Blog: Sunny Singh: Stilzitten

op 25 februari 2015 door

Over een maand komt Hotel Arcadia van Sunny Singh uit, onze akelig actuele en snoeispannende roman over een oorlogsfotografe en een manager die gevangen zitten in een door terroristen bezet hotel. Abdelkader Benali las dit debuut in een adem uit. Hieronder Sunny aan het woord, over wat deze actuele roman voor haar betekent.

Eén van mijn eerste herinneringen? Ik zit bij een vreugdevuur te midden van sneeuwhopen en kijk naar Tibetaanse soldaten die hun wapens aan het schoonmaken zijn. Ik kan het me nog voor de geest halen: de bijna spookachtige gloed van sneeuw bij nacht, het geflikker van de oranjerode vlammen, de olijfgroene uniformen en hoe het metaal daarbij glansde. Boven het vuur hing een enorm petroleumvat dat dienstdeed als ketel, alle restjes werden er ingegooid. Het mengsel, een soep-met-alles, borrelde voortdurend. Hetgene wat me het meest bij zou blijven zijn de angst en het verdriet, maar dat begreep ik pas later.
Het was 1971, en de soldaten waren onderdeel van een speciale eenheid van het Indiase leger. Ze werden geleid door mijn vader. Ze waren op weg naar het front en velen van hen – ik ben nooit gestopt met ze te missen – zouden niet terugkomen.

Een andere herinnering. Later in de jaren ’70. Een hut van bamboe met een vloer van platgestampte aarde en een net gegraven slangengreppel. ’s Nachts zou ik door de kieren van de bamboe heen gluren, de wolven en vossen bespiedend die in de tuin op zoek waren naar eten. Wanneer we na het buitenspelen thuiskwamen liet onze moeder ons de greppel pas oversteken nadat we onze zakken hadden geleegd. Er was in de verste verte geen speelgoedwinkel te bekennen, dus in plaats daarvan speelden we vaak met de beschikbare fauna – veelal dingen met zes pootjes.

Er is veel veranderd sinds ik als klein kind in legerkampementen en afgelegen grensposten woonde. Ik was tiener toen mijn vader een andere baan kreeg voor de Indiase overheid. In plaats van in afgezonderde dorpjes bij het Indiaas-Tibetaanse grensgebied woonden we nu in steden als Islamabad, New York en Windhoek. Eén ding bleef hetzelfde terwijl mijn familie bleef verhuizen en groeien. Mijn ouders bleven van reizen, ontdekken en nieuwe dingen leren houden. Deze voorliefdes heb ik geërfd. Ik weet nog hoe mijn vader me in die bamboehut bij kaarslicht de beginselen van het Swahili bijbracht, omdat hij zich aan het voorbereiden was op een nieuwe stationering (die uiteindelijk niet door zou gaan). Later zou hij me Urdu leren bij het schijnsel van een stormlamp en – stukken moeilijker – de Xhosataal.

Ik reis inmiddels al jaren alleen, maar mijn ouders worden nog steeds enthousiast over mijn reisplannen. Ik dacht altijd dat ik die dagen uit mijn jeugd achter me had gelaten, dat ik over die herinneringen heen was gegroeid. Maar steeds vaker betrap ik me erop dat ik in mijn schrijven terugkeer naar die onbewogen, vriendelijke gezichten die als kind kende, liefhad en kwijtraakte. Ik wil die levens leren kennen, zij het dan door mijn eigen fictie, en ontdekken wat hun verlangens en angsten waren. Ik wil begrijpen waar ze hun stille, nooit aflatende moed uit putten.

Een laatste herinnering. Ik ben vijf en de Tibetanen leren me hoe ik stil moet zitten. Het zijn soldaten en monniken, dus de les is tweeledig: ze leren me niet alleen hoe ik moet overleven maar ook tonen ze me een pad naar spirituele ontwikkeling. Ik protesteer dat stilzitten stom is, moeilijk, overbodig zelfs. Ze vertellen me dat ik de vijand, de wereld en zelfs mezelf alleen de baas kan zijn als ik leer stilzitten. Als ik schrijf, en als ik leef, probeer ik die les nog steeds onder de knie te krijgen.




Reacties op: Blog: Sunny Singh: Stilzitten

Gerelateerd