Advertentie

Dit boekje staat vol met anekdotes waarin voetbal wordt verbonden met, nu ja, het echte leven. Zo op het eerste gezicht gaat het dan ook maar deels over voetbal; eerder gebruikt Esterházy voetbal om een beetje te kunnen filosoferen over... van alles. En dat dan op zijn postmoderns, van de hak op de tak, vol terzijdes en al dan niet schijnbare tegenstellingen. En dat is stiekem best aardig.

Esterházy schrijft o/a over zijn jonge broertje Márton, die profvoetballer was ('hij bewoog zich in een andere dimensie'), over zijn waterpoloënde zoon ('hij bracht zijn hele leven door met het maken van hands'), over de ouder wordende voetballer ('een o.w.v. is nog niet oud'), over DDR-meisjes ('ze hadden een grote waardering voor de Hongaarse man, als Hongaar en als man') en over Hongarijes grootste voetballer aller tijden, Ferenc Puskás. Van deze laatste vraagt Esterházy zich doodgemoedereerd af of hij misschien als de eerste postmodernist gezien moet worden. Esterházy: 'Nabokov zegt, zegt Nooteboom, dat de verteller Proust niet de mens Proust is, en dat zijn romanfiguren buiten zijn fantasie nooit geleefd hebben, nergens. Nou, dat geldt ook voor Puskás.'

Je moet er een beetje van houden, maar als je er een beetje van houdt dan is het uiterst vermakelijk.

Reacties op: Recensie Reis naar het einde van het strafschopgebied