Ruud Rooimans Hebban Recensent

Pedagogiek is een relatief jonge wetenschap wordt op elke opleiding gesteld. Toch heeft de wetenschap al enkele grote namen voortgebracht. De vier grondleggers die in dit boek getoond worden tonen niet alleen aan dat pedagogiek werkelijk iets te melden heeft, maar ook dat het toch vooral een wetenschap in ontwikkeling is. Het simpele feit dat de grondleggers een achtergrond hebben in een andere wetenschap, is nog eenvoudig te verklaren met die eerder genoemde jeugd van de pedagogiek zelf. Ze konden niet als pedagoog opgeleid zijn omdat ze zelf de eerste opleidingen vorm gegeven hebben. De schrijvers van het boek zijn echter ook bijna allemaal opgeleid in een andere wetenschap en pas later de pedagogiek ingestapt. Nog altijd is er veel te groeien!

De auteurs zijn er in geslaagd vier van de belangrijkste kopstukken zodanig te schetsen dat hun leven en werk net dat stukje extra inzicht gegeven wordt waarmee hun ideeën tot leven komen. Diegenen die wel een opleiding in de pedagogiek gevolgd hebben, zijn tijdens die opleiding verschillende losse onderdelen van het werken en denken van de grondleggers tegengekomen. Met dit werk wordt duidelijk dat er een logisch verband is tussen de gedachten en zelfs stromingen die je binnen de pedagogiek kan herkennen. Alhoewel Kohnstamm, Langeveld, Stellwag en Strasser op zich staande namen zijn, zien we nu dat de een niet zonder de ander staat. Zonder hen direct in het verlengde van elkaar te leggen, wordt wel duidelijk dat hun persoonlijke ontwikkeling en de ontwikkeling van hun werk en instituten direct met elkaar samenhangt. Juist omdat het om een nieuwe, zich ontwikkelende wetenschap gaat, zie je dat één gedachte leidt tot een andere. En dat die andere dan ofwel een vervolg en uitwerking is ofwel een tegenbeweging.

Daar waar in de meer geïnstitutionaliseerde wetenschap het speelveld meer is ingeperkt en de wetenschappelijke instrumenten meer vast staan, wordt duidelijk dat bij de ontwikkelende pedagogische wetenschap niet alleen het object nog moet worden benoemd, maar dat (mede omdat we zelf het object zijn) ook de methodologie nog ontwikkeld moet worden. Het mag duidelijk zijn dat in zo’n speelveld de kans op tegenstrijdige ideeën haast een zekerheid moet zijn. Zoveel verschillende te definiëren variabelen moeten tot verschillende interpretaties leiden. Het algemene beeld waarmee de schrijvers uiteindelijk komen is er een van betrokken mensen die enerzijds in het belang van de wetenschap, maar zeker niet minder in het belang van de opvoedelingen en hun opvoeding, het beste boven water willen houden. Dat in dat streven persoonlijke belangen een soms bepalende rol spelen maakt het geheel alleen maar mooier en persoonlijker.

Elk van deze grote pedagogen verdient een plek in de eregalerij van de oude glorie en vanuit hun eigen perspectief gezien is het weer logisch dat andere groten als Bladergroen of Ligthart er niet in staan. En tegelijk is dat het enige bezwaarpuntje tegen een selectie van vier (hele) groten. Inmiddels hebben we een veel grotere groep groten die met de beperking tot deze vier net buiten de boot vallen. Laat onverlet dat het een prachtig boek is, waar elke student met pedagogische belangstelling doorheen gestuurd zou moeten worden. Niet alleen omdat het een mooi tijdsbeeld schetst van de ontwikkeling van een wetenschap, maar ook omdat zeer leesbaar en helder uiteengezet wordt hoe individuele reuzen een wereld op hun schouders nemen.

Reacties op: Op de schouders van reuzen