Advertentie
    Jannelies Smit Hebban Recensent

Het verhaal begint in 1612, als de eerste tekenen van wat later de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) zou worden al te zien zijn. Keizer Rudolf is dood en Polyxena von Lobkowicz, de beeldschone vrouw van de Rijkskanselier, geeft Heinrich von Wallenstein-Dubrowitz, ook wel Henyk genoemd, opdracht om de Duivelsbijbel te stelen uit het geheime laboratorium van de dode keizer. Zij wil die bijbel hebben om de macht over de mensheid aan de Duivel te geven.
Vader Filippo Cafarelli doet onderzoek naar de dood van Paus Urban, omdat hij vermoedt dat deze paus de Duivelsbijbel wilde gebruiken om Katholieken en Protestanten nader tot elkaar te brengen.
Dan blijkt dat Kardinaal Melchior Khlesl vlak na de dood van keizer Rudolf een kopie van de bijbel heeft laten verbergen. Wie heeft nu de echte? Polyxena? Of ligt de echte nog in Braunau? Melchior zelf weet het niet meer en samen met Cyprian en Andrej gaat hij op zoek.
Intussen nemen de schermutselingen tussen Katholieken en Protestanten steeds erger vormen aan. Het land leeft in onrust. Er gaan stemmen op om Koning Ferdinand af te zetten.
Een historische thriller van deze omvang is een ‘hele zit’. Het is goed dat de auteur het boek voorziet van enkele aanhangsels over de ontstaansgeschiedenis van de Duivelsbijbel en de historische context waarin het verhaal geplaatst moet worden. Dat maakt deze historische thriller toch ook weer het soort boek waarbij je als vanzelf zin krijgt om eens iets meer te weten te komen over die tijd. Heel goed dus voor de algemene ontwikkeling. Aan de andere kant wordt er van de lezer wel een zekere mate van interesse in, en kennis van, godsdienst verwacht; regelmatig wordt het verhaal doorspekt met Latijnse zinsneden uit de Bijbel en bekende psalmen (De Heer is mijn herder etc.).
Wie houdt van dikke pillen met veel sfeerbeschrijving komt heel goed aan zijn trekken. Jammer is echter dat er al met al niet zo vreselijk veel gebeurt. De karakters in het verhaal brengen voornamelijk hun tijd door met reizen tussen de verschillende locaties en verder is er een overdaad aan bespiegelingen en besprekingen.
Het is net of de auteur twijfelt tussen het schrijven van een familiegeschiedenis en een echte thriller. Het thrillerelement is dan ook helaas de verliezer. Het boek geeft wel een aardig idee over hoe mensen in die roerige tijd worstelden met de spanningen tussen Katholieken en Protestanten. Dübell is een tamelijk breedsprakig auteur die zijn huiswerk goed heeft gedaan, maar die vaak worstelt met het samenbrengen van fictie en non-fictie in een vloeiende verhaallijn.
Gek genoeg komen de karakters van de hoofdpersonen, ondanks de uitgebreide beschrijvingen, niet helemaal tot leven. Misschien is dat omdat er nergens veel over hen wordt gezegd, maar alleen beschreven wordt wat ze doen. Zo zal de lezer zich totaal geen voorstelling kunnen maken van het uiterlijk van de personages. Wat ze wel doen is voortdurend hun hoofd schudden. De zin ‘… schudde met zijn/haar hoofd’ ben ik zo ongeveer 500 keer tegengekomen.
Wat het allemaal wel de moeite waard maakt om te lezen, is het feit dat de Duivelsbijbel echt bestaat en ook te bewonderen is – in Zweden. Kijk maar eens op Wikipedia voor een uitstekend achtergrondartikel. Dan kun je gelijk zien hoe knap Dübell fictie en werkelijkheid door elkaar heeft geweven, ook al kan het allemaal wel wat vloeiender.

Reacties op: Veel sfeerbeschrijving