist

Bij beesten in Amsterdam denkt de argeloze bewoner aan de duiven op de dam, wat viezige zwervers met vaak stompjes in plaats van klauwen, misschien aan de eendjes die als kind zijn gevoerd, aan de zwermen spreeuwen bij het Centraal Station of aan de roodogige waterhoenen die in de stadse variant bijzonder agressief hun territorium verdedigen, waar ze in de vrije natuur eerder schuw zijn.

Maar er is in de bijzondere biotoop die een stad nu eenmaal is – en Amsterdam in het bijzonder vanwege de vele omringende polders, weide- en oevergebieden, denk bijvoorbeeld aan het IJsselmeer, Waterland en de Vechtplassen – veel meer te ontdekken wanneer men de koptelefoon afdoet en de blik voor een tijdje van het veegscherm los weet te rukken. Stap uit de cocon, lees eerst de, zoals dat zo mooi heet, rijkgeïllustreerde dierengids Het Amsterdamse beestenboek van de stadsecologen Anneke Blokker, Auke Brouwer, Remco Daalder en Geert Timmermans en ga dan eens op de via kaartjes aangegeven locaties kijken. Het zal verbazen wat er allemaal kruipt, slingert, zwemt en vliegt in Groot-Amsterdam.

Het boek is opgedeeld in de secties Zoogdieren, Vogels, Reptielen & amfibieën, Vissen en Insecten & ongewervelden. Het zal niet verbazen dat naast de enorme hoeveelheid vlinders, kevers, spinnen bijen en hommels de sectie Vogels het meest uitgebreid is. Zelfs voor de doorgewinterde ornitholoog valt er nog veel te beleven. Dieren zijn namelijk bij uitstek opportunistisch, zodra er een gunstig gaatje in de stadsnatuur is te vinden, vullen ze dit op, doen er voor de soort hun voordeel mee. Lepelaars hebben ontdekt dat er veel stekelbaarsjes zitten in de Amsterdamse wateren en hebben zich genesteld in het Sloterpark.

Natuurlijk zijn de handelingen van de mens van doorslaggevende aard. Schepen die van over alle wereldzeeën de haven aandeden, namen bijvoorbeeld kakkerlakken en krabben mee. De rivierkreeftjes die je steeds vaker met geheven scharen tegenkomt, zijn vrij recent in opmars. In 1980 werden deze kreeften, die oorspronkelijk uit het oosten van Noord-Amerika, voor het eerst in Amsterdamse  wateren gesignaleerd. Nu zijn er naar schatting meer dan vijftigduizend. Het bouwen van nieuwe buitenwijken doet onherroepelijk dieren verdwijnen of in het gunstige geval verhuizen, maar er ontstaan ook biotopen voor nieuwe soorten.

Echte oernatuur is er rond de stad bijna niet te vinden. Op een of andere manier wil (vooral de Nederlandse) mens de natuur tot het uiterste reguleren, er de zo typische Hollandse lapjesdeken van maken. Dat ‘tuinieren’ heeft ook zo zijn voordelen. Waar de bijenstand in heel Nederland drastisch is afgenomen, neemt die door doordacht beheer van parken (onder meer het verbod op verdelgingsmiddelen) in Amsterdam juist toe. In de hoofdstad is niets voor niets de natuurbescherming geboren. Daar werd zowel de Vereniging Natuurmonumenten als de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging opgericht. Grote groepen bewoners zijn ook steeds milieubewuster geworden, beheren hun eigen plantsoentje, hangen vogelkasten of bijenhotels op.

De Zuidas rukt op, maar ondanks verwoede pogingen van het grootkapitaal zijn de parken tussen het Amstelpark en het Amsterdamse Bos behouden gebleven. Ze zijn zelfs door landschapsarchitecten heringedeeld, in de grote grasvelden zijn heuvels en waterpoelen aangelegd, ook omdat door de uitgebreide bouw aan de Zuidas het regenwater ergens heen moet. Maar het levert ook nieuw, ander leven op. De ecologische structuur van Amsterdam is duidelijk vastgelegd. Er zijn groene linten door de hele stad, denk aan de taluds van de Metro en de Spoorwegen.

Het gebruikte lettertype in Het Amsterdamse beestenboek is vrij klein, maar doordat het schreefloos is, toch goed te lezen. En anders neem je een loep, voordeel daarbij is dat je de kaarten goed kunt bestuderen en misschien onderweg het wonderlijke beerdiertje kan zien dat maximaal anderhalve millimeter groot is. Mooie kleurenfoto’s overigens.

Het Amsterdamse beestenboek is informatief, onthullend en ontzenuwt ook hardnekkige mythes. De vleermuis eet echt alleen maar insecten, het liefst muggen, zijn niet bloeddorstig en vliegen geen blonde dames in de haren. En nu op pad, lopend of met de fiets om de (ongevaarlijke)brilslang te zien bij de Amstelveense Poel of in het Diemerpark.

In de tuin is op dit moment een grote bonte specht in de weer, een natuurroffelaar waar een drummer zijn twee handen vol aan zou hebben. Spechten krijgen geen hoofdpijn van al dat gebeuk omdat hun hersenen ingebed zijn in een soort schokbrekers. Kijk, dat zijn weetjes waar je wat aan hebt. In het boek zijn ruim zestig verschillende diersoorten beschreven. Dat is een keuze. De makers van dit boek hebben het criterium gehanteerd dat het ‘leuke’ beesten moesten zijn, waarover verhalen te vertellen zijn en die iedereen met een beetje moeite kan opzoeken. Het maakt deze gids tot een typisch alle-leeftijdenboek.

De kraai en de kauw komen in het boek niet voor, misschien vanwege hun ‘moordachtige’ karakter. Slim zijn deze vogels wel, zoals bekend. Voor het kraken van hazelnoten gebruiken ze het zebrapad schuin voor de deur. Ze droppen de nootjes op de weg en zodra het stoplicht voor voetgangers op groen staat, pikken ze de platgereden inhoud op. En dit elk jaar weer, dus de vaardigheid geven ze door aan volgende generaties. De natuur blijft verbazen.

Reacties op: Een typisch alle-leeftijdenboek

Steun je favoriete boekhandel

Bestel je boeken op Hebban bij Libris of Blz. en steun een boekhandel bij jou in de buurt. Vanaf €15,- gratis bezorgd.

Bestel het boek bij Libris vanaf 19,99
Bestel het boek bij Blz. vanaf 19,99
bestellen
bestellen
bestellen
Proxisbestellen
Boeken.combestellen

  Klik hier voor een overzicht van alle aanbieders