Advertentie

De filosoof Gerard Visser is bezig met een trilogie over "gelatenheid": een begrip dat neerkomt op de drieledigheid van 1) loslaten van eigenwilligheid en geloof in vastomlijnde en transparante waarheden, 2) het zich verlaten op het zijn als ongewisse en ondoorgrondelijk geheimzinnige openheid, en 3) het zijn laten (niet met je verstand of je eigenwilligheid blokkeren) van het geheimzinnig ongedefinieerde dat alle fenomenen en ervaringen omgeeft. Zijn boek "Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart" las - en recenseerde- ik kort geleden met bewondering, ondanks mijn agnostische onwennigheid bij het zo fascinerend- ondoorgrondelijke mystieke gedachtegoed van Eckhart. Het vervolg over "Gelatenheid in de kunst" las ik meteen daarna met nog meer plezier. En naar het aangekondigde derde deel over gelatenheid bij o.a. Heidegger en Benjamin zie ik uit. Ook omdat de trilogie dan rond zal zijn, en omdat Visser dan ons volop heeft kunnen laten zien hoe de drieledige structuur van gelatenheid volgens hem vorm en inhoud kan krijgen in de religie (deel 1), de kunst (deel 2) en de filosofie (het nog te verschijnen deel 3).

Maar waarom die fascinatie voor "gelatenheid"? Volgens Visser heerst er in de moderniteit een "teneur van maakbaarheid": alles wordt m.n. in het moderne westen als in principe rationeel kenbaar, beheersbaar, berekenbaar en maakbaar beschouwd, en daardoor hebben we te weinig aandacht voor de vele geheimzinnige en ondoorgrondelijke dimensies van het bestaan. En dat verarmt ons innerlijk, volgens Visser. We kijken daardoor immers met te weinig verwondering om ons heen, laten veel te weinig bodemloze verbazing tot ons toe, en hebben te weinig besef van de afgrondigheid van alle fenomenen om ons heen en van alle werkelijk diepgaande ervaringen. Ons hele bestaan, zegt Visser met Heidegger, is in wezen zonder enig waarom. Op de vraag "waarom is er iets en niet veeleer niets" hebben wij geen antwoord, want het zijn der zijnden is een even ondoorgrondelijke als ongewisse openheid. Ons leven en ons sterven heeft geen grijpbare zin, geen kenbare oorsprong of maakbaar doel, geen allesverklarend waarom, geen aanwijsbare bron. En dat van alle andere zijnden (al het andere wat is) ook niet. Want ook als we geloven dat alles wat is, gemaakt is door God, en dat het "zijn der zijnden" dus geschapen is door God, is er nog de vraag: waar komt God dan vandaan, hoe kan het dat God "is"? Visser roept ons op om onszelf anders af te stemmen op de geheimzinnige werelden binnen en buiten ons, om het geloof in kenbaarheid en maakbaarheid meer los te laten en daarmee onszelf meer open te stellen voor het geheimzinnige en ongedefinieerde. En dat doet hij met passages als: "Terwijl het heelal zwart is, kleurt het zonlicht blauw dankzij de lucht. De atmosfeer is al een resonantieruimte. Maar die blijft daar bij Cézanne niet toe beperkt. Het licht breekt op de huid van de aarde uiteen in talloze kleuren, al naar gelang de absorptiegraad van de materie".

Blauwe lucht ontstaat door de weerkaatsing van licht op aarde, bemiddeld door de dampkring: dat op zich simpele besef, dat we meestal vergeten als we naar de blauwe lucht kijken, kan al aardig bijdragen aan ons gevoel van verwondering. Dat wordt nog groter als we bedenken dat elk kleurenspel van licht en donker uiteindelijk zonder hoger waarom is, zoals alles in deze wereld. Extra verwonderlijk is het dan om te bedenken dat dit kleurenspel ook zijn vorm krijgt in onze waarnemingen: onze zintuigen filteren het licht, onze geest geeft weer vorm aan die zintuiglijke indrukken, zodat al dat spel van licht, kleur en donker dus een ondoorgrondelijk samenspel is van waarneming en waargenomene, een resonantie van ik en wereld. Want zodra ik in een andere stemming ben resoneren de kleuren anders in mij, terwijl die kleuren en lichtschijnsels omgekeerd ook mijn stemming inkleuren. Al dit soort stemmige verwondering voel ik niet of nauwelijks zolang ik mijzelf als een kenbaar subject beschouw, en alles tegenover mij als een kenbaar object. Ik voel die verwondering alleen als ik dat soort aannames enigszins loslaat. Daarbij helpt, volgens Visser, de schilderkunst van Cézanne, omdat daarin nauwelijks meer sprake is van herkenbare objecten, zodat er meer ruimte geboden wordt aan het ervaren van raadselachtig en door geen enkel herkenningspunt geremd spel van kleuren. De schilderkunst van Cézanne laat objecten los, laat de herkenbare afbeeldingen van voorstelbare dingen of ervaringen los, laat dus de gedachte los dat een schilderij altijd een herkenbare en grijpbare werkelijkheid afbeeldt, en een venster biedt op de zogenaamd kenbare realiteit. En door dat alles los te laten, wordt elk schilderij van Cézanne een open ruimte waarin geheimzinnigheid kan resoneren. Een ruimte waarin het raadsel als raadsel kan zijn. Zonder waarom, in al zijn ondoorgrondelijkheid. Een voorstelling van iets is volgens Visser een gesloten vorm: een voorstelling (een definitie, een wetenschappelijke verklaring, een als natuurgetrouw bedoelde afbeelding) legt immers vast wat dit iets is. Maar schilderijen als die van Cézanne zijn open vormen: ze laten het raadsel als raadsel zijn. "We beseffen het nog altijd niet tot nauwelijks, maar wat Nietzsche zo treffend zegt van de naturalist, namelijk dat hij de ziel maar hoeft aan te raken en ze is al weg, geldt voor alle levensverschijnselen. Reduceer je het heden tot een telbaar nu- moment, dan is het weg. Reduceer je het denken tot informatieverwerking, dan is het weg. Reduceer je het gevoel tot een algoritme, dan is het weg. Reduceer je kleur tot trillingsgetallen, dan is ze weg". Dat is, volgens Visser althans, de reducerende werking van het wetenschappelijke denken en van ons alledaagse verstand. Maar in de open vormen van de kunst kan die reductie worden losgelaten, en kan alle geheimzinnigheid van kleur, gevoel en denken optimaal resoneren. Aldus Visser, die daarmee misschien het wetenschappelijke en alledaagse denken wat al te negatief voorstelt. Het technisch- wetenschappelijk denken heeft ons immers ook welvaart gebracht en meer greep op de wereld gegeven. Maar als hij bedoelt dat bepaalde kunstenaars extra scherp gevoel hebben voor de raadselachtige dimensies van ons bestaan, en daardoor het rationele wereldbeeld van de wetenschap of het routineuze wereldbeeld van alledag op waardevolle wijze aanvullen of corrigeren, dan heeft hij naar mijn smaak volkomen gelijk.

Visser werkt dit gedachtegoed uit in drie lijvige en heel grondige stukken, over de dichter Nijhoff, over de door velen vergeten kubist Braque, en over de Japanse romancier en Nobelprijswinnaar Kawabata. Het is fascinerend hoe Visser in die stukken steeds van filosofische vraag naar filosofische vraag beweegt, en hoe hij de ontdekkingsreis van zijn kunstenaars tekst voor tekst of beeld voor beeld volgt. Ook imponeert hij met zijn enorme kennis van secundaire literatuur over m.n. Nijhoff en Braque, en hij verweeft dat met fraaie essays of intermezzo's over o.a. Mallarmé, Monet, Cézanne en Ponge, alsook met beschouwingen over of vanuit Heidegger en Benjamin. De tastende religiositeit van Nijhoff, en Nijhoffs zoekend vormgeven van een nieuw soort bezielend verband, klonk in mijn beleving mooi en rijk op uit Vissers stukken. Ik weet nu nog beter dan eerst waarom ik deze dichter - en de mysterieuze aarzeling tussen klank, betekenis en meerduidigheid in zijn poëzie - zo raadselachtig mooi vind. En ik kreeg ook meer gevoel voor de meerduidigheid van zijn poëtische christendom, en de vele stijlmiddelen waarmee hij dat christendom als een nog te ontginnen geheim vorm geeft. Ik leerde veel over de mij volkomen onbekende Braque, en was gefascineerd door de vele manieren waarop hij het onvoorstelbare poogde af te beelden, ruim baan poogde te bieden aan het spel van kleur en vorm: in zijn schilderijen vibreren raadselachtige pre-rationele werelden, die soms nog radicaler objectloos zijn dan bijvoorbeeld het zwarte vierkant van Malevitsj, en zo maken Braques schilderijen ons vrij voor een "spirituele verhouding tot het geheim van de oorsprong". Fascinerend vond ik ook om te lezen dat veel van Braques kubistische schilderijen, volgens Visser, tot een complexer beeld van de werkelijkheid poogden te komen dan ooit tevoren in de schilderkunst was geprobeerd, met name omdat Braque de dingen als volkomen geheimzinnig opvatte en tevens gefascineerd was door de onuitputtelijke en ongrijpbare betrekkingen tussen de dingen. Ook Vissers liefdevolle stuk over Kawabata vond ik enthousiasmerend en verrijkend: vooral wat hij schrijft over de leegte bij Kawabata die geen nihilistische leegte is maar een raadselachtige openheid van alle oorsprong. Dood en leven zijn bij Kawabata op ongrijpbare wijze met elkaar verbonden, waarbij de dood gezien wordt als een in het leven aanwezig maar ondoorgrondelijk geheim. Ook schoonheid, misvorming, perversie, liefde en verval zijn bij Kawabata op raadselachtige wijze vervlochten, zonder waarom, en zonder ooit synthetisch één homogeen geheel te worden. Kawabata's werk opent daardoor een onbestemde leegte, waarin alles vrij en grenzen overschrijdend communiceert: dood en leven, trauma en vreugde, verdriet over de helaasheid der dingen en opgetogenheid over hun onuitputtelijkheid. Visser laat mooi zien hoe Kawabata zijn romans opbouwt met haiku- achtige pauzes en sprongen tussen de zinnen, waardoor zijn romans nog meer raadselachtige openheid krijgen, en door die openheid roept elke Kawabata-roman meditatieve aandacht op voor het geheimzinnige en ongrijpbare.

Over Kawabata's aan de haiku geschoolde proza zegt Visser letterlijk het volgende: "De haiku tracht in de eerste plaats de lezer te raken door het hanteren van tegendelen, die elkaar niet uitsluiten, maar vaak ongemerkt in elkaar overglijden. In de tweede plaats behartigt de haiku het geheel waarbinnen de tegendelen, boeddha en hoer, levend en dood, geluk en lijden, vreugde en verdriet, in elkaar kunnen overglijden. Maar de stroom is zelf onvatbaar; hij heeft geen eigen gezicht, net zo min als het boeddhistische nirwana of de Tao in het Chinese taoïsme". De openheid en leegte die Visser in Kawabata's werk ziet, is dus het onvatbare en ondefinieerbare "geheel" waarin tegendelen op ongrijpbare wijze fuseren. Of: het ongrijpbare proces of gebeuren waarin die fusie - dat in elkaar overglijden- plaatsvindt van zaken die wij met ons rationele - vooral: ons Westerse- verstand strikt van elkaar onderscheiden. Visser citeert daarbij de Kawabata-kenner Ouwehand, die spreekt van "het verrukkend- wonderlijke én het verdervend-rampzalige naast elkaar gesteld en als het ware in één ononderbroken emotie samengebracht". Ook citeert Visser, als voorbeeld, twee raadselachtige Kawabata-zinnen die door hun tegenstelling en hun in elkaar verglijden (hun raadselachtige verband door te zijn nevengeschikt in die ene alinea) op haiku-achtige wijze die onvatbare stroom verbeelden: "Toen Kikuji achter haar langs liep om de glazen tuindeuren open te doen, rook hij de tere geur van een witte pioenroos in een vaas. Zij stond met de volle schouders wat naar voren". Een alinea die openheid ademt, door de afstand tussen de twee zinnen en door zijn niet- samenhang met de alinea's ervoor en erna. Of: door zijn ongedefinieerde openheid, die ontstaat omdat deze alinea - als we er tenminste aandachtig naar kijken- voorzichtig breekt met onze geordende kijk op de wereld. Kawabata schrijft dus proza dat een roman lang stroomt in open, ongerijmde alinea's, en precies daardoor de ongrijpbare, onvatbare en voor ons paradoxale stroom van het leven nadoet. Zo schrijft Kawabata, denk ik, nu ik Vissers essay over hem gelezen heb. Dat had ik zelf nog niet zo bedacht, al las ik ooit een aantal Kawabata-romans met veel plezier. En ik ben vast van plan om Kawabata vanuit deze voor mij nieuwe invalshoek te herlezen. Want ik vermoed dat dit zijn boeken voor mij nog intrigerender maakt dan ik altijd al dacht.

Visser zegt niet dat alle kunst en literatuur gericht zijn op het openbreken van onze voorstelling en het creëren van open vormen. Maar wel dat sommige, niet- conventionele en experimentele kunstenaars dat doen. Sommige dichters of schilders willen gewoon de dingen exact afbeelden of hun gevoelens getrouw uitdrukken, maar dat is niet wat Visser interesseert. Hem interesseert eerder hoe b.v. Mallarmé optimaal gebruik maakt van de meerduidigheid van de woorden, en van toevallige klankassociaties die de woorden en zinnen nog meerduidiger maken, zeker ook in combinatie met het vele onbestemde wit en de vervreemdende bladspiegel van zijn gedichten. Of hoe schilders als Braque in hun schilderkunst alle wetten van het perspectief doorbreken, en ook de grenzen vloeiend maken die wij in onze voorstelling normaal aanbrengen tussen de dingen, zodat hun schilderijen werelden tonen die niet rijmen met ons rationele wereldbeeld. De schilders, dichters en romanciers waar Visser van houdt breken met de ons bekende voorstellingen van de wereld en maken ons attent op het geheim. En Visser laat ons, door zijn geduldige en nauwkeurige analyses en door zijn filosofisch - vooral: Heideggeriaans- begrippenkader, mooi zien hoe zijn geliefde dichters, schilders en romanciers dat doen. Zonder ooit heel stellige conclusies te trekken over hun werk, want daarmee zou hij hun rijke en geheimzinnige meerduidigheid smoren.

Dit boek is totaal onleesbaar voor iemand die niet een klein beetje ingevoerd is in Heidegger, en ontoegankelijk voor iemand die niet houdt van kunst of filosofie die ons oproept om ons perspectief op onszelf en de wereld radicaal te doorbreken. Maar ik hou daar wel van, zoals ik ook wel van Heidegger houd. Zoals ik ook veel affiniteit voel met Vissers pleidooi voor open vormen waarin het raadsel kan resoneren, of voor gelatenheid als het loslaten van definities en voorstellingen en het zijn laten van het raadsel in al zijn openheid. Wel voel ik wat protest opkomen bij passages als: "De mens moet 'niet- handelen', dat is: niets opzettelijk doen dat tegen de natuur der dingen in zou gaan. Dit is ook de zin van Eckharts gelatenheid". Noties als 'de natuur der dingen' vind ik namelijk het tegendeel van een open vorm: het klinkt mij te veel als dat de natuur het goede met ons voor heeft, of is ontworpen door God die het beste met ons voor heeft. Ook denk ik soms dat Visser meer aandacht zou kunnen hebben voor negativiteit, angst, verontrusting. Of voor de ervaring dat de wereld soms ten diepste niet in orde is, ons met zijn redeloze chaos soms volkomen desillusioneert, ons soms volkomen van alle stabiliteit berooft. Bij Kawabata zal de dood inderdaad een in het leven aanwezig geheim zijn, en zal het besef van de ongrijpbare vervlechting van leven en dood inderdaad een vreemd soort rust oproepen. Maar bij experimentele schrijvers als b.v. Blanchot- door Gerard Visser zijdelings genoemd- is de dood het naakte en zinloze niets, en is het raadsel van de wereld vol van naakt en zinloos lijden, en vol verschrikking vanwege die zinloosheid. Leegte is bij Blanchot geen open resonantieruimte die ons uitnodigt tot meditatieve inkeer in het geheim, maar een naakte zinloosheid waartoe we ons moeten pogen te verhouden, hoe onmogelijk dat in wezen ook is, simpelweg omdat zulke zinloosheid ons en onze naasten onvermijdelijk zal raken. Toegegeven, zulke naakte zinloosheid staat bij Nijhoff, Braque en Kawabata minder op de voorgrond, en met het begrip "gelatenheid" vindt Visser mooie ingangen in hun werk. Tegelijk echter lijkt mij dat "gelatenheid", ook bij deze auteurs, met meer angst of "Unheimlichkeit" gepaard kan gaan dan Visser ons laat voelen. Sommige schilderijen van Braque bijvoorbeeld treffen ons, door de radicale onbekendheid van hun vormentaal, ook als ronduit onaangenaam. Sommige passages bij Nijhoff, Kawabata, Mallarmé of Ponge verzetten zich door hun openheid en ongerijmdheid tegen elke zingeving: die passages stemmen ons dan niet alleen af op meer aandacht voor openheid en geheim, maar zorgen precies daardoor soms ook voor de nodige onrust. Bij mij in elk geval wel. Visser laat heel mooi, helder en zorgvuldig zien hoe deze kunstenaars met hun open vormen ruim baan bieden aan het ervaren van het mysterie van onszelf en de wereld. Maar de daarmee soms gepaard gaande onrust, en de ervaring van het totaal zinloze en van de naakte Unheimlichkeit, blijven naar mijn smaak bij Visser enigszins onderbelicht.

Niettemin heb ik ook dit boek met grote gretigheid gelezen. Het intrigerende begrip "gelatenheid", dat al zo mooi vorm had gekregen in het eerste deel van deze trilogie, kreeg voor mij veel extra inhoud door de in dit tweede deel behandelde kunst. Nijhoff en Kawabata werden voor mij bovendien nog fascinerender en meerduidiger dan ze al waren, en het stuk over Braque opende voor mij een heel nieuwe wereld vol raadselachtige beeldruimten. Dit boek liet mij ook op inspirerende wijze weer eens zien hoe kunst ons gevoeliger kan maken voor de intrigerende geheimen van het bestaan, door zelf intrigerend geheimzinnig te zijn. Daarmee maakte het mijn helaas te gesloten burgermannenwereldje voor even weer ietsje opener en ontvankelijker, en dat is bepaald geen onprettig gevoel.

Reacties op: Kunst als open resonantieruimte van vele ondoorgrondelijke geheimen

1
Gelatenheid in de kunst: Nijhoff, Braque, Kawabata - van gesloten naar open vormen - Gerard Visser
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker