Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Arie Storm: 'Ik ben niet gefrustreerd'

Deze week verscheen 'Tintelingen', de vertaling van het nieuwste boek van de Amerikaan James Wood. Met 'The Nearest Thing to Life' (2015) schreef Wood, ’s werelds bekendste en meest gewaardeerde literatuurbeschouwer en -criticus, een persoonlijk verslag over het verband tussen literatuur en leven, waarin hij onderzoekt wat er precies gebeurt wanneer je een roman leest en betoogt dat literaire fictie moet worden toegelaten in het leven.

In Nederland werd 'The Nearest Thing to Life' vertaald door Arie Storm, schrijver van autobiografische romans als 'Gevoel' (2004), 'De bruid en de kogel' (2007) en het in mei verschenen 'Maans stilte', maar ook literair criticus bij Het Parool. Eerder vertaalde hij romans van onder meer H.G. Wells en John Banville en de door de laatste onder het pseudoniem Benjamin Black geschreven thrillers.


Als schrijver, vertaler én recensent heb je in feite een driedubbelrol. Hoe combineer je deze functies?

‘Ik doe alles door elkaar en dat gaat prima. Het enige wat ik eigenlijk echt moet kunnen, is thuis lang stil zitten, en dat is voor mij geen probleem. Ik kan eindeloos doorgaan met zowel lezen als schrijven. Daarnaast ben ik in staat vrij snel de knop om te zetten. ’s Ochtends kan ik bezig zijn met een roman, ’s middags werk ik verder aan een vertaling. Van dat schakelen heb ik totaal geen last. Bovendien vind ik al mijn werkzaamheden interessant — ik sta nooit op met het idee bah, vandaag moet ik gaan vertalen, of pff, er moet een recensie geschreven worden.’ 


Lees je een boek anders als recensent dan als vertaler?

‘Veel mensen denken dat de recensent een bepaald talent heeft waardoor hij veel sneller leest dan “gewone” mensen. Dat is niet zo. Ik heb zeker geen bijzondere leeskrachten, maar dat ambieer ik ook niet. Ik wil een boek lezen zoals anderen dat zouden doen. Een kunstcriticus loopt in een museum ook niet met een rotgang langs alle schilderijen.’

‘Wat ik prettig vind aan vertalen is dat je de gelegenheid hebt — en daartoe in feite gedwongen wordt — om langzaam en aandachtig te lezen. Als het om goede schrijvers gaat, zijn het vaak ook beeldende boeken. In dat geval ontleen ik een hoop genot aan het vertalen. Wat bovendien een rol speelt is dat ik de schrijvers die ik vertaal zelf uitkies. Dat is anders bij een recensie. Dan moet ik lezen wat er van me verwacht wordt. Maar Banville, Wells, Peter Ackroyd en Verlyn Klinkenborg zijn allemaal auteurs die ik zeer bewonder. Ik denk dat het aandachtig lezen van hun werk ook goed is voor mij, als schrijver.’ 

Ben je daarom begonnen met vertalen? Om iets te leren als schrijver?

‘Toen ik jong was en schrijver wilde worden, las ik boeken met de bedoeling het kunstje af te kijken: ik vind dit goed, maar waarom vind ik dat? Bij Gerard Reve omcirkelde ik per pagina alle metaforen, om te onderzoeken of zijn gebruik van beeldspraak de reden was dat ik hem bewonderde. Als vertaler doe je in feite hetzelfde: het tot in de details uitzoeken van de stijl. En dan word je er ook nog eens voor betaald. Door op zo’n manier te werk te gaan hoop ik, net als vroeger toen ik vergelijkingen aanstreepte, de “truc” van een schrijver te ontdekken.

Dit was overigens niet mijn oorspronkelijke doel, hoor. Het idee voor mijn eerste vertaling — Wells The War of the Worlds, een van mijn favoriete boeken — ontstond toevallig. Toen in 2005 de film met Tom Cruise uitkwam, vroeg ik me af of de uitgever niet met een nieuwe vertaling kon komen. Het antwoord was: ja, maar dan zorg jij voor de tekst. Nou, dat was wat je noemt “een uitdaging”. Ik had me er van tevoren een beetje op verkeken — hoe moeilijk kon het zijn? Maar literair vertalen is ingewikkelder dan je denkt. Bovendien is The War of the Worlds een oud boek met ouderwetse woorden en zinsconstructies, én het is science fiction, waardoor er allerlei neologismen in staan waarvoor ik in het Nederlands zelf iets moet verzinnen. Dat was meer werk dan ik dacht.’

Hoe kijk je op die eerste vertaling terug? Heb je sindsdien grote veranderingen van inzicht ondergaan?

‘Nee, ik ben trots op wat ik toen heb gedaan en sta nog steeds achter mijn keuzes. Wel ben ik sindsdien veel meer over keuzes van vertalers gaan nadenken, met name toen ik bezig was met de vertaling van Woods How Fiction Works (‘Hoe fictie werkt’), de ‘voorloper’ van Tintelingen. Wood citeert veel uit romans, van Vladimir Nabokov en Saul Bellow bijvoorbeeld. Deze citaten vertaalde ik zelf uit het Engels van Wood; ik heb geen bestaande Nederlandse vertalingen gebruikt. Maar ik heb ze er vervolgens wel bij gepakt om mijn eigen vertalingen ermee te vergelijken. En dan stuitte ik vaak op dingen die ik echt niet goed vind. In vertalingen werd de tekst genormaliseerd, terwijl het afwijkende woordgebruik of de “foute” grammaticale constructies juist bij de stijl van een bepaalde schrijver horen. Of het gekozen register paste totaal niet bij het origineel. Stijl en register zijn zaken die nauw luisteren, en moeten in de vertaling gehandhaafd worden. Nabokov schreef geen Russisch en geen Engels, hij schreef nabokoviaans. Marcel Proust combineert dingen die eigenlijk niet gecombineerd kunnen worden en schrijft daarmee geen standaard Frans, maar proustiaans. Als vertaler moet je dat weten te vangen.’

Worden vertalers ondergewaardeerd?
‘Veel vertalers zien dat inderdaad zo. Er bestaat zelfs een prijs die wordt uitgereikt aan het medium dat vertalers het minste credits geeft. Ik vind dat nogal zeikerig. Naar mijn mening is het juist een eer als je niet genoemd wordt — als je niet merkt dat je een vertaling aan het lezen bent, heb je als vertaler blijkbaar goed werk verricht.

Nederlandse vertalers worden eerder overgewaardeerd: we hebben een goede reputatie. Er zijn ook wel goede vertalers, maar ik vind dat over het algemeen slecht vertaald wordt. Nederlandse vertalingen zijn vaak houterig en weinig dynamisch. Ook wat de toon van een tekst betreft wordt de plank regelmatig misgeslagen.’

Er wordt weleens gezegd dat recensenten eigenlijk gefrustreerde schrijvers zijn. Geldt dat voor vertalers ook?

‘Ik ben recensent, vertaler én romanschrijver, maar als ik één ding zou moeten kiezen ben ik het laatste. Ik ben niet gefrustreerd, maar ik weet niet in hoeverre dat voor anderen geldt. Wood wil trouwens alleen vertaald worden door schrijvers. Als je zijn boeken wilt vertalen, moet je een verzoek indienen en dan kijkt hij of je aan zijn criteria voldoet. In mijn geval was dat zo.’ 

In 2011 schreef je, naar aanleiding van de vertaling van Banvilles The Infinities: ’Vertalers vereenzelvigen zich met het boek. Ze gaan erin wonen en de wereld om hen heen verdwijnt in het boek dat wordt vertaald.’ Had je dat bij Tintelingen ook? Of is dit anders als het om een non-fictieboek gaat?

‘Ik vind het belangrijk dat ik, als ik een roman schrijf, lees, recenseer of vertaal, de wereld die erin wordt opgeroepen helemaal voor me kan zien, er in kan stappen. Nabokov heeft ooit gezegd: “Het domste wat een lezer kan doen is zich identificeren met het romanpersonage”. Daar ben ik het mee eens: je moet je niet alleen vereenzelvigen met het personage, je moet het hele boek in je systeem krijgen.

Dat gaat natuurlijk anders bij een non-fictieboek als Hoe fictie werkt of Tintelingen als het om een concept als de vrije indirecte rede gaat stap ik daar natuurlijk niet in om de vrije indirecte reden te “worden” maar ik probeer toch heel diep in de tekst te kruipen, écht te doorgronden wat er staat. Tintelingen is overigens persoonlijker geschreven dan Hoe fictie werkt, en in die zin was het makkelijker om me Wood te wanen en zijn wereld voor me te zien.’

Is het moeilijk om iets te vertalen waar je niet achter staat? In Hoe fictie werkt noemde Wood Nabokov bijvoorbeeld een overdrijver, stilistisch gezien. Jij bent een grote fan van Nabokov. Kan je dat dan gewoon loslaten?

‘Stiekem verander ik de passages die me niet bevallen. Nee, ik vind Wood een belangrijke criticus die goed schrijft. Ik hoef het niet altijd met hem eens te zijn om hem te bewonderen en te vertalen. Datzelfde geldt voor mijn collegarecensenten: ik vind het belangrijk dat ze goede argumenten aandragen en hun oordeel op een aantrekkelijke wijze presenteren, maar ik hoef hun mening niet delen. Als Wood een auteur afbrandt die ik goed vind, lees ik zo’n stuk met veel plezier.

Naarmate ik langer bezig ben met Woods gedachtegoed, groei ik wel steeds meer naar hem toe. Dat is te zien aan mijn romans: ik schreef vroeger postmoderner, ik wilde — net als Kellendonk — altijd iets in mijn boeken verwerken waardoor de lezer werd geconfronteerd met het kunstmatige karakter van de literatuur, met het feit dat het allemaal maar een spel was. Wood daarentegen heeft veel meer met het negentiende-eeuwse realisme, iets wat zeker invloed op mij heeft gehad: ik ben natuurlijker gaan schrijven.’ 

Welke auteur staat er nog op jouw vertaalverlanglijstje?

‘Ik zou heel graag Nabokovs Lolita vertalen. Wat ik jammer vind aan de vertaling van Rien Verhoef is dat veel grapjes zijn verdwenen, en het herhaaldelijk door Humbert Humbert uitgesproken zinnetje: “Dat heb jij toch ook, met kleine meisjes?” Het vertalen van zulke subtiliteiten is misschien lastig, maar je moet daar wel een oplossing voor vinden.’



Over de auteur

Jet Steinz

616 volgers
295 boeken
3 favoriet
Auteur


Reacties op: Arie Storm: 'Ik ben niet gefrustreerd'