Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Een kort verhaal van Stuart Evers

Met zijn debuutbundel 'De laatste sigaret' won de Engelse Stuart Evers de London Book Award. Tien verhalen waarin een sigaret voorkomt, maar die vooral gaan over dertigers en veertigers die zich op een keerpunt in hun leven bevinden. ‘Quietly briljant and moving’, schreef The New York Times. Lees hier een van de verhalen!


Zonsverduistering

Onze baby huilt, dus leg ik hem aan mijn borst, zijn mond begerig als die van zijn vader. Hij is zeven maanden oud, maar weigert over te stappen op de fles: hij klampt zich aan mij vast. Soms vraag ik me af of er ooit een einde aan zal komen en stel ik me hem voor als een volwassen man met scherpe tanden die in mijn van pijn gezwollen tepels bijt, en van deze gedachte moet ik zowel lachen als huiveren. Hij heeft dan het gezicht van zijn vader, de ogen waarvoor ik de eerste keer meteen voor de bijl ging.
Alles ruikt nu naar gemorste melk, talkpoeder en luiers. Dat zegt hij tenminste, en ik geloof hem, hoewel ik sinds de bevalling nergens meer de geur van heb opgevangen. Hij zou wat mij betreft weer kunnen zijn gaan roken – de beslissing ermee te stoppen is door hem en hem alleen genomen – of hij zou kunnen zijn opgehouden zich te wassen. Of hij zou nacht in nacht uit sterk naar zijn minnares ruikend kunnen thuiskomen. Hij zou naar haar zweet en parfum kunnen stinken. Zijn adem zou naar haar smaak kunnen ruiken en ik zou het niet weten. Misschien is het een soort ruil: mijn zoon voor een van mijn zintuigen.
 
Hij werd op 15 september verliefd op haar. Het was bijna precies twee maanden voordat ik zwanger werd. Hoe ik het wist kan ik niet zeggen. Ik zag gewoon een flits, als vuurwerk, toen hij een fles wijn uit de koelkast pakte: hij was heel erg, waanzinnig verliefd geworden. Die straling die je over je krijgt als je zwanger bent is niets vergeleken bij de glans die het gevolg is van zulke hartstocht en toewijding. Het brandde door hem heen als een zonsverduistering: prachtig, maar gevaarlijk om naar te kijken.
 
Het verlangen naar het moederschap besloop me heimelijk: jarenlang had ik helemaal geen moedergevoelens gehad en had ik liever katten dan kinderen als gezelschap. Mal leek dit prima te vinden. Maar naarmate het aantal kinderen om ons heen groeide omdat onze vrienden een voor een bezweken, had ik steeds minder verweer tegen het getrek in mijn binnenste, tegen de lichte aarzeling waarmee ik een baby teruggaf aan zijn of haar stralende ouders. Toen ik het besluit nam was ik negenendertig, Mal vijfendertig. Het was niet iets waarover we praatten. Ik gooide diezelfde middag de pil weg en we gingen aan de slag.
We hadden het zes maanden geprobeerd: een half jaar thermometers, cycli en verveelde, routinematige seks. Nadat hij haar had gevonden ging het echter heel anders. De seks werd dringender en vasthoudender, bijna wreed. Ik koesterde geen illusies: Ik wist dat hij iedere keer dat we neukten aan haar dacht. Een keer stak hij zijn vinger in mijn kont en bewoog hem op en neer, wat hij nog nooit had gedaan. Het was iets wat zij lekker vond, en al het genot dat het veroorzaakte zakte in als ik me haar onder hem voorstelde, zijn vingers in haar. Het lukte ons alleen maar een kind te verwekken omdat hij verliefd was op die vrouw. Daar ben ik van overtuigd.
 
Ik heb haar één keer ontmoet, op een afscheidsfeestje. Mals baas ging met pensioen en al het personeel stond te drinken in de Vodka Revolution. Toen ik binnenkwam praatte hij met haar en een andere vrouw. Ik wist welke van de twee het was. Ze had lang donker haar, een grote neus, en haar borsten werden opgeduwd onder haar t-shirt. Ze zag er intelligent uit: haar huid was bleek en smetteloos, haar wenkbrauwen moesten worden geëpileerd. Mal zag me en gaf geen krimp, stelde de twee vrouwen aan me voor als Libby en Teri. Ze hadden samen met Mal en een paar anderen aan een project gewerkt. Ik schudde hen allebei de hand; de hare voelde koel aan.
‘Mal heeft het rommeligste bureau van het hele kantoor,’ zei Teri. ‘Hij zal thuis wel een nachtmerrie zijn.’ Libby staarde naar de vloer en begon toen in haar grote, groene handtas te zoeken.
‘Mijn moeder noemt hem nog steeds Morsige Mal,’ zei ik. ‘Ze zegt dat ze nog nooit zo iemand heeft gezien, en ze heeft zes kinderen, dus zij zou het moeten weten.’
Mal lachte en schudde zijn hoofd.
‘Geloof er maar geen woord van. Ik ben nu gedomesticeerd,’ zei hij. ‘Ik doe zelfs mijn schoenen uit als ik thuiskom.’
Libby stond op. ‘Ik ga naar buiten om een sigaret te roken. Heeft er iemand zin om mee te gaan?’ vroeg ze.
We schudden ons hoofd en ze zuchtte.
‘Iedereen stopt er tegenwoordig mee, hè?’ zei ze. ‘Leuk je te leren kennen, Elaine, ik zie jullie dadelijk wel weer.’ Ze liep rakelings langs me heen. Ik ving een vleugje van haar parfum op: iets met pruimen, kaneelachtig, waarschijnlijk duur. Als ik me probeer voor te stellen hoe hij ruikt komt deze geur bij me op.
 
Er zijn geen bewijzen van de affaire. Ik moet nog sporen van lippenstift, brieven, e-mails of sms’jes vinden. De telefoon gaat ’s nachts niet op vreemde momenten over. Er zijn geen verdachte verkeerd-verbondengesprekken binnengekomen. Hij gedraagt zich eigenlijk hetzelfde als altijd: de rustige Morsige Mal met zijn boeken uitgespreid over de keukentafel, terwijl hij zijn paperassen bijwerkt, de fles wijn opentrekt. Maar ik zie het. Ik weet dat het er is.
Toen mijn buik dikker begon te worden, toen mijn zoon in me groeide, begon ik me echter af te vragen hoe Mal zich eronder hield. Hij had het feit dat we daadwerkelijk een kind zouden krijgen nog niet echt onder ogen gezien, dat weet ik zeker. Die maanden proberen hadden hem ervan overtuigd dat een van ons beiden, of ons allebei, iets mankeerde. ’s Nachts keek ik hoe hij sliep en haatte ik hem omdat het hem niets leek te kunnen schelen. Ik hoorde hem dan snurken en sniffen en voelde een scherpe, splijtende pijn in mijn schouder en borst. Dan stond ik op en ging naar beneden, naar de keuken. Als de zon opkwam zette ik thee en dronk er met kleine slokjes van aan de keukentafel, die nog steeds was bedekt met zijn boeken en papieren.
Ik wist niet hoe hij het kon verdragen zijn nachten en dagen zonder haar door te brengen. Toen ik Mal net kende wilde ik geen moment meer zonder hem zijn. Ik zou naar voetbalwedstrijden zijn gegaan en had naar horrorfilms gekeken, ik had hem naar plekken gebracht waar hij nog nooit was geweest, plekken die hij altijd al had willen bezoeken. Ik zou alles hebben gedaan om maar met hem samen te zijn.
Op een heldere novembermiddag liepen we rond Chartwell House; Mal praatte over Churchills depressies en ik knikte en zei dat het me interesseerde, echt waar. Hij hield mijn hand vast terwijl we aan het meer zaten en toen kusten we elkaar op een manier die aanvoelde alsof ik opnieuw werd uitgevonden. Zelfs nu herinner ik me die kussen nog heel duidelijk en ik vraag me af of ze in zijn mond hetzelfde aanvoelden als in de mijne. Verliefdheid kan een eenzame aangelegenheid zijn, heb ik altijd gedacht: je kunt maar zo dicht bij elkaar komen, en niet dichter. Die barrières kunnen niet worden doorbroken, hoeveel je ook van iemand houdt.
Toen ik heel erg zwanger was vroeg ik Mal naar die middag bij Chartwell en zei hij dat hij graag nog eens terug zou willen, dat er een nieuwe tentoonstelling was die hij graag zou zien. Hij zei niets over het meer, of de kussen, of dat we op weg naar huis waren gestopt om op een omheind veld te vrijen. Bestonden die kussen nu alleen nog maar voor mij? Blijven haar kussen hangen? Komen ze terug om hem te verrassen?
 
Zachary kijkt op, er ontsnapt melk uit zijn mond. Ze zijn nu waarschijnlijk samen. Hij zou in het café naar voetbal gaan kijken, maar hij zou gemakkelijk bij haar kunnen zijn. Hij zou daar kunnen huilen, haar vertellen dat hij bij haar wil zijn, dat zijn hart pijn doet en zijn handen trillen, maar dat hij niet zomaar kan weglopen: niet nu. Ik zie haar grote neus, haar betraande gezicht. ‘Ik hou van je,’ zegt ze. ‘Waarom is dit zo moeilijk? Waarom kan het leven niet eenvoudig zijn?’ En dan laten ze zich op het bed vallen en vrijen ze gejaagd, boos. Hij steekt zijn vinger in haar kont en beweegt hem op en neer. Als ze klaarkomt zegt ze dat ze van hem houdt.
 
Ik laat Zach boeren en loop rond in de zitkamer terwijl er op de achtergrondmuziek uit de radio komt. Toen ik een tiener was, voordat ik mijn haar kort knipte en begon te roken en met jongens te rommelen, luisterde ik altijd naar een radioprogramma waarin de presentator waargebeurde liefdesverhalen voorlas. Zijn stem klonk onveranderlijk somber, en de luisteraars hadden geen idee of de aflevering van die dag goed zou aflopen of dat ze er tranen van in hun ogen zouden krijgen. Ik had altijd gewild dat mijn eigen epische affaire voor het hele land zou worden voorgelezen, als achtergrond bij een miljoen koffiepauzes, maar dat is nu al lang geleden. Nu was het een ander verhaal, en niet echt het verhaal dat ik me had voorgesteld.
In dat liefdesverhaal kom ik nog steeds voor, maar ik ben niet meer de ster. Ik ben de ongenoemde vrouw; degene die niet wordt aangemoedigd. In het middelpunt van het toneel staan nu mijn man en zijn minnares. Ze zijn zielsverwanten; ze zouden samen zijn als het kind er niet was: een kind waarvan hij houdt en dat hij begrijpt is veel belangrijker dan zijn eigen behoeften. Het verhaal gaat jaren zo door; ze verbreken de affaire en vinden elkaar later terug, wanhopig verlangend naar elkaars omhelzingen. In deze versie van het verhaal blijft hij thuis om voor de baby te zorgen terwijl ik ga werken. Hij is een goede vader maar kan er niets aan doen dat hij hunkert naar zijn zielsverwante.
In het liefdesverhaal ben ik niet meer dan een schim, een smetje op hun volmaakte romance. Na vijf jaar? Zes? Hoe lang ook, biecht Mal het uiteindelijk op. Hij vertelt het verhaal over een volmaakte romance en ik, het smetje en de schim, zwijg en ben dankbaar dat hij zo eerlijk is en bovendien een goede vader voor Zachary is geweest. Hij vertrekt die dag en gaat wonen bij de vrouw op wie hij de vijftiende september verliefd is geworden. Aan het eind van het verhaal houdt de presentator een preek en voegt er een conclusie aan toe die de luisteraars eraan herinnert dat het soms beter is dingen openlijk te zeggen dan met een leugen te leven. Belegen huis-tuin-en-keukenwijsheid opgediend als fris advies, gevolgd door de eerste verdrietige maten van hun nummer: ‘Dark End of the Street’.
 
Het verhaal dat de presentator niet vertelt is het verhaal over een vrouw die met dezelfde hartstocht van haar man houdt als waarmee hij van zijn minnares houdt. Het is het verhaal van haar liefde voor haar kind, het enige positieve dat uit deze gebroken relatie is voortgekomen. En zolang het kind jong is, zal de vader in de buurt zijn, aandachtig en toegewijd. Zijn minnares mag dan zijn hart en zijn geest hebben en voortdurend in zijn gedachten zijn, ze zal hem niet krijgen. Niet zoals ze hem wil en nodig heeft. Niet zoals hij haar wil en nodig heeft. Ze kunnen hun lied krijgen, en hun grote hartstocht, maar ik zal er altijd zijn, zowel moeder als echtgenote. Waarom zou ik zijn hart niet breken zoals hij het mijne heeft gebroken?
 
De radio schakelt over naar het nieuws en een vrouwenstem leest in deze volgorde de berichten voor: oorlog, hongersnood, noodweer, moord, politiek schandaal en dan de weersvoorspelling. De deur gaat open en daar staat Mal, ietwat rode wangen en in zijn oude duffelse jas.
‘Hé, liefje,’ zegt hij. ‘Slaapt hij?’
‘Ja,’ zeg ik.
Hij slaat zijn arm om me heen en zoent me op mijn wang, daarna op mijn lippen. Hij glimlacht, trekt zijn jas uit en loopt naar de keuken. Ik loop achter hem aan.
‘Hoe is het gegaan?’ vraag ik.
‘Twee-twee. En een erg goeie wedstrijd,’ zegt hij. ‘Liefs van Neil.’
Hij kan op weg naar huis de uitslag op zijn telefoon hebben opgezocht, en Neil zou alles voor Mal doen. Hij pakt bier uit de koelkast.
‘Ging het allemaal goed?’ vraagt hij. ‘Heeft hij niet te veel gepiept?’
‘Het ging uitstekend,’ zeg ik, ‘heerlijk.’ En ik kijk naar Mal, zoekend naar make-up, glitter, sporen van haar. Ik kruip tegen hem aan.
‘Ik hou van je,’ zeg ik.
‘Ik ook van jou,’ zegt hij, maar te vlug. Ik houd mijn wang tegen de zijne en adem zo veel mogelijk door mijn neus in. Ik ruik niets, zelfs geen adem. En dan, heel even, denk ik dat ik kaneel en pruimen ruik, en haar, en dan sigaretten, en dan bier, en dan gewoon de lucht van de buitenwereld.

Uit de bundel: De laatste sigaret van Stuart Evers.


De laatste sigaret

De hoofdpersonen in de debuutbundel van Stuart Evers zijn vooral dertigers en veertigers. Ze bevinden zich op een kruispunt van hun leven. Ze hebben of niet iets verbroken - een huwelijk, relatie, vriendschap- of ze dreigen iets dierbaars te verliezen. Zoals Angela, die na jaren radiostilte in bed belandt met haar jeugdliefde Marty. Wanneer ze merkt dat hij niet meer als vanouds naar sigaretten ruikt, raakt ze overstuur. Haar romantische beeld van vroeger is ingehaald door de werkelijkheid – waarin ze op het punt staat met een ander te trouwen. Hoewel in elk verhaal een sigaret wordt opgestoken, is De laatste sigaret vooral een boek over bedrog, nostalgie en verlangen. Het zijn Evers’ rake gemoedsbeschrijvingen die de verhalen onderling verbinden.

De laatste sigaret verscheen in 2011 bij Uitgeverij Podium.



Over de auteur

Daphne van Rijssel (crew)

4 volgers
0 boeken
0 favorieten
Newbie


Reacties op: Een kort verhaal van Stuart Evers

 

Gerelateerd

Over

Stuart Evers

Stuart Evers

Stuart Evers (1976) is de London Book Award-winnende schrijver van De laatste s...