Advertentie

Jaren geleden las ik een paar korte verhaaltjes van de onnavolgbaar excentrieke Robert Walser, die ik door hun ongrijpbaarheid totaal niet snapte. Maar ze fascineerden mij wel enorm. Dus kon ik "De wandeling" niet laten liggen: een vertaling van een van Walsers beroemdste novellen, met daarin een geweldig essay over Walser van mijn held W.G. Sebald. Dat essay kende ik al, want ik heb ooit met bewondering Sebalds bundel "Logies voor een landhuis" gelezen. Maar nu las ik eerst "De wandeling", daarna het als nawoord toegevoegde stuk van Sebald dat echt een prachtig verhelderend licht wierp op Sebalds proza, las met door dit licht verhelderde blik opnieuw "De wandeling", en werd helemaal euforisch. Ongelofelijk hoe die Sebald de kern raakte van Walser. Ongehoord hoe die Walser mij raakte toen ik dankzij Sebald de kern beter begreep. Bij de eerste lezing vond ik "De wandeling" prachtig, fascinerend, maar toch ook wat moeilijk te vatten. Bij de tweede lezing, na Sebald, vond ik "De wandeling" echter helemaal grandioos. Zelden las ik proza dat zo licht en zwaarmoedig tegelijk is, zelden las ik een novelle van deze omvang met zoveel volstrekt unieke zinnen, zelden heeft een schrijver mij zo ontroerd en tegelijk zo opgevrolijkt.

In zijn essay zegt Sebald veel prachtigs en treffends over Walsers onvatbaar prachtige proza. Vooral zijn volgende uitspraak vond ik ongelofelijk raak: "Hoe moet je ook een auteur begrijpen die zo door schaduwen werd geplaagd en desalniettemin op elke pagina een uiterst vriendelijk licht verspreidde, die humoresken schreef uit louter wanhoop, die bijna altijd hetzelfde schreef en toch zichzelf nooit herhaalde.". Schaduwen en vriendelijk licht, humoresken uit wanhoop: het lijkt onmogelijk paradoxaal, maar het klopt precies. Er kiert ook een soort vrolijke en wanhopige waanzin door Walsers proza, de waanzin van de gemarginaliseerde buitenstaander die tegelijk een grillig scherp oog heeft voor de irrationele aspecten van de alledaagse werkelijkheid. Als je kijkt door Walsers ogen zie je onvermoede werelden van vluchtige schoonheid die je ontroeren en je vol vreugde laten jubelen; tegelijk zijn die werelden zo vluchtig en van substantie verstoken dat je er zwaarmoedig van wordt. Terwijl de lichtheid van Walsers proza je tegelijk weer voor zwaarmoedigheid behoedt. Je voelt medelijden met de ik-figuur van "De wandelaar" omdat hij niet kan wortelen in deze voor hem zo vluchtige en substantieloze wereld; tegelijk benijd je die ik-figuur ook enorm vanwege de euforie die zijn excentrieke blik op de wereld hem schenkt.

"De wandeling" is het verhaal van een naamloze schrijver, die zonder duidelijk doel of richting wandelt en op dezelfde wijze schrijft. Wandelen is essentieel voor hem als schrijver, terwijl schrijven voor hem wandelen is, zonder doel. De novelle is geen aaneensluitend verhaal, maar een reeks raadselachtige prozastukjes over vluchtige taferelen, toevallige ontmoetingen, gedachteflarden, ijle indrukken. De enige verhaalontwikkeling zit hem in een verglijdende stemming: in het begin is de ik-figuur welgemutst hoewel met droeve ondertoon, later is hij jubelend en euforisch hoewel met mijmeringen over verval en dood, en tegen het vallen van de avond schroeft hij mij de keel dicht van ontroering met zijn omfloerste, lichtvoetige, maar ook prangende zwaarmoedigheid. De openingszin is al heerlijk vreemd (al zag ik dat pas bij tweede lezing): "Op een morgen, toen mij de lust bekroop een wandeling te maken, zette ik mijn hoed op mijn hoofd, liep mijn schrijf- of spookkamer uit en de trap af om haastig de straat op te gaan". Maffe zin, niet alleen door die 'spookkamer', maar ook door de bijna ongrammaticale formulering dat hij die kamer uit- en de trap afloopt, en door de rare suggestie dat hij dit doet met het doel om haastig de straat op te gaan. De zinnen blijven deze lichte vreemdheid houden, zodat je steeds meer meegezogen wordt in Walsers licht waanzinnige wereld. Totdat de ik-figuur een paar pagina's zijn eerste toevallige ontmoeting heeft, want dan staat er: "Als een onwrikbare man schreed de heer Meili ernstig, plechtstatig, aristocratisch verder. In zijn hand hield hij een onbuigzame, wetenschappelijke wandelstok die mij met huiver, eerbied en respect vervulde. Meili's neus was een scherpe, gebiedende, strenge, stevige haviks- of adelaarsneus. Zijn mond was juridisch dichtgeklemd en dichtgeknepen. De manier van lopen van deze beroemde geleerde zag eruit als een ijzeren wet". Ongehoord maffe overdrijving, die bijna gewild potsierlijk en daardoor onweerstaanbaar ironisch werkt. Ook die tritsen van bijvoeglijke naamwoorden hebben nogal een vervreemdend effect, en alleen in een licht waanzinnige wereld als die van Walser bestaat zoiets als een "haviks- of arendsneus" of een mond die "juridisch dichtgeklemd" is. Vol heerlijke waanzin, deze ontmoeting, door de vreemde zinnen die ik net citeerde en de diverse vreemde zinnen die er op volgen. Maar ook de ongrijpbare vluchtigheid is treffend: ineens is er deze ontmoeting, en ineens is die ook weer voorbij, zonder pointe of clou. Zodat Meili, die net nog in zulke markante zinnen werd getekend, ineens opgegaan lijkt te zijn in het niets. Een bijna benauwende vluchtigheid, en dat terwijl het proza tegelijk zo komisch is: ziedaar wat Sebald bedoelt met "humoresken uit wanhoop".

En zo wandelt "De wandeling" verder, van het ene vluchtige en met unieke zinnen opgeroepen beeld naar het andere, vol humoreske wanhoop. Waarbij ik helemaal vrolijk en ontroerd raak van geniale zinnen als "Er dient zachtzinnig een specerijwinkel vermeld te worden". Alleen een gemarginaliseerde buitenstaander met Walseriaans trefzekere pen kan zo veel bereiken met dat ene woordje "zachtzinnig". Sebald roemt niet voor niets het "vriendelijke licht" van Walsers proza: dat licht straalt volop uit deze zin. Dat vriendelijke licht heeft volgens mij ook veel te maken met de kinderlijkheid van Walsers blik: de blik van iemand die niet kan en niet wil aarden in de wereld van de volwassenen. Niet voor niets zegt de ik-figuur: "Kinderen zijn hemels omdat ze altijd in de hemel zijn. Als ze ouder worden verliezen ze deze hemel. Ze vallen dan vanuit de kinderlijkheid in de saaie, eentonige, berekenende geaardheid van de volwassenen. Voor kinderen van armelui is de zomerse landweg een speelkamer. Waar moeten ze anders heen als de toegang tot de tuinen egoïstisch voor hen verboden is?". Een formulering die ook weer het vriendelijke licht van Walsers proza laat zien, want zonder dat licht kan niemand een zomerse landweg beleven als een speelkamer. Zonder dat licht is er ook niet die enorme aandacht voor het nietige en onaanzienlijke die kenmerkend is voor de wandelaar: "Met de grootste oplettendheid en liefde moet degene die wandelt elk kleinste levende ding bestuderen en beschouwen, of het nu een kind is, een hond, een mug, een vlinder, een mus, een worm, een bloem, een man, een huis, een boom, een hek, een slak, een muis, een wolk, een berg, een blad of zelfs maar een schamel, weggegooid stukje schrijfpapier waarop misschien een lief, braaf schoolkind zijn eerste, onbeholpen letters geschreven heeft". Prachtig, al dat vriendelijke licht. Maar tegelijk zijn er ook de treurige schaduwen, waar Sebald ook op wees. Bijvoorbeeld het weggeworpen schrijfpapier, dat volgens mij door zijn schamelheid verwijst naar de marginale positie van de ik-figuur als weinig erkend schrijver. Niet voor niets noemt de ik-figuur in de allereerste zin van deze novelle zijn schrijfkamer ook zijn spookkamer. En ja, hemels is het kind dat van de zomerse landweg een speelkamer kan maken. Maar de schaduwkant is dat het kind dit ook wel moet, want het is een armeluiskind dat geen eigen speelkamer heeft en dat ook geen toegang heeft tot de tuinen. Het heeft dus, net als de wandelaar, niks anders dan die landweg. En tegelijk, hoe mooi is het niet dat het kind daar toch zijn speelkamer van maakt. En dat de ik-figuur, al wandelend door een wereld waarin hij zich eigenlijk niet thuis voelt, een speelkamer maakt van elk voor volwassenen zo 'gewoon' tafereel.

Ja, ik heb genoten van Walsers speelkamer vol melancholieke schaduwen en vriendelijk licht. Ik werd er bijzonder vrolijk van en erg ontroerd. Ik applaudiseerde bij passages als: "In het gloeiende ogenblik gloeide ik zelf. Vanuit iedere richting en verte trad al het verhevene en goede met prachtige, verblijdende gebaren helder naar voren. Staande in deze mooie omgeving dacht ik alleen maar aan deze omgeving zelf; al het overige denken zakte weg. Aandachtig lette ik op het geringste en eenvoudigste, terwijl de hemel ver omhoog en diep neerwaarts leek te neigen. De aarde werd een droom; ikzelf was een innerlijk geworden en liep ook rond als in een innerlijk". Prachtig, deze jubelende en totale overgave, deze versmelting met de omgeving. Geweldig hoe de ik-figuur hier een soort oceanische ervaring heeft zoals alleen kinderlijk speelse mensen die hebben kunnen. Treurig te bedenken dat de ik-figuur dit kan omdat hij een kinderlijke volwassene is, een marginale buitenstaander die in de normale wereld niet kan en wil aarden. Maar wat een rijkdom aan innerlijke ervaring is er voor die ik-figuur mogelijk precies dankzij zijn zo vreemde perspectief op de wereld.

Zou ik een nieuwe persoonlijke favoriet hebben ontdekt? Het zou maar zo eens kunnen. In elk geval wil ik nu meteen alle recente vertalingen van Walser lezen, en hoop ik vurig dat er nog veel meer vertalingen verschijnen!

Reacties op: Prachtige "humoresken uit wanhoop" van Robert Walser, vol schaduwen en vriendelijk licht

Steun je favoriete boekhandel

Bestel je boeken op Hebban bij Libris of Blz. en steun een boekhandel bij jou in de buurt. Vanaf €15,- gratis bezorgd.

Bestel het boek bij Libris vanaf 12,50 Bestel het ebook bij Libris voor 6,99
Bestel het boek bij Blz. vanaf 12,50 Bestel het ebook bij Blz. voor 6,99
bestellen
bestellen
bestellen
bestellen
Proxisbestellen
Boeken.combestellen

  Klik hier voor een overzicht van alle aanbieders