Advertentie

Hebban vandaag

Column /

De kaping van de S-Express, sneltrein der verbeelding

door Dhooge
Eind 2016 zal ik als schrijver wellicht 100 ‘S- boeken’ hebben geschreven en uitgegeven. In die 16 jaar heb ik als auteur met elk boek telkens weer Hulksgewijs uit mijn hokje willen breken (of het hokje beetje bij beetje groter willen maken). Thrillers, literaire romans, sciencefiction, surrealisme, historische romans, horror, verhalen, jeugdboeken, er zat zelfs een tennisroman tussen, godbetert.

Van bij mijn eerste boek was duidelijk dat ik nooit tweemaal hetzelfde boek zou schrijven. Daarom werd ook een gimmick in het leven geroepen: elke titel begint met de letter ‘S’, de kapstok, het sleutelgat van het hokje ‘Bavo Dhooge’, een logo, een trademark, een stempel. Ik koester een gezonde huivering en groot wantrouwen tegenover reeksen (zelfs mijn eigen LA-serie is geen serie, maar een serie van stand alones, waarbij enkel de stad LA als constante terugkeert). De reden daarvoor is simpel: schrijven is voor mij een avontuur, een kwestie van grenzen aftasten en grenzen verleggen, ook die van de verbeelding. Elk boek is weer debuteren. Elke keer wil ik mezelf heruitvinden. Want stilstand is achteruitgang. Of elk boek beter is dan het vorige, is nog maar de vraag. Ik besef dat er tussen die 100 titels zeker een paar stinkers zitten, maar allemaal heb ik ze vanuit het hart op het juiste moment met de juiste bezieling en bedoeling geschreven. Aan de lezer om te besluiten waar ik ben geslaagd en waar niet.

Een tafelspringer ben ik nooit geweest (ik moet zowat de enige schrijver zijn die – gelukkig maar – in die 16 jaar nog nooit op de Vlaamse buis is geweest). Ik was altijd meer fan van de schimmige schrijver à la Salinger die zich verstopt voor de buitenwereld. Daarom heb ik ook al jaren een haat-liefde verhouding met Facebook. Het liefst van al zou ik me terugtrekken zoals Philip Roth of Jeroen Brouwers in een hut in een bos, tussen boeken, zonder gsm of computer. Maar tegelijk besef ik dat zo’n ingrijpende verandering ook té bevrijdend kan werken (zie de zelfmoord van Joost Zwagerman na zijn 2-jarig verblijf in de Grote Oorverdovende Stilte).

Nochtans waren er redenen genoeg om geregeld op te duiken in de media. Het levensverhaal van de legendarische John Massis bijvoorbeeld, de drie keer dat de filmrechten van een boek werden verkocht, de Amerikaanse vertaling bij een prestigieuze uitgeverij, een netelige historiek rond de Koningskwestie van Leopold III… Nooit vertrok ik bij het schrijven vanuit de controverse. Het bewijs is dat de controverse ook mij nooit heeft opgezocht en dat ik bij de publicatie van een boek al lang bezig was met het volgende boek, veilig opgesloten in de cocon van mijn schrijfkamer.

Hoewel het een schrijfkamer is, is het geen hok. Het is onmetelijk ruimer dan het hok waarin de meeste journalisten en recensenten nog steeds schrijvers dumpen en opsluiten voor de eeuwigheid zoals ontvoerders hun slachtoffers ook opsluiten in de kelder. Vreemd genoeg kreeg ik bij mijn tweede boek al meteen het etiket ‘misdaadschrijver’ opgekleefd, terwijl meer dan de helft van mijn oeuvre niets met misdaad te maken heeft.

Bij het binnentreden van het hok ‘Misdaadschrijver, komt de onwetende lezer al snel voor een tweede deur te staan, met bijhorend bordje: ‘Komisch misdaadschrijver, met daarachter weer een andere deur en bijhorend bord: ‘Komisch misdaadschrijver in LA. Het hok wordt steeds kleiner, een cel, een gevangenis, een minuscuul spiegelpaleis waarbij de lezer niet meer weet wie de echte schrijver is. Vanwaar die etiketten? Niet moeilijk te verklaren. Recensenten en journalisten zien het als hun taak om de lezer te leiden, te begeleiden en soms te misleiden. Dat is veel makkelijker en comfortabeler dan bij elk boek voor een verrassing te komen staan.

Natuurlijk verwacht ik niet dat elke journalist die 100 boeken leest, maar de belangrijkste drijfveer voor het schrijven blijft mijn integriteit en nieuwsgierigheid. Schrijven is voor mij altijd al een serieuze job geweest, soms zelfs serieuzer dan leven zelf. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen tomeloze bewondering heb voor schrijvers en mensen die zichzelf niet serieus nemen en beseffen dat elke schrijver een leugenaar is.

Een schrijver hoeft niet op zoek te gaan naar de Waarheid, meer nog: hij is het aan zichzelf verplicht om de waarheid te ontlopen en de lezers een rad voor de ogen te draaien. Het spel van de leugen, zei de charmante oplichter Hugo Claus al lang geleden (hij, die zelf met Freddy Devree ook een paar pulpboeken onder pseudoniem heeft geschreven).

In die 16 jaar heb ik ook diverse pseudoniemen gebruikt, om diverse redenen. Soms had de geboorte van een schaduwschrijver te maken met uitgeversperikelen (twee boeken die tegelijk verschenen waardoor de boekhandel nog meer in de war zou geraken en er dus wijselijk voor een andere naam werd gekozen). Soms wou ik mijn eigen naam niet op de cover hebben om andere redenen. Een schrijver is een kameleon, een Zelig die zich continu aanpast aan de leefwereld die hij in elk boek creëert. Ironisch genoeg heb ik toch een kleine serie geschreven voor kinderen over een kameleon die zich als superspion kan vermommen door niet alleen voor kleur te te veranderen, maar ook van uniform en gedaante. Een serie met een hoofdrolspeler die alsmaar verandert; het lijkt wel een paradox, maar tegelijk ook een reflectie van mezelf.

In het geval van Samen zullen we slapen voor het sterven was het niet anders. Vele details vielen samen waardoor het plaatje initieel leek te kloppen. Kon het boek ook niet gewoon verschijnen onder mijn eigen naam? Uiteraard, maar dan was het wellicht ook niet besproken door de literaire recensenten die hun neus ophalen voor misdaadschrijverij en al evenmin door de recensenten van misdaadverhalen die niet durven te raken aan het materiaal van de Nederlandstalige Literaire Elite, een elite die in Vlaanderen ondertussen bijna 100 namen telt. Allemaal grootse schrijvers waarvan er maar enkelen van hun pen kunnen leven en het merendeel schnabbelt aan subsidies en zich optrekt aan opgeklopte koppen in boekenbijlages.

Neen, dan was het in de ogen van deze onafhankelijke lonesome cowboy beter om béter te doen, om me uit te sloven en rond het boek ‘Samen’ een minstens even intrigerend backgroundverhaal te verzinnen. Want als er ergens een rode draad doorheen al die verschillende boeken loopt, dan is het een soort speelsheid. ‘Spielerei’ is niet voor niets de titel van een verzamelbundel. Geïnspireerd door de enigmatische figuur van Boris Vian, de Franse schrijver/trompettist/liedjesschrijver met een zwak hart die op zijn 39ste stierf in een donker zaaltje bij de openingtitels van zijn eerste filmbewerking, zocht ik in mijn fantasie de al even intrigerende Jean Sagan op. Iedereen weet dat schrijven een eenzaam beroep is. Vele schrijvers hadden in hun jeugd denkbeeldige vriendjes en in die zin is de creatie van romanfiguren niets anders dan het voortdurend in leven houden van nieuwe denkbeeldige vriendjes.

Jean Sagan werd geboren op de dag dat het manuscript van ‘Samen’ af was. Zijn biografie is in tien minuten geschreven (zoals ook elk mensenleven bij een uitvaart in tien zinnen wordt samengevat). Jean Sagan was een dronkenlap en seksmaniak, een clochard die onder de bruggen van Parijs sliep en uit de gratie was gevallen bij Boris Vian. Het begon nochtans zo goed. Sagan en Vian waren vrienden voor het leven en elkaars tegenpolen. Vian was de jonge, goed geklede dandy, gesofisticeerd, met een mooie vrouw en een knus appartement waar het elke avond feest was. Vian had een jazzbar waar Duke Ellington en Miles Davis kwamen optreden. Sagan had niets van dit alles en was de schaduwfiguur van Vian, een verloren gelopen straat-Jezus. Een wannabe. Een wannabe die uiteindelijk ook zelfs niet eens echt ‘was’.

Na de publicatie van de literaire roman ‘L’Ecume des Jours’ zat Vian, wegens permanent geldgebrek, in een impasse, zodat op een avond vanuit het niets Vernon Sullivan kwam aankloppen. De Amerikaan Sullivan had vier hardboiled romans geschreven die hij wilde laten vertalen in het Frans. Vian zette zich aan het werk en zoals steeds, schreef hij ontzettend snel. In een paar nachten had hij de eerste roman, ‘J’irai cracher sur vos tombes’ vertaald. Het is te zeggen: geschreven. Want Vernon Sullivan was even echt als de Sint en een perfecte dekmantel voor de veelzijdige Vian om eens een andere kant van zichzelf te laten zien.

Jean Sagan schreef, om in leven te blijven, slechts één werk: ‘On couchera ensemble avant de mourir’. In die zin was hij de verraderlijke Jude (Judas/Sagan) uit de roman ‘Samen’ die aan de ene kant vol bewondering, aan de andere kant vol jaloezie, opkeek naar Jay (Jezus/Vian). Meer nog: het kwam tot een dispuut nadat Sagan het weer maar eens te bont had gemaakt ten huize Vian en zelfs achter diens vrouw zat. Aan lager wal geraakt, werd Sagan de volgende ochtend (drie weken voor het verschijnen van zijn roman) uit de Seine gevist. Zelfmoord of een ongeluk? Vanaf dan begon de roddelmolen pas echt te lopen. Wie was Sagan? Was het geen spiegelbeeld van Vian? Schreef Vian soms zelf het boek ‘Samen…’ en gaf hij het door om zijn vriend een handje te helpen? Of stal Sagan het uit de handen van de Vian en ging daarover het dispuut? Of bestond Sagan niet eens en was het niets meer dan een zinsbegoocheling van Vian? Vian, Sullivan, Sagan: de Heilige Drievuldigheid.

Kortom, de schimmige sfeer waarin ‘Samen’ ontstond, sprak tot de verbeelding. Althans, dat dacht ik, want verbeelding is nu net datgene waar menig lezer naar op zoek is. In een wereld waar het boek vandaag de dag continu onder druk staat, elke dag weer opnieuw wordt uitgedaagd door sociale media, games en andere verwanten, en elke dag morsdood wordt verklaard, ging ik ervanuit dat de geboorte van Jean Sagan als een soort Messias van het Woord een minuscule opening of kier kon betekenen naar de oude wereld van de literaire traditie. Al bij al dacht ik niets verkeerds te doen; het is niet alsof ik plagiaat pleegde of – zoals een lezer me onlangs mailde om me een hart onder de riem te steken – zoals een autogigant de wereld echt bedonderde.

Mystificaties zijn van alle tijden, maar zijn in de boekenwereld dubbel interessant, net omwille van hun dubbelzinnig karakter: een auteur verstopt zich sowieso altijd achter zijn boeken. De boutade dat elke roman wel iets autobiografisch heeft, klopt natuurlijk, maar ook het omgekeerde is evengoed waar. Dat Jean Sagan door De Morgen onlangs werd ‘ontmaskerd’ is een voetnoot, een storm in een glas water. Zoals Sagan zelf al liet weten: ‘Je m’en fous comme de l’an quarante’. De arme man is al een tijdje dood namelijk.

Maar het dédain en de hoogmoed waarmee deze stunt in de Vlaamse pers werd bekritiseerd, bewijst nog maar eens wat menig auteur al lang weet, namelijk: dat vaak niet de schrijvers op sensatie zijn belust, maar wel de zogenaamde ‘boodschappers’ of klokkenluiders, alsof de ontmaskering van Jean Sagan een nieuwe Watergate was. Velen zijn mij voorgegaan en de meesten daarvan waren veel grotere schrijvers dan ik. Jean Sagan was een klein, bescheiden eerbetoon aan de betreurde Boris Vian (die meer dan een halve eeuw geleden trouwens net hetzelfde heeft gedaan). Het warm water kan en hoef je als schrijver niet meer uit te vinden.

De ‘ontmaskering’ van De Morgen (felicitaties aan de superspion/journalist ‘…man’ die in het zog van andere superhelden zoals Superman, Batman, Ironman, de snelle bekentenis van de auteur verwart met een ongelooflijke scoop/ontdekking van zijn hand, na jarenlang intens onderzoek, inclusief bijna fatale autoachtervolgingen en moordaanslagen – men ziet dat ik braaf binnen mijn hokje van misdaadschrijver blijf) was niets meer of minder dan de kaping van de trein der verbeelding.

De chauffeur die zijn lezers in zijn aftandse, gammele S-Express met horten en stoten meevoert naar nieuwe bestemmingen, kreeg – om nog steeds als misdaadschrijver mijn vakjargon te gebruiken - de loop van een pistool tegen de slaap met de melding: ‘Keer deze trein onmiddellijk om! Zet hem op het juiste spoor! Breng die mensen niet in verwarring en stop met van de ene kant naar de andere kant te slingeren. Kies de makkelijkste weg! Kruip verdomd terug in dat verdomde hok, jij hond!’

Tja, wat doet een mens dan bij zo veel geweld? De trein reed al 100 keer tunnel in tunnel uit, en kwam telkens op een ander spoor terecht. Sommigen zouden het een regelrechte roetjsbaan noemen, anderen worden er letterlijk misselijk van. Hoe dan ook zal deze chauffeur nooit toegeven aan dat pistool.

Want verandering is noodzakelijk om te evolueren, niet alleen als schrijver, maar ook als mens. Kies de andere, onzekere weg. Stem niet altijd op dezelfde kleur, maar durf te veranderen. En zeker als je op de trein van de verbeelding zit, zijn er geen grenzen, slagbomen of hokjes. Om met de laatste woorden van ‘Showtime’, een van de 100 titels, te besluiten: ‘Alles is een illusie. Het enige werkelijke is de illusie.’

De show zit erop.

Het doek is gevallen.

RIP Jean Sagan.

Jean Sagan is dood.

Lang leve Jean Sagan!

Amen.



Over de auteur

Dhooge

1 volger
0 boeken
0 favorieten


Reacties op: De kaping van de S-Express, sneltrein der verbeelding

 

Gerelateerd

Over

Bavo Dhooge

Bavo Dhooge

Bavo Dhooge (1973) is een Vlaams schrijver. Hij schrijft veelal thrillers, maar ook de futuristische fantasyreeks over Mike Snow komt van zijn hand. Inmiddels heeft Dhooge zo'n 70 boeken en 50 verh...