Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Een bord met spaghetti

door Jean-Paul Colin 1 reactie
Adriaan van Dis, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2015, debuteerde in 1983 met de novelle 'Nathan Sid' dat bekroond werd met het Gouden Ezelsoor. Het jaar daarop verscheen zijn eerste korte verhaal, 'Een bord met spaghetti', dat onder meer te lezen was in Bulkboek. Hebban Kort haalt het verhaal nog eens uit de oude doos.

Een bord met spaghetti

Muller was hinderlijk keurig. Hij zag er altijd uit of hij zojuist van de stomerij kwam, broek vlekkeloos in de plooi, regenjas opgesteven, blauwe blazer ongekreukt en zijn lippen in een glimlach geperst. Niemand mocht zich aan hem storen. Hij wilde een onberispelijke indruk maken.
Muller was beleefd, hij knikte altijd begrijpend als een ander wat betoogde, ja als het ja moest zijn, soms nee. Een vertegenwoordiger mag nooit opvallen, vond hij. Vaak wisten de mensen met wie hij onderweg te maken had, niet eens of hij komen moest of al was langs geweest. Zo was het ook bij het wegrestaurant waar hij twee keer in de week at, op maandag- en donderdagavond, tussen zeven en acht, als zijn vrouw naar cursus was. Hij nam altijd de dagschotel. Vandaag was het spaghetti bolognaise. Hij had een drukke dag achter de rug, veel klanten, veel meningen, veel bestellingen. Lekker spaghetti, dacht hij, als het maar veel is.
Er stond een flinke rij voor het buffet waar de warme schotels werden opgeschept. Het viel hem op dat de diensters al een kersttakje op hun witpapieren mutsen droegen. Muller kreeg het benauwd van het geschuifel langs de warmte blazende koelvitrines vol slaatjes en toetjes. Hij deed zijn regenjas uit en sloeg hem over de arm, waarmee hij zijn op de buffetrand liggende dienblad voortduwde. In zijn andere hand hield hij een diplomatenkoffertje en een grote witte envelop. Een onhandige kalender, van een relatie gekregen. Paste helaas niet in zijn koffertje. Hij begreep niet waarom hij dat ding nu mee naar binnen zeulde. Zijn vaste gewoonte waardevolle spullen uit de auto te halen – ze gapten alles tegenwoordig – was in dit geval onnodig, want dit zo ver van de grote stad gelegen wegrestaurant stond bekend als een oase van fatsoen en veiligheid. Waar het openbaar vervoer niet komt, selecteert het publiek zich vanzelf, vond Muller. Hij kwam hier graag.
Hij groette het meisje achter de in het water dampende eetwaar vriendelijk, maar pas toen hij zei dat hij honger had voor twee, herkende ze hem – die meneer toch – en ze schepte hem een vol bord. Jammer dat ze de spaghetti brak. Hij had er nu juist zo’n plezier in die lange slierten om zijn vork te draaien en het meelkluwen behendig op zijn lepel te schuiven, zonder er op weg naar zijn mond één te laten vallen. Ook was hij goed in soep zonder terugplonzende druppels. Ja, waar het om eten ging, nam Muller graag een risico. Een kip sneed hij als een chirurg en hij dacht, zolang het bestek in mijn hand niet trilt, ben ik gezond en kan ik de wereld aan.
Nu moest hij bij het afrekenen oppassen dat zijn bord, druipend van al te scheutig overgegoten vleessaus, niet tegen zijn jas aan kwam. Hij duwde zijn regenjas tot in de kom van zijn elleboog en hield het blad op zijn vlakke rechterhand in evenwicht. Het bord schoof niet.
Muller wilde ongestoord genieten. Zijn vaste hoek was vanavond bezet, dus liep hij naar de stille vleugel waar het donkerder was dan normaal omdat de plafonnières er gedeeltelijk met kerstgroen waren afgedekt. Hier was plaats genoeg. Muller zette zijn bord neer, hing zijn jas over een stoel en plaatste koffer en kalender naast de tafelpoot. Hij ging er eens goed voor zitten. Hè, wat dom nu, druk met het rechthouden van zijn dampende bord was hij servetje, vork en lepel vergeten. Hij liep terug. Zelfs bij de bestekbakken moest hij nog op zijn beurt wachten. Hij peuterde wat extra servetten uit de houder, handig voor in de auto, en liep dromerig naar zijn plaats. Maar bij het tafeltje aangekomen frommelde hij van schrik zijn servetten ineen. Er was een grote neger achter zijn bord gaan zitten. De man wikkelde juist vork en mes uit zijn servet en begon zonder op te kijken in de spaghetti te snijden. Spaghetti eten met een mes, dacht Muller, kan het onbeschaafder. Hij keek de man dreigend aan. De zwarte beantwoordde Mullers blik met onverschilligheid, hij glimlachte zelfs en stak toen zonder aarzeling een op maat gesneden hap in zijn grote mond. Mijn spaghetti, mijn bord, gonsde het door Mullers hoofd. Hij durfde niet naar de chef te lopen uit angst dat de man hem misschien van achteren zou aanvallen. Deze sliertensnijdende woesteling reeg hem zeker aan zijn mes. Muller voelde zich heel klein. De zwarte keek hem nu doordringend aan. Op van de zenuwen, maar uiterlijk kalm – dat had hij zich wel aangeleerd, een klant mocht nooit wat aan hem merken – ging hij in de stoel tegenover de man zitten. Muller zei geen woord, overdreven beleefd legde hij links zijn vork en rechts zijn lepel, het servetje vouwde hij uit op zijn schoot. De zwarte keek hem geringschattend aan. Vermoeid sloeg hij zijn ogen naar het plafond. Muller was verbaasd dat het oogwit van negers zo gelig was. Toen keek de zwarte hem weer recht aan. Het leek wel of zijn ogen hem dwongen toe te tasten. Muller wist niks beter te doen dan zijn vork voorzichtig in het bord tegenover hem te steken, zijn bord nota bene.
Wat minder handig dan normaal draaide hij zijn vork in de gebroken sliertjes. Zou die man hem nu slaan, hem met zijn mes op de knokkels hakken?
De zwarte at rustig door. Muller schoof wat hij om zijn vork had gewonden op zijn lepel en bracht de hap voorzichtig naar zijn mond, de zwarte almaar naar de ogen kijkend. Zijn hand trilde licht. De zwarte man glimlachte nu even, hij schoof zelfs het bord naar voren. Het leek wel of hij Muller aanmoedigde nog eens flink toe te tasten. O, als hij brutaliteit op prijs stelde, dan kon Muller er ook wat van. Zonder gedraai nam hij een lepel vol spaghettikruim en haalde hem nog eens diep door het eilandje vleessaus. De zwarte harkte met zijn vork de resterende saus gelijkmatig over de spaghetti. Beiden aten zwijgend verder. Muller proefde niets. Hij bleef schrikachtig in het rond kijken. Was er nou niemand in het restaurant die zag wat hier gebeurde?
Dat die lui deden of ze hier thuis waren, vond hij tot daaraan toe, maar dat ze nu ook ongevraagd zijn bord leegaten, ging hem toch te ver. Altijd had hij tegenover klanten de verhalen van uit hun straatje stinkende Turken en zwartjoekels afgezwakt, altijd voorzichtig voor begrip gepleit, niet te veel natuurlijk, het bleven klanten. Hij begreep niet hoe hij ooit een goed woord over Surinamers had kunnen zeggen. Was dit eigenlijk wel een Surinamer, hij zag er zo duur gekleed uit .. vast en zeker allemaal gejat. De zwarte man veegde zijn lippen schoon met één van de extra servetjes die Muller naast zich op tafel had gelegd, ook probeerde hij wat rode spatjes op zijn overhemd weg te wrijven. Hij schraapte zijn keel en stond op. Muller wilde iets zeggen maar durfde niet omdat hij zittend een ongunstige positie innam. Aap, dacht Muller. Hij volgde elke handeling van zijn ongenode gast. Hij zag hem kopjes pakken, koffie inschenken en weer zijn richting uitkomen. Glimlachend – o, die brutale glimlach – nam hij zijn oude plaats in. Zwijgend schoof hij Muller een kopje toe, en hield hem een zakje melkpoeder voor. Hoewel Muller graag koffie met melk dronk, schudde hij angstig nee. Muller kon aan niets meer denken. Hij voelde zich gegijzeld aan zijn eigen tafel. Ook durfde hij geen suiker in zijn koffie te doen, uit angst dat de zwarte zou zien dat het lepeltje in zijn hand trilde. Hij wist dat zulke types juist agressief werden als je je angst toonde. De zwarte blies in zijn koffie en na een laatste slok liet hij een licht boertje. Hij stond op, knoopte zijn jas dicht, pakte zijn koffertje, zijn regenjas, schoof zijn stoel terug naar de tafel, knikte vriendelijk naar Muller en verdween zonder een woord te zeggen.
Het zweet liep in straaltjes langs Mullers rug. Eindelijk kwam hij tot zichzelf. Hij leefde nog. Geen messteek, geen kaakslag, hij had verstandig gehandeld. Naar huis en vergeten, mompelde hij in zichzelf.
Maar waar was zijn koffer, waar zijn jas? Dus toch, die vuillak, die patserige junk. Zoekend keek Muller in het rond of de man nog ergens liep. Waarom was hier geen bewaker met een pistool en een pet op en een fluit om alarm te blazen? Al spiedend door de vrijwel lege eetzaal zag Muller plotseling twee rijen achter zich zijn jas over een stoel hangen, tussen de poten door zag hij zijn koffertje en de kalender en op tafel een vol bord spaghetti.



Over de auteur

Jean-Paul Colin

176 volgers
21 boeken
17 favoriet
Auteur


Reacties op: Een bord met spaghetti

 

Gerelateerd

Over

Adriaan van Dis

Adriaan van Dis

Adriaan van Dis (1946) is schrijver, journalist en televisiepresentator. Hij groeide op temidden van halfzussen en ouders met een Indische (oorlogs-)geschiedenis. In 1983 debuteerde hij met de novelle...