Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Interview Jussi Adler-Olsen

‘Het waren de recensies van de lezers van Crimezone en Vrij Nederland die maakten dat ik voor de eerste keer een soort verbondenheid met mijn lezers voelde. Ik wist toen voor wie ik het deed. Dat gaf me de inspiratie om door te gaan met schrijven.’

Als er 7-sterrenwaarderingen toegekend zouden kunnen worden aan misdaadromans, zou de Deense bestsellerauteur Jussi Adler-Olsen (1950) beslist meerdere keren in de prijzen zijn gevallen. Zijn thrillers worden de hemel in geprezen en voor zijn boek De noodkreet in de fles won hij in 2010 de prestigieuze Glazen Sleutel (prijs voor de beste Scandinavische misdaadroman). Toch was zijn aanloop naar het succes aarzelend. Als thrillerauteur debuteerde hij pas op 50 jarige leeftijd met Het Alfabethuis (2000), dat door critici weliswaar warm werd ontvangen, maar dat door het grote publiek niet direct werd ontdekt. Pas met zijn reeks boeken rond Afdeling Q, een afdeling van de politie die zich bezig houdt met cold cases, brak hij definitief door. In deze serie is pas verschenen het vierde boek, Dossier 64.

 Foto's Tommy de Bree

Jussi Adler-Olsen is iemand die in een traditioneel Amerikaanse song wordt omschreven als “a bundle of joy”, een energieke man die van links naar rechts stuitert, vreugde in het leven uitstraalt en tussen neus en lippen door een woordenstroom produceert waarvan zelfs de razendsnelle tekenfilmmuis Speedy Gonzales wit wegtrekt. Zijn verblijf in Schiedam, in de jaren tachtig, waar hij de eerste pogingen op het gebied van thrillerschrijver deed, heeft bij hem een warme liefde voor Nederland doen ontwaken. Die liefde is wederzijds. Nederland was het eerste land dat de thrillers van Jussi omarmde. Een huwelijk voor het leven.

Striphandelaar

In de jaren zeventig zag het er overigens niet naar uit dat Jussi ooit schrijver van thrillers zou worden. Door toeval belandde hij in een volstrekt andere sector van het boekenvak. In die tijd konden hij en zijn vriendin na lang zoeken woonruimte krijgen in het centrum van Stockholm. Maar, bij het woongedeelte hoorde ook een winkelpand en de verhuurder eiste dat het in gebruik zou worden genomen. Omdat echte ideeën ontbraken, zette Jussi zijn grote verzameling strips in de winkel. Het was een lucky shot. Zijn stripspeciaalzaak werd een doorslaand succes. Adler-Olsen: ‘Toen ik de zaak in 1980 verkocht, zat ik financieel meteen goed in mijn slappe was. Omdat ik veel vrije tijd had, besloot ik een boek te gaan schrijven. Mijn vrouw zat op dat moment in Nederland. Ik pakte mijn oude IBM schrijfmachine en reisde haar achterna. Gedurende het half jaar dat ik in Schiedam zat, schreef ik mijn eerste thriller. Het boek ging over de periode in Cambodja ten tijde van de Rode Khmer en over het Oeganda onder het bewind van Idi Amin. Het was zo’n gewelddadig boek dat ik niet eens geprobeerd heb om een uitgever te vinden. Maar ik wist op dat moment dat er een dag zou komen dat ik in mijn pyjama een boek zou gaan schrijven dat ik wel gepubliceerd wilde hebben. Dat zou zo’n 20 jaar later worden.’

Met dank aan de recensenten
Nadat Jussi Adler-Olsen in de jaren negentig geruime tijd managing director was geweest van uitgeverij Semic Press, besloot hij rond zijn 46e om zijn schrijverschap een nieuwe kans te geven. Het resultaat van zijn inspanning was Het Alfabethuis. ‘Net zoals ik me ooit had voorgenomen, geschreven in mijn pyjama op momenten dat ik daar zin in had. Het werd in 2000 voor het eerst in Nederland gepubliceerd door Holkema & Warendorf (Unieboek). In principe kon ik toen van het schrijven leven, maar ik twijfelde of ik door moest gaan. Het waren de recensies van de lezers van Crimezone en Vrij Nederland die maakten dat ik voor de eerste keer een soort verbondenheid met mijn lezers voelde. Ik wist toen voor wie ik het deed. Dat gaf me de inspiratie om door te gaan met schrijven.’

Psychiatrische kliniek

In Het Alfabethuis, het eerste boek van Jussi Adler-Olsen, komen in 1944 twee Engelse piloten terecht in het Alfabethuis, een psychiatrische instelling, waar zij, om te overleven, maandenlang een geestesziekte moeten simuleren. Voor Jussi Adler-Olsen was het ’t begin van een reeks verhalen die zich vaak afspelen rond mensen met geestelijke problemen. Bekend gebied voor Adler-Olsen wiens vader in de jaren vijftig als psychiater verbonden was aan een psychiatrische instelling. De kleine Jussi struinde dagelijks in de kliniek rond waar hij, met goedkeuring van zijn vader, met de geesteszieke patiënten omging. Volgens eigen zeggen heeft die periode zijn manier van denken tot op de dag van vandaag beïnvloed. ‘Toen ik een jaar of zes was, raakte ik bevriend met een pokdalige boom van een kerel van 2.05 meter. Hij was ooit kapitein geweest op een schip en had met één vuistslag zijn vrouw vermoord. Op de moord na was het een zachtaardig mens. Ik adoreerde hem en wandelde vaak hand in hand met hem door het park bij de kliniek. Hij hield van me en gaf me zelfs een katje. Hij was mijn beschermengel. Door hem leerde ik dat je mensen nooit mag stigmatiseren. Elk mens heeft zijn goede en kwade kanten. Het zijn vaak de omstandigheden die maken welke kant op een bepaald moment de overhand krijgt.’

Hitchcock

In de eerste boeken van Jussi Adler-Olsen speelt actie een vrij grote rol. Maar vanaf het moment dat hij zijn Afdeling Q serie introduceert ligt het accent meer op de psychologie van de karakters. Adler-Olsen: ‘Dat klopt. Weet je, dit is een experiment. Ik ben bezig met een verhaal dat zo’n slordige 5.000 pagina’s omvat. Elk boek is als het ware een nieuw hoofdstuk in een doorlopend verhaal van 5.000 pagina’s waarbij de personages zich in elk volgend boek zullen ontwikkelen. Om de aandacht van de lezers gevangen te houden, baseer ik me op de principes van de master of suspense, Alfred Hitchcock. Hij zei altijd. ‘Besteedt de grootste zorg aan de gezichtspunten van je karakters. Kruip in het hoofd van je karakters. Bekijk de gebeurtenissen door hun ogen, beleef hun angsten mee vanuit hun gevoel. Zorg ervoor dat de lezers één zijn met je personages. Dan zullen ze boek na boek, al die pagina’s lang geboeid blijven. Je lezers moeten begrip hebben voor de daden van je personages, zelfs voor die van de misdadigers. In mijn derde boek in de serie, De noodkreet in de fles, komt een moordenaar voor. De lezer zal niet goedkeuren wat hij doet, maar ze begrijpen hem wel. Het is een boeiend spel dat ik met de lezer speel. Kijk, de gemiddelde lezer leest ’s avonds in bed, een kwartiertje voor het slapen gaan. Daarom moet je hem helpen door de tekst heen te komen. Dat is de realiteit. Ik ben heel lang redacteur en uitgever geweest, dus ik ken het gedrag van lezers. En, ik kan er kort over zijn, ik schrijf om gelezen te worden. Daarom herlees ik mijn eigen boeken regelmatig en probeer ze te bekijken met de ogen van de lezer.’

Thrillers vs crimestories

‘Ik prefereer het om de boeken die ik schrijf thrillers te noemen en geen crimestories (misdaadverhalen). Een misdaadverhaal stelt een misdaad centraal die in het boek opgelost moet worden. Maar in mijn boeken probeer ik verhalen te vertellen waarin geprobeerd wordt misdaden te voorkomen. Dat is een thriller. Want dan neem je de lezer aan de hand mee, ver vooruitlopend op dat wat zou kunnen gebeuren. En er is haast, want anders kan de misdaad niet voorkomen worden. Een thriller is dus een verhaal met voortdurende spanning. Een thriller heeft ook veel meer spanningverhogende elementen dan een misdaadverhaal. Politieke kwesties, geografische elementen, maatschappelijke problemen, originele plots. Maar wat definitie betreft is het een rommeltje in de pers. De genreaanduidingen worden constant door elkaar gehaald.’

Dossier 64
‘Het hoofddoel van het schrijven van Dossier 64 was in eerste instantie om het vervolg op de levensgeschiedenis van mijn hoofdpersoon Carl Mørck te vertellen. Verder wilde ik het boek schrijven om aandacht te vragen voor het afschuwelijke leed dat veel vrouwen in Denemarken in het verleden is aangedaan. Prostituees, moeilijk opvoedbare tienermeisjes, vrouwen uit minder bedeelde sociale milieus en jonge vrouwen die ongewenst zwanger werden, konden van 1922-1961 naar het geïsoleerde eiland Sprogø worden gedeporteerd. Daar werden ze vaak geaborteerd of gesteriliseerd. En dat alles omdat doorgedraaide gezagsdragers niet wilden dat er nieuwe ‘minderwaardige’ schepsels op de wereld zouden worden gebracht. Men vond dat de kans dat deze vrouwen nakomelingen zouden krijgen die in de prostitutie of het criminele circuit terecht zouden komen te groot. Men verantwoordde de deportatie door te zeggen dat de meisjes en vrouwen zwakzinnig waren en op het eiland geholpen moesten worden. Die hulp bestond dan uit een zogenaamde zuivering, beter gezegd sterilisatie. Daarbij werd niet om hun toestemming gevraagd. Pas als het geregeld was dat de vrouwen geen kinderen meer konden krijgen, mochten ze van het eiland.’

Sorry

‘Dat is nog in onze tijd gebeurd. Schandelijk Veel van die vrouwen leven nog. Ze zijn rond de zeventig, tachtig, jaar en ze hebben nooit enige compensatie gehad voor wat hen is aangedaan. Niemand heeft zelfs ooit “Sorry” gezegd. Mijn vader had in de jaren vijftig een boot en we voeren vaak langs het eiland Sprogø. Elke keer als we er langs zeilden, zei hij tegen me: “Jussi, het leven is hard en soms heel onrechtvaardig voor sommige volwassenen. Sommigen worden gek omdat het leven te hard voor hen is, maar de meesten hebben niet de mogelijkheid om zich te harden tegen de maatschappij onder de beschermde omstandigheden die jij hebt, Jussi. Jij komt uit een goede familie. Maar op dat eiland zitten vrouwen die uit families komen waarin niet over normen en waarden, goed of slecht gedrag werd gesproken. Dus hebben ze zich in de maatschappij misschien anders gedragen dan die maatschappij graag zag. Misschien heeft een van die vrouwen met de zoon van de burgemeester geslapen en dat was voor de maatschappij genoeg reden om die vrouw dom en zwakzinnig te noemen en haar te deporteren.” Wellicht waren er ook wel geestelijk minder valide vrouwen, maar in de meeste gevallen was dat helemaal niet zo. Er zaten soms hele slimme vrouwen bij.’

Kansloos

“De slimste vrouwen kwamen in opstand. En dat was het meest verkeerde wat ze konden doen, want het was aanleiding voor de doctoren en de leiding van de kliniek op het eiland om de vrouwen extra zwaar te straffen en te vernederen. Ze waren kansloos, Jussi, kansloos.”
‘Elke keer als we langs het eiland vaarden, vertelde mijn vader dat verhaal opnieuw. Daarom is het blijven hangen. Een paar jaar geleden dacht ik dat het goed zou zijn om een boek aan die toestanden te wijden en te kijken of ik daarmee de maatschappelijke discussie op gang kon brengen. Ik wil dat de vrouwen die nog leven enigerlei van compensatie krijgen. Voordat ik aan Dossier 64 begon, ben ik samen met een cameraploeg van de Deense televisie naar het eiland gegaan om een documentaire te maken. Het gevolg daarvan was dat de schrijvende pers zich over de misstanden van weleer heeft ontfermd. En het gevolg daarvan was weer dat onze vrouwelijke Minister van Volksgezondheid verklaarde dat zij geschokt was, dat zij nog nooit van de misstand had gehoord en dat zij bereid was om over te gaan tot compensatie van de slachtoffers. Helaas is dat nog steeds niet gebeurd.’

Gooi immigranten het land uit

‘Het kwalijke aan de hele geschiedenis is natuurlijk dat er destijds een bovenlaag in de maatschappij was: doctoren, advocaten en politici, die dachten te kunnen bepalen wat goede en wat slechte mensen zijn. Een ziek systeem waarin de heersende klasse zich het recht aanmat om vanuit een ivoren toren het verschil tussen unter- en übermenschen te bepalen. In Dossier 64 heb ik die kwade krachten verenigd in een beweging die “De Zuivere Lijn” heet, een groep mensen uit de upperclass die ijvert voor deportatie en sterilisatie van domme vrouwen om verloedering van het nageslacht te voorkomen. Dat soort mensen zijn er overigens nog steeds. In Denemarken is een politicus in het parlement die zegt: “Al die immigranten zouden we aan parachutes het land uit moeten gooien.” En er zijn natuurlijk veel van dat soort kortzichtigen, die zogenaamde “minderwaardige” mensen het liefst op een eiland zouden willen zetten. Ik heb met mijn boek de mensen een cynische spiegel voor willen houden om hen te laten lachen om hun eigen stupiditeit. Ik hoop dat het werkt, een lach brengt mensen dichter bij elkaar dan een boos gezicht.’

Originaliteit

‘Het is mijn streven om in elk boek dat ik schrijf origineel te zijn: originele locaties, originele karakters, een origineel plot. Maar het probleem is dat ik niet weet of ik origineel ben. Ik heb geen vergelijkingsmateriaal. Ik ben ruim zeven jaar gestopt met het lezen van thrillers en andere misdaadromans. Ik was te bang dat ik me zou laten beïnvloeden.’
De behoefte aan originaliteit en apartheid is in de boeken van Jussi Adler-Olsen perfect vertegenwoordigd in de gedaante van Assad, het hulpje van hoofdpersoon Carl. Een kleurrijk personage. Hij komt uit Syrië, lapt alle politieregels aan zijn laars en is zelfs voor zijn collega’s een mysterie. Men vermoedt dat hij geen eigen huis heeft, maar op het politiebureau slaapt. Adler-Olsen: ‘Assad is ontstaan door een bepaalde zin die ik ooit hoorde. Toen ik een afspraak had met de Amerikaanse vertaler van mijn boeken zei ik: “Hallo Steve, lang niet gezien. Weet je, ik denk heel veel aan je.” En hij zei: “My god, dat is ook toevallig, ik denk ook vaak aan mezelf (haha).” Een krankzinnig antwoord. Ik keek hem eens aan en plotseling zag ik die slimme, gekke man voor me met een grote snor en een nieuw hemd. En dat was de geboorte van Assad. Iemand met een gekleurde huid, politiek absoluut niet correct. Een immigrant die op geestige wijze woorden verhaspelt, maar die slim is en een goede opleiding heeft gehad. Dat aspect van zijn karakter heb ik erin gebracht toen ik ontdekte dat veel taxichauffeurs in Denemarken, die uit een ander land kwamen, een betere opleiding hadden gehad dan ik, haha.’

Aartslui
De hoofdpersoon in de Afdeling Q serie is Carl Mørck. In Dossier 64 heeft hij het moeilijk omdat ooit, tijdens een politieactie die hij leidde, één collega is gedood en een ander voor het leven verlamd is geraakt. Op het bureau vraagt men zich af of Carl wel correct gehandeld heeft en stelt men een zenuwslopend onderzoek in. Verder willen zijn tegenstanders Carl laten vermoorden. Zijn vrouw die op het punt staat van hem te scheiden, plukt hem kaal en de relatie met zijn nieuwe minnares is wankel. Kortom, privé en werk lopen flink door elkaar.
Adler-Olsen: ‘Carl is een talentvolle man met een hekel aan misbruik van macht. Maar door het interne onderzoek dat naar hem loopt, wordt zijn idealisme volledig gesloopt en zou hij het liefste willen stoppen met zijn werk. Hij hoopt dat hij vervroegd met pensioen wordt gestuurd. Rustig zijn sigaretje roken, met zijn voeten op tafel, kijkend naar een voetbalwedstrijd. Carl is in veel opzichten net als ik, hij is aartslui. Ik ben ook in en in lui. Maar als je het vermogen hebt om beschaamd te zijn over je eigen luiheid, kan je er tegen vechten. Carl is een mix van mijzelf en een psychiatrische patiënt die ik als 6-jarig jongetje in de kliniek van mijn vader leerde kennen: grote mond en een sluimerende gekte die leidt tot onvoorspelbaar handelen. En onvoorspelbaarheid is een groot goed in een thriller, zeker voor de lezers die nog een paar duizend pagina’s tegoed hebben.



Over de auteur

Kees de Bree

86 volgers
13 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Interview Jussi Adler-Olsen

 

Gerelateerd

Over

Jussi Adler-Olsen

Jussi Adler-Olsen

Jussi Adler-Olsen (1950) werkte na zijn studie vele jaren als uitgever in zijn eigen uitgeverij. In zijn vrije tijd werkte hij als vertaler en editor en schreef hij zijn eerste boeken (o.a. over Grouc...