Advertentie

Een aantal jaren geleden las ik alles van César Aira wat in Nederlandse of Engelse vertaling te krijgen was. Vaak met veel plezier: boekjes als "Varamo", "A period in the life of a landscape painter", "How I became a nun" of "The seamstres and the wind" verrukten mij door hun originele vreemdheid en hun combinatie van idiote humor en eigenzinnige filosofie. Zelfs zijn nogal tegenvallende, al te melige boekjes (zoals "Conversations" of "Shantytown") vond ik best amusant, al was het maar door hun vleugjes van vreemde poëzie en het rare licht dat zij werpen op onze wereld. En nu las ik dan "Dinner", ook weer zo'n heerlijk maf Airaatje van krap 100 bladzijden, en ik vermaakte mij weer opperbest.

Aira samenvatten is ten eerste heel pret bedervend omdat je dan zijn maffe plotwendingen verraadt, en ten tweede heel reductief omdat je nooit recht kan doen aan de zo charmante vreemdheid van zijn stijl en plot. Maar het boekje bestaat uit drie, ogenschijnlijk niet verbonden scenes. Aan het begin een diner van de ik- figuur bij een vriend, waarin hij zich verbaast over de vele bizarre en fantasievolle speelgoedautomaatjes in diens huis, en waarin hij wat mijmert over hoe namen voor iedereen hele verhalen oproepen terwijl namen hem niks zegge. Aan het eind een scene waarin de ik- figuur telefoneert met diezelfde vriend en mijmert over zijn deprimerende leven en het al te geestdodend- prozaïsche stadje waarin hij woont. En tussenin een relatief lang stuk vol hilarische horror over levende doden die datzelfde stadje aanvallen, om alle endorfine op te zuigen uit alle hoofden van de levenden.

Dat lange middenstuk zit vol fraaie passages: soms inderdaad best horror- achtig, soms dolkomisch door de groteske uitvergroting van die horror- effecten of door het contrast ervan met werkelijk gortdroog ironische irrelevante details, en soms ronduit poëtisch of filosofisch. Wat te midden van alle hilarische horror best verrassend is, en intrigerend bovendien. Zo voelde ik wel enige bewondering voor zinnen als: "He had to admit that the view was splendid and defied the imagination; beyond that, everything was ambiguity.The full moon spread its white light impartially over the darkness of town, making it seem to rise to the surface, like the checkerboard skin of an antediluvian sperm whale ". Alsof wat de hij- figuur ziet alleen maar te voorschijn gehaald wordt door de aandacht waarmee hij kijkt, en alsof die hij- figuur vervolgens nauwelijks gelooft wat hij ziet. Of: "The sector he was watching was much closer, though he was well aware that at night the illusory plains of contiguity could become stuck together, like the pages of a book. His attention separated the pages, and there the aberration of nocturnal vision coincided with the monstruous visions of nightmare". Mooi hoe hier ineens een heel filosofisch vocabulaire de taal van de horror doorkruist, wat de vreemdheid van de scene nog vreemder maakt. En mooi hoe juist dat benadrukt dat de hij- figuur de waargenomen horrortaferelen niet kan bevatten, en dat hij ze door hun onbevattelijkheid zelfs nauwelijks kan zien. Iets wat ook een ander personage ervaart, zodra ze oog in oog met een zombie staat midden in een kerk: "Now, on the other hand, the only figure she was approaching was Christ presiding over the altar, and she continued precisely because of how fascinated she was by that statue, which she didn't remember ever having seen in the church in Pringles. It was a Christ Crucified, suffering, expressionistic, twisted, frankly putrefied - the work, one might say, of an insane imagination that had melded the concept of Calvary with that of Auschwitz and the aftermath of a nuclear or bacteriological apocalyps. In the tremulous half light, more than see him, she imagined him, and it was too late when she realized she had imagined him wrong, when the Crucified One leaped at her and snorted - with diabolical bellowing- and fell upon her". Fraaie passage, ook door het contrast tussen Christus, de mensgeworden God die het Goddelijke door die menswording menselijk en voorstelbaar maakt, en de zombie als onvoorstelbare vorm van de al even onvoorstelbare in- humane verschrikking. Zo onvoorstelbaar en anders- dan- menselijk dat de zombie aanvankelijk alleen als groteske uitvergroting van die Christus- figuur kan worden herkend.

Pagina's lang vermaakt Aira ons met horror die behoorlijk gruwelijk is, maar ook over the top en daardoor erg komisch. Maar door die horror te vermengen met dit soort meer beschouwelijke passages geeft Aira mij ook het gevoel dat hij meer wil bieden dan grappige horror alleen. Dat gevoel wordt nog versterkt door het perspectief: alles wordt verteld door de ik- figuur, die dit onmogelijk allemaal gezien kan hebben en dus een deel hiervan heeft gefantaseerd. Of, wat ook kan: hij heeft een deel gezien via de TV, en een deel gefantaseerd. En die fantasie interpreteer ik dan (vanwege allerlei details die ik jullie zelf laat ontdekken) als een levendige, maar afgestorven verbeeldingskracht, die zich met extreme beelden voedt: zoals de levende doden zich voeden met endorfine van de levenden, zo voedt de door depressies geplaagde ik- figuur zich door zich over te geven aan de meest barokke grilligheden van zijn eigen fantasie. Anders dan zijn vriend, met wie hij later telefoneert, die het hele gebeuren achteraf duidt als een ongelofelijk slechte TV- show van een terecht tot faillissement gedoemd TV- station. En ook anders dan de andere bewoners van Pringles, die de zombies uiteindelijk temmen door ze bij naam te noemen, en zo weer tot het bekende en vertrouwde te herleiden. Want ook hun orgaan voor het volkomen vreemde is vervormd geraakt, door de sleur van alledag en omdat ze te veel TV hebben gekeken. Levende doden hadden in oude mythen nog een grote kracht, als personificaties van het onvoorstelbare, maar in onze moderne tijd is alles zogenaamd voorstelbaar en leven dat soort mythen alleen nog voort als clichés. Behalve dan voor even in het hoofd van Aira's ik- figuur, die ze voor even oproept met een tijdelijke ontremming van zijn normaal zo geremde verbeeldingskracht. En daardoor is hij een levende dode die zichzelf met zijn fantasie tot leven oppept, terwijl zijn medeburgers gewoon als zombies rondlopen en dat niet eens beseffen. Althans, zo ben ik geneigd "Dinner" te interpreteren.

Maar ja, misschien doe ik met deze interpretatie veel te weinig recht aan de vreemdheid van "Dinner". Misschien normaliseer ik daarmee de fundamentele grilligheid van dit boek. Want misschien hebben de levende doden in "Dinner" geen enkele betekenis, ook niet de psychologische en symbolische betekenis die ik hierboven beschrijf. Misschien gaat het hier gewoon om barokke fantasie zonder enige verklaring, zoals in griezelverhalen voor kinderen. Misschien wil Aira ons gewoon enkele tientallen pagina's laten geloven in het ongelofelijke, zonder dit weg te verklaren met ons zogenaamde gezonde verstand. Misschien zoekt Aira ook in "Dinner" wel de ultieme vrijheid als schrijver, de vrijheid om alle kanten op te mogen bewegen en verhalen te bedenken zonder eenheid, consistentie of verklaarbare thematiek. Eigenlijk vind ik dat best een aantrekkelijke gedachte. Zoals ik het ook een aantrekkelijke gedachte vind dat "Dinner", een boekje van krap 100 bladzijden, voor mij te ambigu is om in een sluitende interpretatie te kunnen worden gevat. Misschien moet ik mij nog veel meer laten meevoeren door het rare ritme en de maffe muziek van Aira's proza, zonder te zoeken naar grijpbare referenties en tastbare betekeniskernen...…

Want ja, mensen, de korte romans van Aira bewegen zich allemaal van de ene arbitraire associatie naar de andere. Alles gebeurt at random, zonder dwingende reden, zonder enig causaal verband, zonder te passen in enig ordenend verhaal. Zodat zijn proza erg uitnodigt om vol pret stil te staan bij alle grillige facetten van elke geïsoleerde scene, zonder die scenes te duiden of te interpreteren. En om vol pret te kijken naar de puur associatieve overgangen van de ene scene naar de andere, en te genieten van de pure vrijheid die samengaat met een dergelijke totaal associatieve wijze van kijken die zich aan geen enkele conventie stoort. En zo kun je dan veel plezier hebben van de uitgebreide beschrijving van een miniatuur-automaatje met twee opwindmechanieken, dat ons het even ongerijmde als rijke tafereel toont van iemand die in het Frans een tango zingt voor een blinde dame op een bed. Of van het paradoxale verhaal van iemand die steeds naar het kerkhof wandelt omdat hij door die wandelingen zich levendiger voelt, omdat hij meer endorfinen kweekt door die lichaamsbeweging. Wat natuurlijk later weer associaties oproept met de levende doden, die immers endorfine willen slurpen uit het hoofd van de levenden, maar dat verhaal ontstaat net zo goed uit allerlei arbitraire associaties met de eindeloos eentonige beelden van een nachtelijke TV-show waar niemand naar kijkt. In de verhaalwerelden van Aira is kortom alles ongerijmd, zonder reden, zonder causaal verband, en puur op zichzelf verbazingwekkend. Wie weet is de 'echte wereld' volgens hem wel net zo ongerijmd, en leven we ons leven allemaal at random. Misschien zijn Aira's korte romans vooral uitnodigingen om alle patronen en interpretaties in ons hoofd tussen haakjes te zetten, en als een kind zo onbevangen te genieten van de grillige ongerijmdheid van de hele wereld. Misschien is zijn proza dus puur bedoeld om er verbaasd van te genieten, en juist niet om het te begrijpen.

Hoe dan ook, Aira lezen was dus weer pure pret. En ik zie dat er inmiddels nog meer van hem is vertaald!

Reacties op: Heerlijk vreemd boekje van Aira, over levende doden en grillige verbeeldingskracht

1
Dinner - César Aira
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker