Guus Bauer Specialist

Danielle Hermans (1963) debuteerde in 2008 met Het tulpenvirus, een geslaagde thriller over, de titel zegt het al, de waanzin rond de bloembol. (In de hoogtijdagen van de zeventiende eeuw, verwisselde een zeldzaam exemplaar rustig van eigenaar tegen betaling van een grachtenpand, om niet veel later, toen de zeepbel doorgeprikt was, nagenoeg niets meer waard te zijn.) Hermans wist dit historische verhaal succesvol te combineren met een hedendaagse policier. De vertaalrechten werden verkocht aan dertien landen, onder meer ook aan de VS en Australië, alwaar Hollandse nostalgie het over het algemeen zeer goed doet. Er wordt ook een film van gemaakt.

Waarom zou je een winnend paard uit de race halen? Nog een viertal thrillers volgden, overwegend met Nederlandse cultuurhistorische elementen. Maar Hermans had behoefte aan meer. Ze liet samen met collega Esther Verhoef in het non-fictieboek Stil in mij tientallen vrouwen aan het woord over hun jeugd bij de nonnen en schreef samen met actrice Marian Mudder een spannend boek over de wortels van klassieke gerechten. Niets te wensen over, me dunkt.

Danielle is Daan geworden bij haar nieuwe project: Het bedrog van Quisco. Nee, geen ontboezemingen, geen vrouw in een verkeerd lijf. Het is de start van een nieuwe richting. Daan wilde een heuse roman schrijven, wil ergens toch bij die saaie dames en heren literatoren horen. Dat op de achterflap nadrukkelijk wordt vermeld dat dit Hermans eerste roman is, spreekt voor haar, getuigt van (zelf)kennis. Je zult de thrilleristen de kost moeten geven die eigenlijk vinden dat hun werk, wijzend op de verkoopcijfers, minstens net zo belangwekkend is als dat van, om even in het binnenland te blijven, pakweg Jeroen Brouwers, P.F. Thomése, L.H. Wiener, Gerbrand Bakker, A.F.Th. van der Heijden en Thomas Rosenboom. O, o, allemaal oudere mannen.

‘Zonder een woord te veel en in een beeldende stijl weet Daan Hermans op confronterende wijze de geheimen van Quisco te ontrafelen. Het bedrog van Quisco is een fascinerende roman over oordelen en veroordelen, over schuld en onschuld.’

Toe maar, die marketing- en promotieafdelingen ook altijd. ‘Welkom in Quisco waar niets is wat het lijkt,’ voegt de schrijfster zelf op het voorplat nog toe.

Allereerst maar even het verhaal: Journalist Evander Clovis – waar haalt men toch altijd die namen van personages vandaan? Hermans relativeert in het midden van het boek bekwaam. Een van de bewoners van Quisco zegt tegen de journalist dat hij een beetje gekke riddernaam heeft. – is dankzij de connecties van een oom bij een krant terechtgekomen. Zijn schrijftalent is tanende omdat hij van de hoofdredacteur alleen maar onderwerpen krijgt die eigenlijk in het plaatselijke sufferdje thuis zouden horen. Dan verdwijnt in de (fictieve) enclave Quisco, een afgelegen oase op een woestijnachtig schiereiland, ineens de huisarts Martha Mulder. Ridder Clovis herinnert zich tijdens de redactievergadering dat hij een oudtante daar heeft wonen en praat zijn mond voorbij. Liever kwijt dan rijk, denkt de redacteur en zend hem op pad.

Over Quisco is weinig tot niets bekend, de bewoners houden niet van pottenkijkers. Er wonen geen kinderen, behalve de pigmentloze dochter van de huisarts, Josie, een negenjarig wel heel erg vroegwijs kind, een ziener eerder. En nu komt het: Evander is aanvankelijk sceptisch, maar raakt gedurende zijn verblijf geïntrigeerd door de bewoners, raakt verstrikt in hun levens en, jawel, hij ontdekt zichzelf, beseft dat hij zichzelf zijn hele (amper dertig jaar oude) leven heeft ontlopen.

De roman opent als volgt: ‘De waarheid onder ogen zien gaat de een nu eenmaal makkelijker af dan de ander. Bij mij was het een moeizaam proces dat werd ingezet door drie factoren: toeval, stupiditeit mijnerzijds en het overlijden van mijn oma. Althans dat dacht ik. Later bleek dat het anders zat.’

Direct het thrillerelement, dat nog versterkt wordt door de cliffhanger aan het einde van het eerste hoofdstuk: ‘Wat ik toen nog niet wist, was dat ik heel veel over Quisco te weten zou komen. En over mezelf. Veel meer dan me lief was.’

Quisco is een afgesloten gemeenschap, bewoond door zonderlingen, of eerder door mensen die voldoende hebben aan gewoonweg leven. Een ideale omgeving voor de literaire beschrijving, voor de invulling van intermenselijke relaties, voor verbeelding, voor voelbare emoties. De personages maken ten opzichte van Evander een ontwikkeling door. Quisco zelf verandert gedurende het boek meermaals van identiteit. Niets is inderdaad wat het lijkt. Maar het geheel ademt vooropgezetheid, mist een onderlaag, mist terloopsheid, mist het laconieke. Het ligt er allemaal net iets te dik bovenop. Tja, zoals in een thriller. Eerder fantasie dan verbeelding.

Hermans weet natuurlijk hoe je een verhaal moet vertellen, maar haar stijl is in dit boek eerder weifelend, wringt een beetje, ontbeert zo nu en dan een natuurlijke cadans. Heeft ze wellicht te bewust naar een ‘andere taal’ gezocht. Woordgrappen – ook al zijn ze wellicht onbedoeld – tillen het geheel niet bepaald naar een hoger plan.

‘Twee maanden later overleed oma nadat zij en haar bridgepartner groot slem hadden geboden. Bij de laatste slag ging het mis. Voor oma’s hart was dat ook meteen de laatste.’

‘Ook wist ik dat ik niet inde wieg gelegd was voor het moederschap.’

Het verhaal van Evander wordt her en der onderbroken door monologen van Josie, die onder meer haar eigen geboorte, haar tijd als baby en haar haatverhouding met haar moeder beschrijft. Vroegwijs, zeiden we al, bij een ziener begint de tijd des onderscheids immers al in de baarmoeder. Cesuren die opnieuw wat gemaakt overkomen. Evander schrijft gedurende de tekst een boek, een beproefde literaire truc. (U raadt het al: het boek dat voorligt.) Ergens ontwaakt hij ook nog eens uit een droom. (Wij herhalen: ‘tell a dream, lose a reader’.)

Quisco blijkt een verzamelplaats te zijn van verschoppelingen, ex-criminelen of criminelen op de vlucht, mensen die vals beschuldigd zijn of creaturen die door hun verschijning het daglicht niet kunnen verdragen. De levensverhalen die zijn toegevoegd zijn interessant, soms zelf bittergrappig.

Het boek van Evander wordt een succes, nadat hij – ternauwernood, we verklappen verder niets – de commune heeft weten te ontvluchten. Maar is hij soms een eendagsvlieg? En waarom hebben de bewoners hem echt laten gaan? Hebben ze hem soms bedrogen en alleen maar gebruikt?

In het nawoord probeert Hermans nog een extra lading te geven door te schrijven dat alle gebeurtenissen zich echt hebben voltrokken en dat de personages zijn gebaseerd op bestaande personen, maar dat de namen van sommigen (sic!) zijn gefingeerd.

‘De naam Quisco heb ik verzonnen om te voorkomen dat het stadje overspoeld wordt door lieden die er niets te zoeken hebben.’

Leuk, maar daar trappen we niet in. Het bedrog van Quisco is een aarzelend boek, eerder een zesde thriller dan een roman. Maar goed, alle begin is moeilijk.

Reacties op: Een aarzelend boek