Levend begraven is het vijfde boek van Beverly Connor met Lindsay Chamberlain, forensisch detective, in de hoofdrol. Wanneer Lindsay terugkomt van een conferentie, wordt ze het slachtoffer van aanvallers die haar verwonden en levend begraven. Verward en half dood weet ze uit de grafkuil te ontvluchten. Als Lindsay later in het ziekenhuis wakker wordt, blijkt ze haar geheugen kwijt te zijn. Een donkerharige man die zegt haar vriend te zijn, komt haar ophalen. Lindsay vlucht in paniek naar het bos. Daar wordt ze later gevonden door een man die ook zegt haar vriend te zijn en die haar naar huis brengt. Als ze haar geheugen terug heeft, stuurt Lindsay’s baas haar op een soort werkvakantie naar een archeologische opgraving in de Great Smokey Mountains. De onderlinge spanningen zijn enorm en bovendien wordt de projectleidster Drew verdacht van moord op een oude vrouw uit een naburig dorp, met als doel kostbare oude documenten te stelen.
Op verzoek van haar baas Lewis, gaat Lindsay op onderzoek uit. Een taak die haar zwaar valt, omdat haar bijna-dood ervaring zorgt voor hallucinaties, huilbuien en paniekaanvallen. Emoties die versterkt worden als Lindsay op sinistere wijze waarschuwingen krijgt om de opgraving te verlaten en naar huis te gaan.

Levend begraven, dat de titel ontleent aan een kort verhaal van Edgar Allen Poe, begint onmiskenbaar spannend, maar al snel begint het verhaal te kabbelen en zijn er nauwelijks nog aanwijsbare spanningspieken. Levend begraven is een locatie-thriller in de trant van Agatha Christie waarbij alle medespelers en verdachten zich ditmaal niet op een kasteel bevinden, maar op het terrein van een archeologische opgraving. Hier vinden de verdachtmakingen plaats, de onderlinge twisten, jaloezie, roddel, verraad en kleine mysterieuze gebeurtenissen. Het leven sleept zich voort, van dag tot dag, met nauwelijks sprongen in de tijd. Het benadrukt de nauwgezetheid van het onderzoek, maar het drukt het tempo enorm. Wat mij betreft had er veel geschrapt kunnen worden in de eindeloze beschrijvingen van de archeologische handelingen, de typisch vrouwelijke “kibbeldialogen” en de lyrische omschrijvingen van de talloze ontbijten, lunches en diners.

In Levend begraven worden veel personages opgevoerd, maar ze worden niet tot nauwelijks beschreven. De nadruk ligt op de emoties van Lindsay, haar vakmanschap als forensisch antropologe, gespecialiseerd in het analyseren van botten, en op haar naspeuringen naar de vermoedelijke moordenares. Voor Connor is sfeer het belangrijkste. In Levend begraven geen zinderende spanning, maar een constant, onderhuids gevoel van beklemming. Een deel van de ontknoping zie je van verre aankomen, een ander deel komt volledig uit de lucht vallen, maar dat schijnt inherent te zijn aan het who-dunnit genre. Levend begraven is een vakkundig geschreven boek, maar geen hoogvlieger. Die heeft Beverly Connor tot op heden ook niet geschreven. Hopelijk een volgende keer.

Reacties op: Vlucht uit de grafkuil