Guus Bauer Specialist

Journalist Ad Fransen (1955) kan schrijven, dat viel al te merken aan de roman Het meisje met de mooiste heupen, waarin hij met een speels gemak de gewoonheden en de onhebbelijkheden van de vijftigplusser ontleedt en zijn memoir Coke  over zijn jarenlange verslaving. Fransen lijkt in zijn werk op zoek naar literaire eerlijkheid, naar een zekere ‘verlossing’. Zo ook in zijn nieuwste boek Vaderskind.

Een geheim dat bijzonder lang op hem gedrukt moet hebben, is het oorlogsverleden van zijn vader en zijn eigen naamgeving. Fransen junior, geboren op dezelfde aprildag als Hitler, heet officieel Adolf, net als zijn vader. Niet iets waar je mee te koop loopt, vooral niet wanneer je opgroeit in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen de nasleep van de bezetting door de nazi’s nog heel erg voelbaar was. Toen er, altijd gemakkelijk achteraf, uitsluitend zwart-wit werd gedacht. Dat het bestaan per definitie grijs is, kwam niet bij de mensen op. (En wil er bij velen nog steeds niet in.)

Vader Adolf Fransen diende bij de SS, was een tijdlang bewaker – van de buitenring benadrukt Fransen junior begrijpelijkerwijs – van kamp Amersfoort en nam slechts eenmaal deel aan gevechtshandelingen, namelijk bij de Slag om Arnhem, hoewel hij dat laatste angstvallig voor de autoriteten, voor zijn (schoon)familie en voor zijn vrouw verborgen houdt. Bij elk bericht over een opgepakte oorlogsmisdadiger slaat de paniek bij moeder Fransen toe. Haar man moet haar de ontslagpapieren uit het gevang laten zien en zijn bewijs van herkregen staatsburgerschap.

Ergens vreest moeder dat haar man niet helemaal eerlijk is geweest, dat hij misdaden heeft gepleegd waarover hij liever zwijgt. Vader beweert bij hoog en laag dat hij niets onoorbaars heeft geflikt. Dat hij zijn straf – vijf jaar detentie, behoorlijk fors – gedeeltelijk heeft uitgezeten en dat hij probeert om de rest van zijn leven een goed mens te zijn. Hij is hulpvaardig, op het obsessieve af, loopt op zijn tenen. In die gespannen, schuldbewuste omgeving groeien de drie zonen Adolf, Hans en Rob op.

Wanneer vader en moeder overleden zijn, beschouwt de oudste zoon Ad het als zijn taak om schoon schip te maken met het (oorlogs)verleden. Vaderskind  is doordesemd van twijfel over het project. Pleegt de schrijver geen verraad aan zijn vader, aan de nagedachtenis, aan zichzelf? Neemt hij niet plaatsvervangend de schuld op zich? ‘Ingebeeld fout was ik soms.’

Zet hij zich niet te kijk, zal men hem alsnog met de vinger nawijzen? Maar daarnaast is er de journalistieke drang om tot de kern door te dringen, om de ‘waarheid’ naar boven te halen, koste wat kost. Elke goede literatuur heeft een dilemma nodig, tweestrijd is een voorwaarde, leidt doorgaans tot de o zo belangrijke nuance.

Niet voor niets laat Fransen junior zijn boek voorafgaan door een motto uit Celine’s Reis naar het einde van de nacht: ‘Het is moeilijk om tot het wezenlijke van de dingen door te dringen, zelfs als het de oorlog betreft, de fantasie verzet zich er lange tijd tegen.’ En haast terloops staat er achterin een notitie van de schrijver: ‘dit boek is een roman, gebaseerd op de geschiedenis van bestaande personen.’ De schrijver is prudent, zich bewust wat hij kan losmaken. Vecht zelf ook tussen afkeer van de daden van een jongeling (vader was net twintig toen hij zich vrijwillig meldde) en de liefde voor vader die goed zorgt voor zijn gezin, die niets liever wilde dan een normaal leven leiden, dan huisje, boompje, beestje en automobiel.

Vader was in de oorlogstijd marconist. Stelselmatig voert Fransen junior hem op als de Funker – uitgesproken als foenker – en maakt hem daarmee tot een personage. Het zal het verhaal ook voor de schrijver zelf draaglijker hebben gemaakt. De Funker zendt niet veel. Sporadisch laat hij eens een verhaaltje los, voornamelijk over de kameraadschap. Maar boven de tv staan rijen met oorlogsboeken, die volgens vader allemaal niet de hele waarheid vertellen. Fransen junior is – je bent niet voor niets journalist, schrijver en programmamaker – de ideale transistor. Elk signaaltje heeft zich in de loop der jaren in hem vastgezet. Maar het is duidelijk dat met het napluizen van het verleden van zijn vader het mysterie alleen maar groter is geworden. Waarom heeft de Funker bijvoorbeeld specifiek de postzegels uit het Derde Rijk als belegging voor zijn zoon verzameld?

De schrijver – iemand die naar eigen zeggen niet van bewaren houdt, eerder van ontruimen. Ergo: dit boek – grijpt terug naar zijn eerste krabbels. Op z’n schoolblocnote genoteerd, in de hanenpoten van een dertienjarige die als een bezetene heeft zitten pennen. Gedachten en emoties die alle kanten op schieten.

‘Waarom probeer ik hem in mijn eerste geschriften voortdurend de hand boven het hoofd te houden? Ten koste zelfs van mijn moeder. Ik denk ook dat ik andere bewoordingen zou hebben gekozen wanneer mijn vader me meteen de hele waarheid had verteld.’

De Funker verpakt de waarheid namelijk in heldendaden. De soldaat die camoufleert. Al uit die eerste geschriften spreekt de overgeërfde angst van de schrijver. Elke SS’er kreeg de bloedgroep getatoeëerd aan de binnenkant van zijn bovenarm. De Funker hangt er tegen zijn zoon(s) een mooi verhaal over op. Dat alleen mannen die meededen met een echt circus zo’n teken hebben. Met recht een circus, met heel veel dompteurs. De Funker weet bij zijn zoon sympathie op te wekken. Niet zo vreemd, als (naoorlogs) mens, als doortastende vader lijkt hij zo gek nog niet.

Zonder voorbehoud gaat de schrijver als schooljongen mee in het zelfbeklag van de vader. Die inderdaad nogal zwaar bestraft lijkt te zijn. Een half jaar isoleer, dwangarbeid in de Limburgse mijnen. Toen Juliana in 1948 werd ingehuldigd, ontving de Funker gratie.

Als zestiger is Fransen junior uiteraard niet zo meegaand. Hij begrijpt dat zijn vader na de oorlog machteloos stond. Soms haalde de Funker uit naar de familie van zijn vrouw, die zouden met zwarthandel en collaboratie een aardige duit hebben verdiend.

‘Door de ouders van mijn moeder in verband te brengen met de moffen, met zíjn eigen moffen, hoopte hij in al zijn machteloosheid zijn eigen besmeurde straatje schoon te kunnen vegen. Misschien kon hij op die manier het zwarte verleden van zijn eigen familie een tintje grijs meegeven. Zo zie ik dat nu: net een klein kind dat wild om zich heen staat te zwaaien.’

Fransen junior zoekt de redenen van de vrijwillige indiensttreding bij de ouders van de Funker die heilig geloofden in de Führer en die met liefde en trots hun zonen afstonden aan de strijd. De kern van de problematiek lijkt de tot in het extreme doorgevoerde moederliefde te zijn. Na de oorlog ontkent de moeder, uit eigen lijfsbehoud, alles, zegt bijvoorbeeld glashard dat de portretten van de nazikopstukken aan haar zoons toebehoren. De Funker zwijgt daarover voor het gerecht, wil zijn moedertje niet afvallen.

En dan de vader van de Funker, een kippenboer die zich tot aan de laatste dag van de bezetting over de ruggen van anderen heeft verrijkt, die – zoals zo vaak – de ideologie uitsluitend heeft gebruikt voor eigen gewin, door de schrijver onder meer aangeduid met Koning van de hanen, Kippenneuker en Oude veedief. Een dronkenlap en rokkenjager. Die er zonder straf afkwam omdat hij naar een dorp – notabene Haanrade geheten – vlak bij de Duitse grens verkaste. Met het volste gemak heeft hij bij de verhoren eveneens zijn zoons verloochent.

Wanneer Fransen junior vader naar ‘de Joden’ vraagt, reageert hij als door een adder gebeten. Het ‘Wir haben es nicht gewusst’ is ook bij de Funker niet van de lucht. De Funker wendt zich tot halve waarheden en uitvluchten. ‘Vóór de oorlog waren de meeste Nederlanders toch al zo anti-Joods als de pest.’ Zelf heeft hij niet te maken gehad met de vervolging. Ja, hij heeft een kamp bewaakt, uitsluitend aan de buitenzijde. En hij kwam daar pas nadat alle Joden daar weg waren. Anderen waren hem zogezegd voor geweest.

‘Onze oosterburen durfden na de oorlog uit schuld en schaamte – alsof het een manier van boete doen was – heel lang niet eens het woord Jood in de meest neutrale betekenis te gebruiken. Ook weer overdreven, haast hysterisch, maar iets daarvan zou de Funker wel hebben gesierd.’

Fransen junior maakt met geschriften uit de opleiding van de SS duidelijk dat zijn vader wel degelijk van de gang van zaken aangaande de Joden op de hoogte moet zijn geweest. Hij haalt hem met dit boek niet zozeer door het slijk, maar wil toch een en ander rechtzetten.

Uiteindelijk weet de schrijver het emotionele pantser van de Funker te doorbreken. En dat leidt tot ontroerende passages. Bijvoorbeeld wanneer ze als burgers tussen een viering van de Slag bij Arnhem terechtkomen en vader vertelt hoe hij een Engelse parachutist uit een boom bevrijdt, waarna ze samen een schnaps drinken uit zijn veldfles. Wahrheit oder Dichtung van de herinnering van de Funker. Een wensgedachte wellicht?

Vaderskind  is niet alleen een afrekening, een verduidelijking voor de schrijver, maar ook een getuigenis van genegenheid, van liefde van een zoon voor een vader. Misschien zelfs iets van bewondering voor de wijze waarop zijn vader na de misstap zijn leven weer heeft opgepakt. Fransen junior balanceert zo nu en dan op de rand, en dat is goed, dat getuigt van lef. Het is geen sinecure om een dergelijke draaikolk van emoties enige richting te geven.

Natuurlijk heeft de schrijver zijn vader gevraagd waarom hij nota bene tien jaar na het einde van de oorlog alsnog Adolf is genoemd. De vader gaf als reden op dat hij blij en trost was op zijn boreling en dat hij hem naar zichzelf wilde noemen. Naïef?! Fransen junior wilde hem het liefst het Voornamenboek  voor de voeten gooien.

‘Je moet uitkijken dat je niet alle ellende en narigheid daarop afschuift, op anderen, op die ouwe, op Adolf, maar zou ik als ik net zo had geheten anders in het leven hebben gestaan? Had ik dan minder gedronken, was ik dan met mijn poten van de drugs afgebleven, zou mijn omgang met vrouwen minder moeizaam zijn geweest, zou ik dan rechtop hebben gelopen, had ik dan kinderen gehad in plaats van dat ik mijn vader had geadopteerd?’

Oorlogen kennen alleen maar slachtoffers, of je nu bij de winnende of de verliezende partij hebt gehoord. En de gevolgen sluimeren verder in volgend generaties, als je er geen stokje voor steekt, c.q. er een boek over schrijft.

Reacties op: Ontroerende passages

Steun je favoriete boekhandel

Bestel je boeken op Hebban bij Libris of Blz. en steun een boekhandel bij jou in de buurt. Vanaf €15,- gratis bezorgd.

Bestel het boek bij Libris vanaf 18,90 Bestel het ebook bij Libris voor 12,99
Bestel het boek bij Blz. vanaf 18,90 Bestel het ebook bij Blz. voor 12,99
bestellen
bestellen
bestellen
Proxisbestellen
Boeken.combestellen

  Klik hier voor een overzicht van alle aanbieders