Advertentie

Erasmus is in 1509 op weg van Italië naar Engeland. Hij was naar Italië gegaan als toezichthouder van twee jongelui en ondertussen gepromoveerd in Turijn tot doctor in de theologie. Na de troonsbestijging van Hendrik VIII leken de kansen voor een man van de wetenschap in Engeland gunstig, dus hij was van plan zich in Engeland te vestigen. Op zijn paard trekt hij de Alpen over. Onderweg bedenkt hij een plan om een lofrede op de dwaasheid te schrijven, want hij vindt het zonde van zijn tijd om onbenullige kletspraatjes te houden onderweg. Hij is op weg naar zijn vriend Thomas More. Zijn naam “Morus” in het Latijn doet denken aan het Griekse woord “moria” wat dwaasheid of zotheid betekent. Als hij dan bij More verblijft, krijgt hij last van een oude kwaal, nl. nierstenen. Als afleiding begint hij zijn idee uit te werken. Binnen een week is zijn werkje af “Lof der Zotheid” geheten. Hij draagt het werk op aan Thomas More, die in 1535 zal worden onthoofd, omdat hij de suprematie van koning Hendrik VIII over de Engelse kerk weigert te erkennen.

Het boekje heeft 68 hoofdstukken. Erasmus uit zijn kritiek op de maatschappij. In het boek stelt de Zotheid allerlei menselijke dwaasheden aan de kaak. Kerkelijke autoriteiten maar ook kooplieden, vorsten en wetenschappers worden bekritiseerd. Erasmus laat zich als humanist uit over geleerdheid en opvoeding, oorlog en vrede en kerk en kunst. "De godin Zotheid maakt mensen aan het lachen en prijst zichzelf, omdat niemand anders dat doet." De belangrijkste zotheid is eigenliefde, zegt Erasmus hiermee. (Humanistische waarde: gelijkheid) Ook in de Bijbel staat zotheid, vindt Erasmus.

Erasmus wilde dingen duidelijk maken, maar niet vanuit zichzelf, maar vanuit de Zotheid.

"Om mij nu verder te verdedigen tegen het onbekookte verwijt van hatelijkheid, merk ik op, dat men altijd aan het vernuft de grootste vrijheid gelaten heeft om straffeloos op een geestige wijze den spot te drijven met het dagelijksch leven der menschen, mits de groote vrijheid niet in razende bandeloosheid ontaardde."

Bij Hoofdstuk XVII had ik wel een beetje de pest in gekregen, toen ik dit las:
"Maar omdat den man, van nature bestemd om de zaken te besturen,een weinigje meer van dat onsje rede moest toegedeeld worden,ging Jupiter, om ook zoo goed mogelijkvoor zijn belangen te zorgen, in dezen,evenals in al het overige,met mij te rade en ik deed hem spoedig een mijner waardig plan aan de hand,nl. om naast hem de vrouw te plaatsen,wel een dwaas en onredelijk wezen,maar toch koddig en prettig:bij het huiselijk samenleven zou zij door haar dwaasheid het onaangename in den inborst van den man genietbaar maken en verzachten."

In hoofdstuk XXIII zegt Erasmus, dat de zotheid de oorzaak is wat er in een oorlog gebeurt. In het volgende hoofdstuk gaat het over Socrates. Was hij wijs? Hij probeerde door vragen te stellen aan de jeugd hun eigen wijsheid naar boven te krijgen. Dat vonden de hoge heren niet goed. Want er mocht niet zelf nagedacht worden. Daarom kreeg Socrates de gifbeker. Met Humanistisch Vormings Onderwijs (HVO) wordt er op scholen ook les gegeven om zelf te leren nadenken. Maar of dat zelfs heden ten dage wordt gewaardeerd, vraag ik mij af, als de lessen in sommigen gemeenten worden opgezegd door het gemeentebestuur.

Eerder had Erasmus al het bijgeloof aan de kaak gesteld. Het geloof dat er aflaten bestaan voor misdaden noemt hij een verzinsel. Erasmus hekelt de hoogmoed en de eigenliefde van de theologen. Godsgeleerden staan altijd dadelijk klaar om met de bliksem een ieder angst aan te jagen. De monniken vertrouwen op hun ceremonies en tradities. De godsdienst der Joden gaat ook op in uiterlijkheden en vormen. Christus zal er geen acht op slaan. Hij wil alleen maar dat zijn gebod van liefde wordt nagevolgd. Ook de bisschoppen hebben het vooral druk met het vergaren van rijkdom. Over de paus heeft hij ook niet veel goeds te zeggen: „Kijk eens wat een rijkdom ze hebben, zoveel eerbewijzen, wat een gezag, wat een hoop overwinningen, ambten, dispensaties, inkomsten, aflaten, paarden en muildieren, lijfwachten en lusten.”

“Lof der Zotheid" is een kritiek op alle vormen van menselijke dwaasheden. Het boekje was eigenlijk bedoeld voor zijn geleerde vrienden, maar die vrienden vonden, dat het bewaard moest worden voor het nageslacht en lieten het drukken in Parijs. Satire was Erasmus’ manier om mensen op te voeden. Hij had kritiek op de kerk, wilde hervormingen, maar geen scheuring. Hij wilde juist verbinding. Dat strookt ook met het Humanisme, waar een aantal waarden worden uitgedragen, zoals: vrijheid, verbondenheid, gelijkheid, vriendschap, redelijkheid en natuurlijkheid.

De "Lof der Zotheid" is, op de bijbel na, het meest vertaalde werk ter wereld. Erasmus vindt, dat in een vrije staat ook de tongen vrij moeten zijn. Erasmus wil een wereldburger zijn. Zowel van katholieke als reformatorische zijde verwijt men hem lafheid, omdat hij geen partij wil kiezen en het eigen geweten wil laten spreken. Erasmus gelooft in het goede in de mens, in de kracht van de opvoeding. Zijn vredelievendheid, gematigdheid en moreel besef zijn humanistische waarden waarmee de elite door de eeuwen heen is opgevoed.


Reacties op: Het leven, één groot toneelstuk

48
Lof der Zotheid -
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 16,99 Bestel het e-book € 7,99
E-book prijsvergelijker