Voor haar roman De laatste troef is de Amerikaanse Annie Proulx in Nederland geweest om onder andere windmolens te bezoeken. Het boek speelt zich, zoals altijd bij Proulx, af op het Amerikaanse platteland, maar ze heeft wel een rolletje weggelegd voor de Nederlandse windmolenbouwer Van Melkebeek, die rijk is geworden dankzij zijn machines. Ook in dit boek van Proulx zijn de personages eenvoudige hardwerkende mensen die leven in de ruige Amerikaanse natuur, dit keer is dat de zogeheten ‘panhandle’ in het noorden van Texas en Oklahoma. De kleurrijke personages vormen ieder met hun eigen verhaal een boeiend geheel.

Deze talloze verhalen worden bij elkaar gehouden door een eenvoudig hoofdverhaal, waarin Bob Dollar als de buitenstaander figureert die zich probeert in te mengen tussen de plaatselijke bevolking van de ‘panhandle’, een gebied dat zich kenmerkt door droogte, ranches, koeien en cowboys. De 25-jarige Bob heeft een baan aangenomen bij een grote vleesproducent, voor wie hij als locatieverkenner uit moet zoeken welke mensen hun grond willen verkopen, zodat het bedrijf er grootschalige varkensfokkerijen kan vestigen. Bob krijgt het advies van zijn baas om een dekmantel voor zijn aanwezigheid daar te bedenken, maar daar blijkt hij niet zo handig in te zijn. Hij vestigt zich in het dorpje Woolybuckett in de schuur van de excentrieke weduwe LaVon. Zij is voor hem en voor de lezer een bron van informatie over de plaatselijke wederwaardigheden doordat zij biografieën van bewoners verzamelt om de geschiedenis van de streek niet verloren te laten gaan. Door die geschiedenis lopen als een rode draad de onderwerpen droogte en de zoektocht naar water, waarbij het bouwen van molens essentieel is.

Via LaVons verhalen, maar ook middels een alwetende verteller in sommige hoofdstukken, wordt een mooi sfeerbeeld gegeven van verleden en heden in het gebied. Proulx is zeer bedreven in het kleur en inhoud geven aan de behoudende christelijke cultuur op het Texaanse platteland. Minpunt is dat er door al die prachtige portretten en verhalen niet veel vaart in het boek zit. Maar Proulx’ vertelkunst en gevarieerde taalgebruik, gekenmerkt door compactheid en krachtige metaforen, maken dat je door blijft lezen. Pas tegen het einde van de roman volgen de ontwikkelingen elkaar plotseling vrij snel op en worden de gebeurtenissen zelfs dramatisch, hoewel altijd met een komische ondertoon. Want een van de kenmerkendste eigenschappen in Proulx’ werk, ook in dit boek, is de ingehouden humor. Toch is het jammer dat de roman pas zo laat wat meer spanning krijgt.

Proulx zou Proulx niet zijn als in haar werk niet haar grote betrokkenheid bij het Amerikaanse landschap zou doorklinken. Dit onderwerp is dan ook op bijna iedere pagina aanwezig. Bob komt door zijn baan als locatieverkenner tussen twee tegenovergestelde belangengroepen in te staan. De ene groep vertegenwoordigt economische belangen en de andere welzijnsbelangen. Uiteraard komt hij tot de conclusie dat het werk niks voor hem is omdat hij niet achter de economische belangen van de varkensfokkerijen kan staan. En uiteindelijk winnen de vertegenwoordigers van de welzijnsbelangen ook hun strijd tegen de varkensfokkerijen. Het goede overwint het kwade, het oude het nieuwe. Diverse recensenten hebben kritiek geuit op deze overduidelijke aanwezigheid van een moralistische boodschap. In een boek dat zich afspeelt in het zeer conservatieve noorden van Texas, is het echter niet zo verwonderlijk dat een van de belangrijkste onderwerpen de (her)waardering van het oude is.

Reacties op: Grote betrokkenheid bij het Amerikaanse landschap