Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Verloren Zeeuwse verhalen

Hoewel Marlies Allewijn helemaal niet van plan was om specifiek over Zeeland te schrijven, onthult ze in haar nieuwste YA-roman ‘Ze was 16’ toch de vergeten gebeurtenissen uit het verleden van de provincie. De Slag om de Schelde in de Tweede Wereldoorlog vormt daarin het uitgangspunt. ‘Als een verhaal niet verteld wordt, gaat het verloren.’


De zestienjarige Ize is een Amsterdams stadsmeisje en moet de zomer doorbrengen bij haar oma in Zeeland, terwijl haar ouders relatietherapie volgen in Spanje. Er is helemaal niks te doen op het platteland en dan heeft haar vriendje het ook nog eens net uitgemaakt. Maar dan komt ze op zolder oude foto’s uit de Tweede Wereldoorlog tegen van haar overleden opa en een onbekend meisje dat erg op haar oma lijkt. Wie is dat? Samen met buurjongen Flip gaat ze op onderzoek uit en ontdekt veel meer over het meisje Janna, dat in het voorjaar van 1944 plotseling voor de Duitse militairen in haar dorp moet werken. Voor Janna en de andere inwoners van Zeeland lijkt het einde van de oorlog in zicht, maar dan moeten de geallieerden eerst nog hun provincie, met name de Scheldemonding, op de Duitsers zien te veroveren voor ze door kunnen trekken naar de rest van West-Europa. De Slag om de Schelde begint.  

Marlies Allewijn werd zelf geboren in Zeeland en groeide daar ook op. Dat is te merken aan de beschrijvingen in haar tweede jeugdroman: ze schetst een mooi beeld van het Zeeuwse landschap en de ‘dorpse’ mentaliteit onder de inwoners. Toch was haar eigen jeugd niet direct de eerste aanleiding om over de provincie te schrijven.  

‘Het idee voor het boek is ontstaan door mijn nieuwsgierigheid naar de verschillen en overeenkomsten tussen twee meisjes uit verschillende tijden en verschillende omstandigheden. In eerste instantie wilde ik dus daarover schrijven. Toen ik het verhaal over de Slag om de Schelde las, wist ik over welke tijd ik wilde schrijven. Dat het over Zeeland gaat, komt dus vooral door de gebeurtenissen daar in 1944. Toen ik eenmaal aan het schrijven was, vond ik het heel leuk om dat wat ik weet over Zeeland (en dat is veel; ik kom er tenslotte vandaan) te gebruiken in het boek. Maar ik ben het boek dus niet gaan schrijven omdat ik over ‘typisch’ Zeeuwse dingen wilde schrijven.’  

Verhalen van opoe

Met Ze was 16 vertelt Allewijn over een gedeelte van de oorlog, de Slag om de Schelde, dat lang niet iedereen kent en dat ook niet tot de standaard lesstof op scholen behoort. Zelfs niet in Zeeland. Een artikel vormde voor Allewijn de aanleiding om meer te weten te komen over de gebeurtenissen in 1944 in haar geboorteprovincie. De zoektocht van hoofdpersoon Ize lijkt daarmee op de ontdekkingsreis die de schrijfster zelf maakte.  

‘Ik denk dat Ize’s zoektocht vooral draait om het vinden van Janna en het blootleggen van de geheimen in haar familie. Tijdens die zoektocht ontdekt ze wat er gebeurd is in Zeeland in de oorlog. Dat verbaasde haar. Ik denk dat die verbazing over de gebeurtenissen ook míjn verbazing was. Ik kan nog steeds niet geloven hoe weinig ik over dat onderwerp wist.’  

Voor haar jeugdroman bezocht Allewijn verschillende musea en sprak ze meerdere mensen over het verleden van Zeeland, waaronder historici, familieleden en een verzetsman. ‘De karakters in mijn boek zijn niet op hen gebaseerd, maar van de mensen die ik heb gesproken, heb ik wel prachtige details gehoord waarvan er een aantal terugkomen in het verhaal. De zus van mijn opoe, Truus, vertelde bijvoorbeeld over hoe zij van een deel van de Nederlandse vlag blouses hebben gemaakt. In het verhaal neemt Wanne de vlag mee en maakt Janna blouses voor hen beiden.’  

Van verzetsman Jaap Rus hoorde Allewijn hoe hij werkte aan de Atlantikwall en dat hij daar zijn oren en ogen goed openhield om de informatie door te kunnen geven aan de geallieerden. ‘In het boek doet Willem dat ook, maar verder heeft Willem geen overeenkomsten met Jaap Rus.’ Van de oma van haar man hoorde Allewijn hoe ze, als er een noodslacht was, in de rij moest gaan staan om aan vlees te komen. In het boek wordt Janna door haar vader naar het dorp gestuurd nadat hij had gehoord van een noodslacht. ‘Het zijn dus details, maar het zijn wel de verhalen die ik mooi en interessant vond om te horen,’ vertelt de schrijfster. ‘Dat gebeurt er dus als het oorlog is. Je maakt kleren van ongebruikelijke materialen. Je moet uren in de rij staan voor een stukje vlees. En, zoals Jaap Rus deed, je spioneert als dat nodig en mogelijk is.’  

Waarom de Slag om de Schelde niet bekender is onder Nederlanders, zelfs niet onder Zeelanders, is ook voor Allewijn een raadsel.  ‘Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik heb er ook geen sluitend antwoord op. Ik vermoed dat men direct na de oorlog door wilde gaan met leven en alles zo snel mogelijk wilde vergeten. In het boek zeg ik dat het voor de mensen direct na de oorlog herinneringen waren en ook nog eens heel vervelende herinneringen. Het was geen geschiedenis voor hen. Ze hadden het zelf meegemaakt en de gebeurtenissen hadden hun pijn gedaan. Er werd dus niet over gepraat. En als een verhaal niet verteld wordt, gaat het verloren.’  

'Verder denk ik, dat weet ik dus niet zeker, dat het ook een beetje een ongemakkelijke situatie was. De geallieerden hebben de bombardementen uitgevoerd. Veel bewoners van de dorpen die werden gebombardeerd, zijn omgekomen. Dat is natuurlijk geen positieve boodschap. En daarbij komt ook nog dat Montgomery (Britse generaal die Operatie Market Garden bedacht die vrijwel volledig flopte, red.) een inschattingsfout heeft gemaakt. Er is niet snel genoeg gehandeld, nadat Antwerpen was bevrijd. Ik heb wel het idee dat er de laatste tijd wat meer aandacht is voor het onderwerp. Maar het kan ook zijn dat het me meer opvalt omdat ik er zelf zo in zit.’  

Stadsmeisje

Net als haar hoofdpersoon Ize woont Marlies Allewijn na haar jeugd in Zeeland inmiddels ook in Amsterdam. ‘Ik vind zelf dat ik weinig overeenkomsten heb met Ize. Zij is stads op een manier die ik denk ik niet ben. En ze is wel erg ‘kont tegen de krib’. Dat ben ik volgens mij niet. Soms zou ik zelfs wel wat meer van dat botte van Ize willen hebben. Maar terwijl ik het zeg, denk ik meteen: nee, toch niet. Volgens mij is onze enige overeenkomst dat we allebei heel erg van Amsterdam houden.’  

In een interview met de Provinciale Zeeeuwse Courant vertelt Allewijn ze dat ze op haar achttiende al wist niet in Zeeland te willen blijven en nu ‘voor geen goud’ terug zou willen. ‘Het klopt inderdaad dat ik niet meer terug wil. Ik ben een stadsmens en ik hou erg van Amsterdam. Daarbij komt dat ik in Amsterdam woon met mijn gezin. Ons leven is dus daar. Maar het ligt wel iets genuanceerder dan dat het in de krant stond. Ik vind een beetje Zeeland op z’n tijd heerlijk. Het heeft veel moois. Mijn familie woont er en daar houd ik veel van, dus alleen al daarvoor kom ik er graag. Ik ben dus blij dat ik Zeeland ken en dat ik er vaak kom. Ik zeg altijd dat ik het beste van beide werelden mee kan pakken. De opwinding, het bruisende, het snelle en het altijd iets te beleven van de stad tegenover de rust, de zee en de zomers in Zeeland. Dus hartje Zeeland, maar net iets meer hartje Amsterdam. Dat is het, denk ik.' De schrijfster voegt daaraan toe: 'Ize was zo blij dat ze weer terug was in Amsterdam dat ze bijna wilde huppelen op het station. Dat gevoel heb ik ook altijd nog. Als ik een tijdje de stad uit ben geweest en ik kom weer terug, dan heb ik altijd het gevoel van: yes! Ik ben er weer.’  

Tijdloos

Naast het oorlogsthema haalt Ze was 16 ook heel duidelijk tijdloze aspecten aan die vooral voor jongeren belangrijk zijn: jezelf durven zijn, vooroordelen, keuzes maken en over dat vage grensgebied tussen goed en fout. ‘Er is volgens mij niets zo moeilijk en tegelijkertijd zo belangrijk als jezelf durven zijn,’ zegt Allewijn. ‘Ik denk dat het vooral als je jong bent moeilijk is om echt te zijn wie je bent. Er is druk van je vrienden, je ouders en misschien ook wel van jezelf om aan een bepaald plaatje te voldoen. Dat maakt het een interessant thema om over te schrijven.’  

Het is heel makkelijk om een oordeel over iets of iemand te hebben zonder dat je precies weet hoe het zit, vindt de schrijfster. ‘Dat is iets waar ik mezelf ook nog weleens schuldig aan maak. Ik denk dat we dat allemaal weleens doen. Wat ik vervelend vind, is dat we steeds vaker maar wat roepen om geluid te maken en dat we maar weinig echt naar elkaar luisteren. Ik denk dat het uiteindelijk veel meer oplevert, ook voor jezelf, om de dingen om je heen met een open blik te bekijken. De vooroordelen van Zeeuwen en Amsterdammers waren ook leuk en grappig om over te schrijven voor mij, omdat ik ze allebei hoor. Ik moet er vaak om lachen en soms irriteert het me ook. Van beide kanten dus. Dus om vele redenen vond ik het belangrijk om over vooroordelen te schrijven.’  

Ook Allewijn zelf was verrast toen haar eigen verwachtingen met betrekking tot de oorlog niet bleken te kloppen. ‘Toen ik research deed voor dit boek was ik in eerste instantie verbaasd over hoe vriendelijk er over de Duitsers die in de dorpen waren gelegerd, werd gepraat. Zij waren toch de vijand? Hoe kon je daar nu aardig over praten? Er was voor mij een duidelijk goed en fout. Door het lezen van verhalen ging ik wel een beetje begrijpen dat die Duitse soldaten niet allemaal de beulen waren die ik in gedachten had. En soms maak je keuzes die je nooit gedacht had te maken door de situatie waarin je zit. Zeker als het oorlog is. Ik vroeg me af hoe ik zelf zou reageren. Zou ik net zo dapper zijn als Janna en tegen mijn ouders zijn ingegaan? Zou ik niet ook net als Wanne breken als ik ondervraagd werd? Ze was tenslotte nog maar 17. Zou ik als ik Willems vader was, mijn gezin ‘verlaten’ voor een grotere zaak? Het zijn allemaal vragen waarop ik geen antwoord heb. Dat wordt pas duidelijk als je voor de keuze staat. Ik denk dat het in ieder geval belangrijk is om daarover te blijven nadenken. En ook hiervoor geldt weer dat je niet meteen moet oordelen. Vaak zit er meer achter een verhaal dan je in eerste instantie denkt.  

Met haar boek maakt Allewijn duidelijk dat vooroordelen én veroordelen thema’s van alle tijden zijn. Dat deze, en dat vage grensgebied tussen goed en fout waarover ze schrijft, niet alleen tijdens de oorlog, maar ook in de huidige samenleving een rol spelen. ‘Ik denk inderdaad dat deze thema’s van alle tijden zijn. Ik vind onze maatschappij momenteel hard. Het maakt me soms zelfs een beetje bang. Mensen komen steeds vaker tegenover elkaar te staan in plaats van naast elkaar. Iedereen heeft een mening en wil die graag laten horen. Ik vind het erg dat we doordat we allemaal tegelijk roepen wat wij zelf vinden, vergeten om naar elkaar te luisteren. Dus misschien was mijn doel tijdens het schrijven wel om beide kanten van een verhaal te tonen en te laten zien dat sommige zaken zo ingewikkeld zijn dat er geen eenduidig antwoord is.’    

Weer een beetje jong zijn

Haar tweede roman is een ander soort boek dan Allewijns debuut SchEef, dat grotendeels autobiografisch is. Bij de auteur werd op haar twaalfde reuma geconstateerd en ze beschrijft in SchEef welke invloed die diagnose heeft op een beginnende puber, haar hoofdpersonage Eef. Voor Ze was 16 kon Allewijn niet direct uit eigen ervaring putten en dat was dan ook meteen het grote verschil in het schrijfproces.  

‘In SchEef kon ik nog letterlijk op mijn eigen gevoelens teruggrijpen. Dat kon nu niet. Ik heb geen oorlog meegemaakt en weet dus niet hoe het voelt. Terwijl dat nou juist was waarover ik wilde schrijven. Wat doet het met je om te leven in tijden van oorlog? Ik moest het dus heel anders aanpakken.’ En dus deed ze veel research voor Ze was 16. ‘Bij SchEef moest het natuurlijk ook kloppen, maar ik wist al veel van het onderwerp af en dus hoefde ik alleen te controleren of de dingen die ik schreef ook klopten. Van dit onderwerp wist ik niets voordat ik begon. Ik denk dat Ze was 16 misschien iets volwassener is dan SchEef. En ook al is reuma ook geen supervrolijk onderwerp, SchEef was misschien wel iets luchtiger dan Ze was 16.’  

Terugkijkend op het schrijfproces bekent Allewijn: ‘Ik vond het doodeng om Ze was 16 te schrijven. Iemand vroeg me: ‘Maar kun je dat wel dan? Kun je wel over iets anders schrijven dan jezelf?’ Ik was daar een beetje beledigd door, maar eigenlijk vroeg ze me precies datgene waarover ik me zorgen maakte. Kan ik het wel?’  

Voor een jonge doelgroep schrijven lijkt na twee jeugdromans de eerste keuze van Allewijn, maar het is zeker mogelijk dat ze in de toekomst haar horizon zal verbreden. ‘SchEef heb ik voor jongeren geschreven omdat ik vond dat de groep jongeren die reuma heeft vaak een beetje vergeten wordt. En schrijven voor die groep beviel goed. Ik vind het heerlijk om via het schrijven weer een beetje jong te zijn. Het was dus vanaf het begin duidelijk dat ik Ze was 16 ook voor jongeren zou schrijven. Maar ik sluit zeker niet uit dat ik nog eens voor volwassenen ga schrijven. Misschien zelfs al heel snel. Wie weet? Ik heb een heel lijstje met ideeën voor verhalen. Ik hoop dat ik ze allemaal mag en kan gaan schrijven. Twee ideeën staan hoog op de lijst. Ik ben er nog niet helemaal uit met welk idee ik wil beginnen. Maar wat mij betreft ga ik lekker door met schrijven, want er is niks mooiers en fijners dan dat.’


Auteursfoto Marlies Allewijn © Mascha de Vries
Overige beelden © Victoria Farkas



Over de auteur

Lindy de Jong

646 volgers
298 boeken
6 favoriet
Hebban Crew


Reacties op: Verloren Zeeuwse verhalen

 

Gerelateerd

Over

Marlies Allewijn

Marlies Allewijn

Marlies Allewijn (1977) is opgegroeid in het Zeeuwse Yerseke. Voor haar studie film- en televisiewetenschappen verhuisde ze naar Amsterdam. Daar woont ze nu nog steeds.In 2012 verscheen haar (semi-) a...