Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Interview • Elk boek heeft zijn eigen toon

We tekenen mei 2010. Simone van der Vlugt voerde met haar nieuwste thriller Op klaarlichte dag wekenlang de bestseller 60 aan. Marion Pauw won een jaar eerder met Daglicht de Gouden Strop en Lieneke Dijkzeul werd dat jaar met De geur van regen voor de tweede keer voor diezelfde prijs genomineerd. Ter gelegenheid van Juni – De Maand van het Spannende Boek discussieerde het trio bestsellerauteurs over de lusten en lasten van het schrijversschap, het ontstaan van Het Idee en de soms belemmerende werking van de realiteit.

`Lekker even helemaal niets gedaan. Nou ja, tuinbankje in de verf gezet en van het mooie weer genoten. Schrijven? Ander keertje weer,’ zo twittert bestsellerauteur Simone van der Vlugt op 23 mei op haar website. Een dag later, wanneer de schrijfster samen met collega’s Lieneke Dijkzeul en Marion Pauw Grand Café Engels in Rotterdam binnenstapt, blijkt het schrijfproces alweer in gang gezet, zij het niet achter de pc.

Van der Vlugt: `Ik was al een tijdje bezig voor mezelf smoesjes te verzinnen om maar niet te hoeven schrijven. Daarnet in de trein zat ik naar die weilanden te kijken en toen gebeurde het: tak-tak-tak-tak. Ineens had ik het hele middenstuk van mijn volgende boek in mijn hoofd. Ik dacht: dáárom had ik waarschijnlijk niet zo’n zin om te schrijven. Omdat ik niet precies wist waar ik heen wilde.’

Marion Pauw vult aan: `Op het moment dat het niet lekker loopt met schrijven, is dat altijd omdat er ergens in je boek iets niet klopt.’

Lieneke Dijkzeul: `Ik stel vaak uit door ’s avonds veel te lang tijd te besteden aan het beantwoorden van mijn email…’

Het moge duidelijk zijn: vanzelf gaat het nooit, een boek schrijven, ook niet voor drie van Nederlands best verkopende thrillerauteurs van het moment. Toch zitten er in Engels drie tevreden schrijfsters aan tafel, want ondanks dat ook het schrijversschap zijn nadelen heeft, ze zijn te verwaarlozen bij de vele prettige kanten van het vak.

Pauw, die kort geleden haar baan als copywriter opgaf om zich volledig te richten op het schrijven van thrillers: `Het fijne van het schrijversschap is dat je absolute vrijheid hebt. Vrijheid in die mate vind je in geen enkele andere baan.’

Van der Vlugt: `Daar sluit ik me bij aan. Maar wel mis ik soms het contact met andere mensen. Ik wil niet zeggen dat ik vereenzaamd ben, maar neem mijn vriendinnen: die werken. Dus als ik ’s middags klaar ben en ik wil gezellig even naar de stad, dan is er niemand die mee kan.’

Pauw: `Wat ik soms het lastige vind aan het schrijven is dat hele introverte. Dat in jezelf gekeerde.’

Dijkzeul: `Dat vind ik heerlijk.’

Pauw: `Ja, enerzijds wel. Maar als ik wekenlang alleen maar aan het schrijven ben geweest, merk ik dat ik het moeilijk vind daar weer uit te komen en – bij wijze van spreken - op een bar te gaan staan dansen. Dan word ik zo introvert dat ik zelfs moeite krijg met contact met andere mensen. Ik moet mezelf echt dwingen om naar buiten te gaan.’

Dijkzeul: `Ik ben een kluizenaar. Vind het verrukkelijk om alleen te zijn. Ik hou ervan om bezig te zijn met taal. Heb niet zo’n behoefte om mee te doen. Ik ben geen mens voor recepties met tweehonderd aanwezigen waarvan ik er honderdnegenennegentig niet ken. Laat mij maar lekker in mijn kamertje zitten en in mijn eigen wereld leven.’

Alleen in de schrijfkamer. Daar moet het tenslotte gebeuren. Hoewel: ideeën voor een nieuw boek kunnen overál ontstaan. Soms blijken ze zelfs ongrijpbaar, zo blijkt uit het antwoord van Van der Vlugt op de vraag naar de aanleiding voor haar nieuwe bestseller Op klaarlichte dag. Nippend van haar cola: `Het klinkt misschien gek, maar de eerste aanleiding kan ik me niet herinneren. Ik heb dat wel vaker. Dan denk ik: hoe kwam ik nou op dat idee? Van andere boeken weet ik het nog precies. Neem Blauw water. Ik zat naar de tv te kijken, zag een nieuwsitem over een ontsnapte TBS’er en dacht: hoe zou het zijn als die plotseling mijn huis binnenstapte? Boeken bestaan uit vele losse puzzelstukjes. Die ga je samenvoegen. Uiteindelijk denk je: waar kwam ook alweer dat eerste puzzelstukje vandaan?’

Dijkzeul, over de aanleiding tot De geur van regen: `Mij schoot iemand te binnen van wie ik wist dat haar echtgenoot haar al jaren bedroog. Iederéén wist dat, maar zij niet. Toen ze het ontdekte, kwam dat als een donderslag bij heldere hemel. Het is eigenlijk een heel gewoon gegeven, maar je maakt het bijzonder door die vrouw gestalte te geven. Ik ben het trouwens met Simone eens: het is vaak moeilijk aan te geven waar een idee vandaan komt: er klapt ergens een luikje open en ineens is er iets.’

Marion Pauw koos het onderwerp voor haar laatste boek weloverwogen uit. `Voordat ik begon aan Zondaarskind viel het me op dat er veel thrillers worden geschreven met in de hoofdrol een dertigplus-vrouw met een foute vriend. Ik dacht: ik wil een totaal andere hoofdpersoon. Ik ga over een ouder iemand schrijven. En dan niet iemand die achter de geraniums zit en mijmert over het verleden, maar iemand die iets recht te zetten heeft en dat ook daadwerkelijk dóét. Ik heb sowieso iets met oudere mensen. Luister graag naar ze. Ik ga bij ze op bezoek om verhalen over vroeger te horen. Er zit zoveel rijkdom bij die mensen. Schatten aan informatie en kennis waar vaak niets mee gebeurt…’

Zodra het idee voor een nieuwe thriller er is, begint het schrijfproces. Welke problemen komen de schrijfsters tegen in het traject dat ligt tussen een ruw idee en de eerste versie van een manuscript?

Dijkzeul: `Soms verlies je de toon. Daar ben ik altijd heel bang voor. Elk boek heeft zijn eigen toon. Het komt voor dat ik iets teruglees en denk: het rammelt. Dan zie ik: tot díe zin klopt het en daarna is het niets meer. Tussen het moment dat ik die onbruikbare passages weggooi en het moment waarop ik de zaak weer oppak, zit soms een paar weken. Dat heeft te maken met pure angst om die toon niet terug te kunnen vinden.’

Van der Vlugt: `Soms moet je ook gewoon een tijdje doorschrijven om hem weer te vinden. Heb jij dat ook niet?’ Dat je denkt: nou ja, ik weet eigenlijk niet of dit wel goed is maar…’

Dijkzeul: `Ik kan het altijd nog weggooien? Ja.’

Pauw: `Toen ik aan Zondaarskind begon, wist ik dat ik ging schrijven vanuit het perspectief van een ouder personage. Ik dacht: als ik hoofdstukken ga schrijven die zich afspelen in de jaren dertig, dan gaat dat snelle toontje dat ik normaal heb niet werken. Ik heb heel erg moeten zoeken naar de juiste toon. De eerste hoofdstukken heb ik vier, vijf keer volledig herschreven. Dan voel je: nee, dit is het niet. Weer opnieuw. Blijven proberen. Op een gegeven moment had ik ‘m, ik wist het meteen: dít is de juiste toon.’

Van der Vlugt: `In Op klaarlichte dag zit heel veel actie. Het grootste probleem was dat ik mijn hoofdpersoon steeds in spannende situaties bracht. Ik bedacht een cliffhanger en zat vervolgens met de vraag: hoe nu verder? Ik had dus geen problemen met de toon, maar meer met praktische dingen. Steeds weer moest ik broeden op een geslaagd vervolg. Pas daarna kon ik door.’

Pauw: `Dat is wel léúk. Zo hou je het ook spannend voor jezelf.’

Dijkzeul: `Ik weet niet hoe dat bij jullie zit, maar ik denk halverwege weleens: ik moet terug naar het begin, want het komt daar nog niet goed uit de verf. Dan merk ik dat ik in mijn eigen boek moet groeien.’

Van der Vlugt knikt: `Het duurt soms even voordat je je eigen hoofdpersoon leert kennen.’ Pauw: `Klopt. Aan het einde van een boek ken je al je personages door en door. Dan weet je: die zou dat nóóit doen. Die kennis heb je in het begin niet.’

Van der Vlugt: `Dat is echt lastig, om ze te leren kennen. Dan denk je: wat zal ik haar eens voor vriendin geven? Hééft ze wel een vriendin? Nee, ik geef haar geen vriendin. Wacht even: misschien heeft ze vanwege de plot wel een vriendin nódig. Of je denkt: iedereen doet altijd al iets met vriendinnen. Maar hebben al die hoofdpersonen geen ouders?’

Dijkzeul: `Soms wil je gewoon die rechte lijn vast houden en vergeet je bijna om kleuring te geven, aan de setting te denken. Ineens valt je een rare kaalheid op en je denkt: als ik een lezer was zou ik hier geen genoegen mee nemen.’

Van der Vlugt: `Precies. En het wordt alleen maar lastiger naarmate je meer boeken schrijft.’

Dijkzeul: `Jij schrijft ook zo snel. Zo veel.’

Van der Vlugt, lachend: `Ja. Dat is een nadeel, want steeds vaker denk je: dit heb ik al een keer gedaan. Ik moet het anders doen. Maar hoeveel nieuwe invalshoeken kun je bedenken? Laat ik mijn hoofdpersoon verliefd worden? Dat proces heb ik nu al zo vaak beschreven. Ze is verlíéfd’ – trekt een gezicht - `Moet ik weer een romantische scène schrijven. Daar heb ik helemaal geen zin in. Waarom moet er altijd romantiek in een boek zitten?’

Zoveel mogelijkheden, zoveel keuzes. Regels zijn er niet voor een thrillerschrijver, maar dat maakt het er niet makkelijker op. Zo kan gedegen research leiden tot een beter boek, maar tevens tot onwelkome beperkingen.

Dijkzeul: `Ik kreeg een email van een politieman die me liet weten dat hij erg had genoten van mijn boeken, maar dat hij vond dat ik weinig informatie gaf over hoe het eraan toegaat bij de politie. Voor het boek waar ik nu aan bezig ben, vond ik het handig om bepaalde dingen uit te zoeken. Ik vroeg hem of ik een aantal gerichte vragen kon stellen. Hij was erg enthousiast en ik kreeg uitvoerig antwoord. Ik was heel blij met al die informatie. Maar na honderd pagina’s dacht ik: het belemmert me alleen maar, want nu wil ik alles goed doen. Nu ga ik schrijven wat er zou gebeuren als dit allemaal écht was. Wil ik dat wel?’

Van de Vlugt: `Vind je dat dan niet belangrijk?’

Pauw: `Het moet wel een beetje kloppen…’

Dijkzeul: `Nee, dat is niet waar het mij om gaat. Het klopt immers nooit. Kijk naar de verfilmingen van de boeken van Henning Mankell. Er is een team van zes politiemensen dat de meest ingewikkelde zaken oplost. Zés mensen. In werkelijkheid werken er dertig mensen aan zo’n zaak. Of vijftig. Neem die zaak van Milly Boele. Daar gooien ze vijftig man op. Die kun je in een boek onmogelijk allemaal opvoeren. Daarom ga ik het liefst mijn eigen gang.’

Pauw: `Uiteindelijk zijn voor mij rijke personages het belangrijkste ingrediënt voor een goed boek. Veel thrillerpersonages zijn zo `dertien in een dozijn’. Ik vind het verfrissend als ik word verrast met een ander type persoon. Ik zoek altijd naar originaliteit. Een goede setting. Een verhaal moet sterk en origineel zijn.’

Dijkzeul: `Het moet een goede plot hebben.’

Van der Vlugt: `Ja. En toch lees ik ook weleens boeken die niet zo’n sterk plot hebben, maar die ik toch heel goed vind vanwege de spanningsopbouw. Zelfs als je wel een idee hebt hoe iets gaat aflopen: zolang er tussendoor maar genoeg verrassingen in de verhaallijn zitten, blijft het me boeien.’

Dijkzeul: `Ik noemde net een goed plot, maar dat is voor mij niet per definitie het belangrijkste. Een thriller onderscheidt zich van andere boeken omdat hij plotgedreven is. Maar je moet ook een goede stijl hebben. Je moet behoorlijk kunnen formuleren. Je karakters moeten van het papier komen. Je moet van een lezer enig denkwerk durven vergen door niet alles te willen uitleggen.’ Van der Vlugt: `Uitleggen mag in geen enkel boek.’

Dijkzeul. `Nee. Je moet niet op je hurken gaan zitten. Natuurlijk, een verklaring van het `waarom’ tegen het eind van een boek, is soms noodzakelijk. Maar eindeloze herhalingen zijn uit den boze.’

Daarover is iedereen aan tafel het eens. Zijn er ook nog thema’s die uit den boze zijn? Ofwel: welk type boek hoeven we van de hand van Pauw, Dijkzeul en Van der Vlugt zeker níét te verwachten?

Dijkzeul: `Van die slachtboeken waarin mensen worden opgehangen met vleeshaken. Ik vind het afschuwelijk.’

Van der Vlugt: `Dat is ook niets voor mij.’

Dijkzeul: `Ik word er onpasselijk van…’

Pauw: `Ik schrijf niet over georganiseerde misdaad. Waarom niet? Ik vind het saai. De motieven zijn niet interessant. Die mensen willen geld. Macht. Het is dat macho-wereldje. Spreekt me totaal niet aan. De motieven bij een crime passionel zijn veel interessanter dan die van iemand die iemand anders omlegt bij een drugsdeal.’

Van der Vlugt: `Een moeder wiens kind wordt vermoord. Dat is iets waarover ík niet snel zal schrijven. Je zou je dan moeten inleven om erachter te komen hoe dat voelt. Dat is iets wat ik niet wil. Ik weet nu al: dan eindig ik als een psychisch wrak.’

Dijkzeul: `Tenzij je het kort beschrijft. Eén treffende zin wijdt aan de moord en het alleen als aanleiding gebruikt om een groter verhaal te vertellen. Als de moeder van het kind verder bijna niet van belang is voor het verhaal…’

Pauw: `Dat heb jij in Koude lente gedaan.’

Dijkzeul: `Ja. En dat ging heel goed.’

Van der Vlugt: `Maar dan kies je niet haar perspectief.’

Dijkzeul: `Dat zit er wel degelijk in. Er is de aanklacht tegen de media die zich erop storten.’

Van der Vlugt: `Ja, maar zij is niet de hoofdpersoon in je verhaal. Dan heb je toch wat meer afstand.’

Pauw: `Als je over zulk verdriet schrijft, moet er iets mee gebeuren. Iets dat prikkelt en nieuw licht werpt op de zaak.’

Van der Vlugt: `Maar je hebt dat verdriet wel nódig. Het wordt onherroepelijk onderdeel van het verhaal. Mij zou dat afschrikken.’

Pauw: `Het boek dat ik nu aan het schrijven ben heeft een bijna Agatha Christie-achtige plot. Het is een echte whodunnit. Maar er zit óók verdriet in. Bij Agatha Christie laat nooit iemand een traan. Er is nooit bloed of sex. Die mensen blijven gewoon lekker theedrinken.’



Over de auteur

Hebban Crew

1349 volgers
50 boeken
0 favorieten


Reacties op: Interview • Elk boek heeft zijn eigen toon

 

Gerelateerd

Over

Elvin Post

Elvin Post

Elvin Post (Rotterdam, 1973) is een Nederlandse auteur. Via een stage bij een literair agentschap in Amsterdam kwam hij in 1997 terecht bij het agentschap van Ralph Vicinanza in Manhattan, New Yo...