"Ik kan goed liegen! Ik kijk mensen recht in hun ogen en vertel ze een leugen zonder met mijn ogen te knipperen, en ze knikken en geloven wat ik heb gezegd. En ik kan goed in het donker zien, bijna zoals een kat. Maar ik ben ook bang, ik mis een vrouw, mijn leven is eentonig. Neem nu die oudjes in de instelling. Ze stinken, ze verdienen het gewoon niet om zo lang te leven, en het werk met hen is oersaai. Met kleine dingetjes probeer ik daar wat aan te doen, ongemerkt natuurlijk. Bijvoorbeeld als meneer Rommen achtennegentig wordt − op zich al een provocatie − hem in de oren fluisteren dat dit zijn allerlaatste verjaardag was. Of de stokoude mevrouw Friis keihard achter de oren nijpen zodat ze het wil uitschreeuwen van de pijn maar ach, het arme mensje heeft geen stembanden meer, ze kan mij alleen smekend aankijken en daar krijg ik echt een kick van. Als ik op mijn ronde injecties moet toedienen, spuit ik ze vaker in de matras dan in de hulpbehoevende patiënt die erop ligt. En de pilletjes die de instellingsarts heeft voorgeschreven voor het oude besje op kamer 9 verwissel ik al eens met die voor de patiënt van kamer 11: opwinding verzekerd! De ultieme beloning is de vertwijfeling in de ogen van Dr. Fischer, die maar niet begrijpt waarom zijn behandelingen zo verkeerd uitdraaien..."

Aan het woord is Riktor, de ik-figuur in Ik kan in het donker zien, een psychologische roman van de Noorse schrijfster Karin Fossum. Riktor is een alleenstaande, eenzame, introverte veertiger, verpleger in een geriatrische zorginstelling. Voor de ogen van zijn collega's is hij vriendelijk, behulpzaam en bezorgd, maar diep vanbinnen heeft hij een grondige hekel aan de patiënten. Hen daadwerkelijk uit hun lijden verlossen − vermoorden dus − gaat hem te ver, maar als niemand het ziet aarzelt hij niet hun reis richting graf te bespoedigen met sadistische pesterijen.

Zijn eenzaamheid vreet aan hem. Met alcohol 'koopt' hij de genegenheid van Arnfinn, een drankverslaafde zwerver. Nu heeft hij een echte vriend! Maar als hij ontdekt dat Arnfinn hem besteelt, slaat hij hem dood. Hij begraaft het lijk, en maakt zich verder weinig zorgen: die dakloze zuipschuit zal door niemand gemist worden.

Toch wordt Riktor opgepakt op verdenking van moord, ironisch genoeg niet voor die op Arnfinn, maar wel naar aanleiding van een verdacht overlijden in de instelling. Tijdens het proces houdt die beschuldiging niet stand, maar er komen wel andere onrechtmatigheden aan het licht waardoor Riktor een tijdje de gevangenis in moet. Die zittijd doet hem goed. In de gevangenis maakt hij vrienden en hij wordt er zelfs verliefd op de kokkin. Hij komt weer vrij, vastbesloten zijn leven te beteren. Dat zal hem niet lukken...

De eerste alinea is een samengebalde impressie van de manier waarop het hele boek is opgezet, namelijk als een ver doorgedreven psychologische verkenning van een eenzame geest. Al vanaf de eerste regels duiken we diep onder in Riktors gedachtewereld, en daar waren niet de mooiste gedachten in rond. Ik kan in het donker zien lijkt een (literair) experiment te zijn, een proeve van bekwaamheid in het fijntjes dissecteren van een brein dat door en door misdadig is maar zichzelf zo niet ziet. Riktor leidt zijn leven, Fossum registreert nauwgezet zijn gedachten, dromen, angsten en emoties en brengt alles samen in een krachtige, meelevende studie over een geestelijk ontspoorde man. Al valt het moeilijk toe te geven, geen enkele lezer zal ontkomen aan een innerlijk gevoelsgevecht tussen afkeer en begrip voor dit personage.

De psychoanalytische benadering is het absolute leidmotief van deze roman, en daar wordt veel aan opgeofferd. Enkele voorvalletjes die het verhaaltje − en dit verkleinwoord is bewust gekozen − in de gewenste richting moeten duwen zijn net iets te fors bij de haren getrokken om geloofwaardig te blijven. Als in de slotfase Boontje dan toch nog om zijn loontje komt, moet het toeval een ferme hand geholpen worden om dit mogelijk te maken. Van een echte thriller is dan ook amper sprake: de plot is erg dun, de spanning miniem, het politieonderzoek wordt slechts in de kantlijn ontplooid, en alleen de procesvoering in de rechtbank bevat hints van een 'legal thriller'.

Voor de liefhebbers van de psychologische roman, en met name van de psychoanalyse van een crimineel brein, zal Ik kan in het donker zien smaken als het hoofdgerecht in een driesterrenrestaurant. Wie zich aangesproken voelt door de verzorgde, sobere, spaarzame schrijfstijl van Karin Fossum maar toch wat meer spanning wil, kiest beter voor haar boeken rond inspecteur Konrad Sejer.

Reacties op: Als psychologische roman een topper