Een meeslepend, erudiet, duister, mysterieus, soms ergeniswekkend associatief maar ook heel intrigerend boek. Roberto Calasso, bekend van diverse boeken over Indiase en Griekse mythen, doet in dit lange essay iets gedurfds. Hij beschrijft de ontwikkeling van 'absolute literatuur' als literatuur die zich van maatschappelijke banden en 'engagement' bevrijdt, en alleen maar kunst wil zijn (geen 'realistische', historische of politiek getinte literatuur dus !), en signaleert dat juist in die literatuur sprake is van 'opkomst van de goden'. En dat doet hij dan in acht stijlvolle en scherpzinnige hoofdstukken vol zijsprongen over o.a. Baudelaire, Hölderlin, Schlegel, Novalis, Lautréamont en Mallarmé.

Die hoofdstukken zijn ook rijkelijk gevuld met opmerkingen over Griekse en Indiase mythen. Soms ligt dat voor de hand: Hölderlin en Schlegel bijvoorbeeld waren erg getroffen door de bonte veelvormigheid en het rijke mysterie van de Griekse godenwereld. Calasso's associaties tussen Mallarmé en Indiase mythen liggen minder voor de hand, want Mallarmé kende allerlei sleutelmotieven uit die mythen niet eens. Maar ook hier vond ik die asociaties uiteindelijk wel intrigerend: ze werpen, hoe speculatief ook, wel een voor mij nieuw licht op de zo duistere Mallarmé. En intrigerend, hoewel speculatief en soms cryptisch, zijn ook de zijpaden naar Nabokov, Heidegger en (vooral) Nietzsche. Calasso benadrukt het mysterieuze en polymorfe karakter van de door hem besproken literatuur. Dat karakter wil hij duidelijk bewaren: hij schuwt parafrases en duidelijke definities, doet zijn uiterste best even beweeglijk en ongrijpbaar te schrijven als de auteurs die hij bespreekt. Hij is dus ook zelf behoorlijk ongrijpbaar, wat soms irritant is. Maar soms is het ook heel meeslepend, en consequent is het wel. Alleen is het wel onmogelijk om precies de vinger te leggen op wat hij met dit lange essay beoogt.

Maar in elk geval lijkt hij 'de goden' te zien als raadsels, afkomstig uit pre-logische sferen. Bij Griekse goden is hij getroffen door hun ondoorgrondelijkheid of (zoals bij Dionysos) de manische roes die zij vertegenwoordigen. Bij Indiase mythen en riten is hij eveneens door het pre-logische gefascineerd: "Logos is het gearticuleerde vertoog, een aaneenschakeling van betekenissen. Aksara is de onherleidbare vibratie die vooraf gaat aan de betekenis [...]. De aksara is eerder een blijk van instemming met de wereld dan een bewering over de wereld. Nog voordat het woord wordt gearticuleerd, drukt het instemming uit". In bepaalde Indiase riten draait het om onverwoordbare dimensies die dus niet worden verwoord, maar benaderd worden met zang waarin het alleen om klank en metrum draait. En niet om logica of begrip. De zanger voelt zich niet langer een herkenbaar subject, de dimensies die hij oproept met zijn ritmische incantatie zijn geen herkenbare objecten. En dat vergelijkt Calasso dan met gedichten van b.v. Mallarmé waarin wordt afgedaald in het Niets, of waarin een puur bewustzijn wordt bezongen waarin nog geen herkenbare dingen of personen aanwezig zijn. Gedichten waar woorden "niet langer hun eigen kleur hebben maar louter overgangen binnen een gamma zijn". Of met een fragment van Novalis, waarin het draait om nieuwe invalshoeken die spontaan uit een vormloze woordenvloed ontstaan, zonder dat die invalshoeken concreet worden benoemd. Of met fragmenten van Nietzsche, waarin woorden alleen voortdurend van gedaante wisselende metaforen zijn die geen enkele kenbare realiteit meer benoemen.

Bovendien is (volgens Calasso) in veel riten sprake van ritme en vorm die betekenis schept: door zang en ritmische herhaling ontstaat (althans volgens de beoefenaars van betreffende riten) pas het godsbeeld. En dat associeert Calasso dan weer met gedichten van o.a. Baudelaire en Mallarmé, waar door middel van eigenzinnige en nieuwe ritmes en metrums getast wordt naar nieuwe betekenissen. Allerlei niet-westerse goden waren dood, maar zijn in absolute literatuur weer springlevend, aldus Calasso. Dat is geen nieuw geloof: het is nieuwe fascinatie voor het mysterie. De maatschappelijke orde, suggereert Calasso, zit vol dogma's en vaste waarheden, en claimt alles te kunnen verklaren. Maar in die orde zitten ook spleten, waar het onverklaarbare doorheen kiert. En daar viert 'absolute literatuur' dan hoogtij, door het mysterie te vieren. Door ons daar bij tijd en wijle aan over te geven voorkomen we dat ons eigen denken te veel verstart. Aldus Calasso, als ik hem goed begrijp.

Welnu, over die gedachtes is zeker discussie mogelijk, en over de voorbeelden en associatieve verbanden die Calasso aanvoert ook. Erg makkelijk leesbaar is zijn essay bovendien dus niet. Maar zelf heb ik mij er een zondag lang prima mee vermaakt, en ik ben wel nieuwsgierig geworden naar Calasso's andere boeken.

Reacties op: Een weerbarstig essay over absolute literatuur en het mysterie