Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Kort verhaal: Harteloos van Linda Samplonius

Linda Samplonius (1984) is freelance journalist. Ze heeft een vaste rubriek in VIVA en coördineert jaarlijks de VIVA400-lijst; een lijst met 400 succesvolle en inspirerende vrouwen. Ze schrijft voor Cosmopolitan, Marie Claire, Crimezone.nl en Volkskrant Magazine.
In juni debuteerde ze met 'Koelcel', een vlot geschreven thriller over Sara, een jonge vrouw die vermoedt dat ze is gedrogeerd en verkracht door haar collega Marcel. Ze gaat op onderzoek uit. Maar dan wordt Marcel dood aangetroffen in zijn douche. Twee rechercheurs van de Amsterdamse politie onderzoeken – net als Sara – zijn dood. 'Koelcel' staat op de shortlist van de Hebban Crimezone Debuutprijs 2014.

Linda schreef een spannend kort verhaal voor de verhalenbundel 'Het cadeau'. In deze verhalenbundel tref je dertien spannende verhalen aan van bekende Nederlandse thrillerauteurs zoals Marelle Boersma, Judith Visser, Linda Jansma en Svea Ersson. Exclusief op Hebban Kort kun je nu online het verhaal van Linda Samplonius lezen.


Harteloos


(c) 2014 Linda Samplonius

Het was zachtjes gaan sneeuwen en met trage bewegingen sloegen de ruitenwissers het witte poeder van mijn voorruit. Ik had geluk, er was nog een parkeerplaats vrij vlak bij de personeelsingang. Met een soepele draai parkeerde ik de auto achteruit het vak in. Ik zette de motor uit en liet mijn hoofd tegen de hoofdsteun rusten. Even bleef ik zo zitten. Maar het werd al snel koud en vochtig in de auto.
Ik haalde diep adem, pakte mijn tas van de bijrijderstoel en liep het ziekenhuis binnen. Twee arts-assistenten en vier verpleegkundigen stonden al rond het koffiezetapparaat. Met hen moest ik de avond doorkomen.
Ik liep door naar mijn kleine kantoor en zette mijn handtas in de hoek. Daarna pakte ik de witte jas van de kapstok. De obductie op Bente was al twee uur gaande. De verpleegkundige had me gebeld, ze zouden zo aan haar hart beginnen.
Zou ik het doen? Kon ik dit aan? Ik keek even in de spiegel en daarna op de klok: kwart voor twee. Mijn dienst begon over een kwartier.
Ik was het rumoer van de Spoedeisende Hulp gewend, en in deze gang was het akelig stil. Het leek ook altijd of het licht hier wat gedimd was. Of was dat onzin? Mijn schoenzolen knarsten op de vloer. In deze uithoek van het ziekenhuis kwamen geen patiënten of bezoekers. Zelfs een deel van het ziekenhuispersoneel meed deze gang. Ik hield me het liefst ook ver van de doden. Als er iemand op mijn afdeling overleed, bracht een verpleegkundige het stoffelijk overschot naar de koelcellen.
Ik liep door naar het mortuarium. Door het raam zag ik haar liggen. Haar krullende blonde haren lagen als een waaier uitgespreid over de ijzeren tafel. Haar azuurblauwe ogen waren gesloten. Ze was naakt. Haar benen lagen iets van elkaar. Het liefst zou ik mijn armen om haar heen willen slaan en haar zachtjes heen en weer willen wiegen. Ik keek even naar haar slanke lichaam, daarna duwde ik de deur open en liep ik zelfverzekerd de ruimte binnen.
‘Goedemiddag,’ zei de patholoog-anatoom terwijl hij me van over zijn mondkapje aankeek. ‘En u bent?’
‘Laura van de Berg, arts Spoedeisende Hulp. Ik was bij deze patiënt betrokken.’
De arts knikte kort. Hij had haar lichaam al opengesneden.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe haar borstkas helemaal open lag. De afgebroken ribben lagen naast haar op een tafel. Een muffe lucht ontsteeg uit haar lichaam. Gal werd in mijn keel omhooggestuwd en ik moest moeite doen om niet over te geven. Ik keek weg van het lichaam.
De twee jongens die naast me stonden waren jong. De een zag er wat suffig uit met een rond brilletje en een smal gezicht. Bij de ander piepten donkere krullen speels onder zijn hoofdkapje vandaan. Hij had een gebruinde huid en groene ogen. Ik herkende hem als de arts-assistent die twee dagen geleden ook bij de operatie op Bente was. Hij keek even naar me op, maar gaf geen blijk van herkenning.
Bente had al vanaf haar geboorte een gaatje in de wand tussen de hartkamers. Deze operatie had een redelijk simpele procedure moeten zijn. Ze zou weer wakker worden en verdergaan met haar leven. En nu lag ze voor me, opengesneden op een ijzeren tafel. Haar leven was haar zomaar ontnomen.
Haar laatste blik zal ik nooit vergeten. Haar blonde haar was weggewerkt onder het haarkapje, en ze keek me glimlachend aan toen de deur van de ok voor mijn neus dichtklapte.
Nog geen uur later renden twee artsen over de gang. Ik had mijn moeders hand gepakt en er even in geknepen. Niet veel later kwam dokter Cluytmans naar ons toe, de cardiothoracaal chirurg die Bente had geopereerd. ‘Het spijt me,’ had hij tegen mijn ouders gezegd. ‘Er was een complicatie, uw dochter heeft het niet gered.’
Op dat moment verstomden de ziekenhuisgeluiden. De tikkende klok hoorde ik niet meer, de schoenen van het personeel op de linoleumvloer, de witte jassen zag ik niet. Ik zag niets meer. Alsof er een cocon over me heen werd getrokken en vacuüm werd gezogen. Ik hoorde op dat moment alleen een piep, een hele hoge piep.
Tranen schoten in mijn ogen en ik balde mijn vuisten, zo hard dat mijn nagels rode afdrukken achterlieten in mijn handpalmen. Ik slikte mijn verdriet weg. Wat was er precies gebeurd op de ok? Het zou gewoon een routineklus zijn, wat was er misgegaan? Ze was pas 25!
Juist daarom had ik mijn vader ertoe bewogen deze obductie aan te vragen.
‘Het blijft fascinerend,’ zei de jonge arts met het ronde brilletje. Hij keek naar de organen die als een tros bananen boven de inmiddels lege buikholte van Bente hingen, ze werden bij elkaar gehouden door de aorta, die normaal gesproken aan de voorzijde van de ruggenwervel loopt. De arts legde de organen op een snijplank. ‘Goed, het hart dus.’
Hij sneed het hart los en spoelde het schoon in het waterbassin dat aan het voeteneind van de ijzeren tafel stond. Hij controleerde de hartslagader en zei: ‘Geen bloedproppen.’ Daarna testte hij de hartkleppen. ‘In orde,’ zei hij terwijl hij een klein knikje gaf. Hij draaide het orgaan in zijn hand en keek er onderzoekend naar. ‘Ik zie niets dat duidt op een fout die gemaakt zou kunnen zijn tijdens de operatie.’
Ik keek teleurgesteld naar mijn schoenen. Waaraan was Bente dan overleden? Ik werd afgeleid door een zachte piep die uit de zak van mijn doktersjas kwam en keek op mijn pieper: de Spoedeisende Hulp. Mijn dienst was al een half uur geleden begonnen. ‘Verdorie.’ De woorden ontsnapten uit mijn mond.
De arts keek me verbaasd na toen ik de ruimte uitliep. Ik gooide mijn mond- en hoofdkapje in de afvalbak en rukte de strik los zodat ik bevrijd werd uit het groene schort. Nog een keer keek ik achterom. Een gevoel van onmacht overspoelde me. Bente, mijn liefste Bente, wat is er in godsnaam met je gebeurd?

‘Over twee minuten verwachten we mevrouw Nowak,’ zei Evert, de arts-assistent, toen ik de afdeling op kwam lopen. Hij stond op toen hij me zag en vervolgde: ‘Ze is zevenenzestig jaar en heeft vijf dagen geleden een bypass gehad. Postoperatief ongecompliceerd verloop en ze is gisteren in goede conditie ontslagen. Nu ligt ze in de ambulance met pijn op de borst, benauwdheid en een lage bloeddruk.’
Ik sloot mijn ogen en liet mijn hoofd op de balie rusten. Een bypassoperatie, daar was een cardioloog voor nodig. Of een cardiothoracaal chirurg.
Evert maakte een bed in orde en wachtte bij de ingang. Ik zag hoe de brancard naar binnen werd gereden en hoe de patiënt op bed 4 werd getild. Ik liep ernaartoe. De vrouw zag er broos uit. Haar grijze haar plakte tegen haar voorhoofd. Haar huid was bleek en grauw. Bij haar oksels zag ik vochtplekken.
‘Ze heeft een lage bloeddruk, zeventig over dertig,’ zei de ambulancebroeder.
Ik keek Evert aan.
‘Ik vermoed vocht achter de longen,’ zei hij, ‘Of een tamponade, een bloeding bij het hartzakje. Dat is een veelvoorkomende complicatie na een CABG.’
Ik knikte goedkeurend. ‘Vraag alvast een hartfilmpje aan, doe een bloedonderzoek en maak een foto van de longen. Laat het me weten als ze verslechtert,’ zei ik en ik liep weg van het bed. ‘En piep de cardiothoracaal chirurg alvast op,’ riep ik over mijn schouder. ‘Wie heeft er dienst?’
‘Robert Cluytmans,’ zei Petra, de verpleegkundige die ook naast het bed stond.
Even bleef ik als versteend staan.
‘Mevrouw Van de Berg, er komt zo een spoedgeval binnen, blijft u nog even in de buurt?’ vroeg Petra.

De dienst was rustig begonnen, maar algauw kwamen zes patiënten bijna tegelijkertijd binnen en was iedereen aan het rennen.
Na het laatste bezoekuur veranderde het ziekenhuis langzaam in een ingeslapen stad. De meeste patiënten waren zo goed als stabiel en ik liep terug naar het mortuarium. Er was niemand meer in de ruimte, de patholoog-anatoom was vast al naar huis. Ik keek rond. Twee muren waren wit betegeld, tegen de twee andere tegenover elkaar liggende muren bevonden zich de gekoelde lades achter roestvrijstalen deuren. Op elke deur zat een vierkant venster met een nummer. Ik scande de namen en patiëntnummers tot ik Bentes initialen zag: B.J. de Vries. Even hield ik mijn hand op de hendel, toen opende ik de deur. Ik trok de lade met het lichaam naar me toe en schoof de witte doek opzij. Ik keek naar haar porseleinen huid en haar breekbare gezicht. Ik legde mijn hand op haar arm. Tranen stroomden over mijn wangen, mijn schouders schokten. Minstens tien minuten bleef ik zo staan voor ik een kus op haar blonde krullen drukte en het witte laken weer over haar heen trok. Toen schoof ik haar weer terug de koelcel in en pakte de papieren die in het venster van de deur stonden.
Mijn ogen schoten over de regels. Ik schrok en las de alinea nog eens. Het stond er echt: de patholoog-anatoom had het hart eruit gehaald voor verder onderzoek.
Ik zakte langs de wit betegelde wand naar beneden, tot ik op de grond zat. Nogmaals las ik de aantekeningen door, van vooraf aan. Mijn verbazing werd groter naarmate ik de context beter begreep.
Ik stond op en liep het mortuarium uit, rechtstreeks naar de afdeling Cardiothoracale Chirurgie. Bij het kantoor van Cluytmans duwde ik de klink van de deur naar beneden en liep naar binnen. ‘Meneer Cluytmans, goed dat u al in het ziekenhuis bent. Wij moeten even praten.’
‘Nooit gehoord van kloppen, mevrouw…’ hij kneep zijn ogen samen terwijl hij naar mijn naamkaartje staarde. ‘Mevrouw Van de Berg?’
‘Doe nu niet alsof u iets om manieren geeft.’
Cluytmans trok een wenkbrauw op. ‘Wat komt u doen?’
Ik haalde diep adem. ‘Hoe kan mijn zusje overlijden tijdens een routineoperatie? Wat is er verkeerd gegaan? Ze was pas vijfentwintig.’ Een snik klonk door in mijn stem. Ik dacht aan de operatie, aan haar overlijden, aan de obductie en aan het hart dat niet meer in haar lichaam zat.
‘Ik zie dat u erg in de war bent. Laten we deze zaak even rustig bespreken.’ Cluytmans pakte wat dossiermappen op die voor hem op zijn bureau lagen en schoof ze aan de kant.
‘We hebben het niet over ‘een zaak’, beet ik hem toe, ‘het gaat over het overlijden van mijn zusje, Bente de Vries.’
Cluytmans verstarde. ‘Uw naam is Van de Berg, toch?’
Ik liet hem mijn trouwring zien, die aan een dunne ketting om mijn hals hing.
‘Vandaar,’ zei hij en zweeg een moment.
Ik wist niet goed waar ik moest kijken en bestudeerde zijn kantoor. De palm in de hoek, de beige gesauste muren waar zware fotolijsten aan hingen waarop hij geportretteerd stond met politici en bekende Nederlanders. Daarnaast hingen diploma’s ter ondersteuning van zijn uitzonderlijke staat van dienst. Het was een schril contrast met mijn kantoor, waar de muren strak wit waren en waar alleen een bureau stond met een computer. Hier lag een weelderig tapijt op de vloer waar de stoelpoten in verdwenen.
‘Het spijt me van uw zus,’ zei hij kalm. ‘Een vreselijke samenloop van omstandigheden.’
Ik keek hem aan, polsend of hij het meende. Dokter Cluytmans was geliefd bij zijn patiënten. Maar werd evenzoveel gehaat door zijn collega’s. Ik vond hem ook een nare man.
Hij boog zich voorover en keek me aan. ‘Ik ben niet verantwoordelijk voor het overlijden van uw zus. Ik ben cardiothoracaal chirurg en heb een aardige carrière opgebouwd zoals u misschien wel weet. Ik weet wat ik doe. Op welke afdeling werkte u ook alweer?’
‘Spoedeisende Hulp.’ Ik kon haast niet geloven dat hij me niet herkende. We hadden al een aantal keren samengewerkt en hij had me twee dagen geleden nog gezien, toen hij het vreselijke nieuws van Bente aan ons vertelde.
‘Kijk eens aan, dan bent u net als ik ook dagelijks bezig mensen beter te maken.’
‘Wat is er precies in die ok gebeurd?’ vroeg ik. ‘Heeft u misschien een fout gemaakt?’
‘Nonsens.’ Hij stond op van zijn stoel en liep om zijn bureau heen.
Cluytmans stond bekend als een brutale ijdeltuit. Hij had een arrogante houding, droeg net als nu altijd een bruine ribbroek en een overhemd dat eruit zag alsof het geperst was. En dan dat eeuwige vlinderdasje van hem.
Hij leunde tegen zijn bureau en keek op me neer. ‘Wie heeft u deze onzin verteld?’
‘Is het onzin?’ vroeg ik met lichte trilling in mijn stem. ‘Waarom heeft de patholoog-anatoom haar hart dan niet teruggeplaatst in haar lichaam na de obductie?’
‘Ik weet niet waar u zich allemaal mee bemoeit, maar ik zou niet weten waar u het over heeft.’
‘Ik…’ even stotterde ik. ‘Ik heb het net gelezen in de aantekeningen van de obductie die bij Bente in het mortuarium liggen. Haar hart is uit haar lichaam!’
‘Ah, dat.’ Hij keek me indringend aan. ‘Dat heb ik alweer teruggedraaid. Uw zusje is gestorven aan een complicatie tijdens de operatie. Dat zijn de feiten. Een onderzoek naar haar hart zal daar niets aan veranderen en is een aanslag op het budget van het ziekenhuis.’
‘Waar is haar hart nu?’
‘Goed bewaard en het zal op een nette manier worden verwijderd.’
‘U bedoelt dat het met al het organisch afval meegaat de oven in?’
‘Keurig gecremeerd, net zoals dat bij de rest van de organen en het weefsel gebeurt.’
‘Dat meent u niet!’
‘Dat is de procedure. Ik heb er al voor getekend.’
‘Wat?’ Als versteend bleef ik op mijn stoel zitten. ‘U heeft het over het hart van mijn zusje.’ Nijdig stond ik op en beende naar de deur.
‘Als ik u één ding mag adviseren,’ zei Cluytmans terwijl hij de deuropening blokkeerde. ‘Als ik u was zou ik die woede die u nu voelt loslaten, dat is niet goed voor het rouwproces.’ Hij keek me aan met een nare grijns op zijn gezicht.
Kwaad liep ik langs hem heen de gang op. Terug naar de centrale hal om me opnieuw naar het mortuarium te begeven. Bentes hart hoorde bij Bente.

‘Mevrouw Van de Berg, goed dat ik u tref. Ik heb u overal gezocht.’ Ik keek recht in het gezicht vol sproeten van Evert. ‘Ik heb u opgepiept, maar ik kreeg u niet te pakken. Het is een spoedgeval. De situatie van mevrouw Nowak verslechtert. Haar bloeddruk daalt verder, ze wordt benauwder en de bloedvaten in haar hals zijn opgezet. Ik twijfel wat ik moet doen. Wat denkt u? Zal ik adrenaline toedienen?’
‘Je moet eerst de oorzaak weten voor je het erger maakt,’ mompelde ik. ‘Laat een echo maken en kijk of ze een tamponade heeft. En piep Cluytmans op.’
Evert keek me met onderzoekende ogen aan.
‘Voelt u zich wel goed? U ziet nogal witjes.’
‘Het gaat prima met mij,’ zei ik. Ik wuifde hem weg. Hij bleef staan en keek me aarzelend aan.
‘Schiet op!’ riep ik, terwijl ik me omdraaide. ‘Ga die echo regelen.’
Hij boog zijn roodharige hoofd en rende op een drafje weg.
Ik liep door naar de trap naar beneden. Aan het einde van de gang hield ik mijn pas tegen de scanner. Met een zachte klik kreeg ik toegang tot de ruimte waar ik vandaag al twee keer eerder was geweest: het mortuarium. Ik knipte het licht aan keek rond. Waar zouden ze een hart bewaren?
Al zoekend liep ik het vertrek door, even legde ik mijn hand tegen de koelcel waar Bente in lag voor ik het kleine gangetje in liep naar de aangrenzende ruimte waar de pathologische onderzoeken werden verricht. Verbaasd keek ik naar de kier van de deur, waarachter duidelijk het licht aan was. Ik keek op mijn horloge. Het was kwart voor één ’s nachts.
Met een ruk opende ik de deur. Nog net zag ik iemand wegrennen door de andere ingang.
‘Hé!’ riep ik. Ik sprintte de persoon achterna, rende de gang op en keek om het hoekje. Was Cluytmans me voor geweest?
Overrompeld liep ik terug naar de afdeling Pathologie. Op de tafels stonden zes microscopen. Daar, tegen de muur aan de achterkant, zag ik een vrieskist waarvan de deur wagenwijd openstond. Op de planken lagen allemaal bakjes. Ik zag een lever, een nier, een hart. Er lagen wel vijf harten. Ik trok de la naar me toe en bekeek de organen. Eén hart was een stuk kleiner, waarschijnlijk van een kind. Waaraan zou het zijn overleden? Daarna pakte ik het hart met de initialen B.J. de Vries. Het patiëntnummer klopte met wat ik eerder had gelezen in haar dossier. Dit moest haar hart zijn.
Ik legde het plastic zakje met het hart in mijn hand. Het was kleiner dan ik had gedacht, het paste precies in mijn handpalm. Ik draaide het even om en bekeek de grote en de kleine hartkamer. Door het plotselinge geluid van mijn pieper schrok ik zo dat ik het bijna op de grond liet vallen.
Even legde ik mijn hand op mijn eigen hart. Vervolgens pakte ik mijn pieper. Een kreun ontsnapte uit mijn mond. ‘Kom op Evert, deal with it,’ fluisterde ik.
Ik keek naar Bentes hart. De patholoog-anatoom had er incisies in gemaakt en rechte lijnen doorkruisten de aderen. De kransslagader die normaal voor leven zorgde en vol zat met bloed, was nu leeg.
Snel legde ik alle bakjes weer terug op hun plaats en sloot de deur van de vriezer. Bentes hart zat luchtdicht verpakt en ik liet het in mijn doktersjas glijden. Niemand zou dit hart zomaar vernietigen. Dit hart hoorde bij Bente.
Weer ging die verdomde pieper. Ik pakte mijn mobiel.
‘Evert,’ zei ik toen hij opnam. Hij begon te ratelen. ‘Die mevrouw waar ik over vertelde, dat gaat echt niet goed. Ze ademt bijna niet meer, je moet komen. Ik krijg Cluytmans niet te pakken.’
‘Kom eraan,’ hoorde ik mezelf zeggen. Ik rende op mijn gympen door de gangen, één hand om het hart geklemd. Tien meter voor de klapdeuren naar mijn vertrouwde afdeling ging ik wat rustiger lopen om even op adem te komen.
‘Ik heb Cluytmans zeven keer opgepiept,’ zei Evert verontschuldigend terwijl ik de ruimte binnenliep. Hij krabde zenuwachtig op zijn hoofd, waardoor ik meteen de oorzaak van zijn wilde coupe had achterhaald.
Ik liep naar bed 4 waar de iele vrouw me hoopvol aankeek. Maar voor ik iets kon zeggen, werd het gordijn opzijgeschoven. Cluytmans keek me aan zonder een woord te wisselen. Ik keek uitdagend terug. Hij legde zijn stethoscoop op de borst van de broze vrouw.
‘Dit is dokter Cluytmans,’ zei Evert tegen de vrouw. ‘Hij is de beste hartchirurg die we hebben, hij weet vast wat er mis is met uw hart.’
Ik keek even toe en wilde vervolgens weglopen.
‘Mevrouw Van de Berg, blijft u er even bij? Ik geloof dat die rooie hier onder uw verantwoordelijkheid valt? Zeven keer oppiepen is een beetje overdreven, vindt u niet? Ik ben geen hond die na elk fluitje meteen kwispelend op u komt afgestormd. Of was u niet aanwezig op de Spoedeisende Hulp en laat u uw arts-assistenten beslissingen nemen waarvoor ze niet bevoegd zijn?’ Hij voegde er een grijns aan toe en vervolgde. ‘Waren uw gedachten misschien ergens anders? Bij wat u in uw zak heeft bijvoorbeeld?’
Mijn hand zat nog steeds krampachtig in de zak van mijn doktersjas.
‘Hoe bedoelt u dat?’
‘Wat heeft u daar in uw zak?’
‘Maak dat wat uit? Wat in mijn zak zit, is van mij.’
‘Maar wat er uit uw zak steekt, is eigendom van het ziekenhuis.’
Mijn blik gleed naar beneden en ik zag het stukje plastic met de naam van Bente boven mijn zak uit steken. Ik voelde hoe mijn wangen begonnen te gloeien. Evert keek me geschrokken aan.
‘Laten we dit even buiten bespreken,’ zei ik en ik trok het gordijn open.
Toen ik naar mijn kantoor liep, met Cluytmans in mijn kielzog, hoorde ik het alarm van de hartslagmeter hevig tekeer gaan.
‘Jongens, ze schiet in ventrikelfibrilleren!’ riep Evert.
Zowel Cluytmans als ik draaide om en sprintte terug naar het bed. Ik ontblootte haar borst, pakte het defibrilleerapparaat, plakte een pad links boven borst en een op de zijkant van haar lichaam en drukte op de knop. Het lichaam kwam met een schok omhoog, maar de hartslag bleef onregelmatig. Cluytmans begon met reanimeren. Ik stelde het apparaat nog een keer in en riep: ‘Bed los!’ De cardioloog deed een stap achteruit en zijn handen omhoog. Ik drukte nog een keer op de knop. We keken alle drie naar de hartslagmeter. Na een paar seconden kwam een langzame, regelmatige hartslag op gang.
Cluytmans pakte zijn stethoscoop. ‘Ah, mevrouw, daar bent u weer,’ zei hij toen de vrouw moeizaam haar ogen probeerde te openen. ‘We rijden u direct naar de operatiekamer.’
‘De anesthesist en uw arts-assistent staan al klaar in ok 1,’ zei Evert en hij ontgrendelde de wieltjes van het bed. Samen met de verpleegkundige trok hij het bed uit de kamer en reed haar naar de operatiekamer.
Cluytmans hing de stethoscoop terug om zijn nek en keek me geërgerd aan. Ik wilde weglopen, maar hij greep me bij de mouw van mijn jas. Hij drukte zijn imposante lichaam tegen me aan en fluisterde: ‘Er zijn grenzen aan mijn tolerantie en die heb jij vanavond ver overschreden. Dat zal je je carrière geen goed doen.’
Ergens deze nacht waren we opgehouden elkaar met u aan te spreken. Zijn bedreiging in combinatie met de sterke geur van zijn after shave maakten me misselijk. Ik wrong me los uit zijn greep en sprintte richting mijn kantoor.
‘Hé,’ riep Cluytmans me achterna. ‘Ik ben nog lang niet klaar met jou!’
Ik gooide de deur van mijn kantoor open. Snel, maar voorzichtig legde ik Bentes hart in mijn handtas. Ik trok mijn jas aan en voelde in de jaszak naar de autosleutel. Vervolgens keek ik door de lamellen de schaars verlichtte gang in, maar zag niemand.
Zo geruisloos mogelijk liep ik naar de personeelsuitgang. De klapdeuren door, nog vijftien meter en ik was bij de parkeerplaats. Vluchtig keek ik om, geen Cluytmans. Ik duwde de deur open. Het was donker buiten, en koud. Voor zover ik kon zien ijzelde het nog steeds. Even rilde ik.
‘Is het nu niet genoeg geweest?’ Ik keek over mijn schouder en verwachtte de cardioloog. Maar ik zag een gebruind gezicht en groene ogen. Donkere, wilde krullen. Een weerbarstige stem: ‘Je moet er eens mee ophouden, dat gesnuffel in andermans zaken.’
‘Andermans zaken?’ zei ik. ‘We hebben het over mijn zusje. Dit zíjn mijn zaken.’
‘U kende de patiënt?’ Even keek de jongeman me geschrokken aan. Ik zag hoe hij begon te blozen, maar zich snel herstelde.
‘Waar is het hart nu?’ vroeg hij me. De sneeuw maakte zijn witte overhemd vochtig op de schouders. Hij boog zich naar me toe.
‘Waarom is dat van belang?’ Ik keek hem dwingend aan. Wat had deze arts-assistent met de hele zaak te maken?
‘Ik ben niet bang voor je dreigementen,’ zei ik en ik ontgrendelde mijn auto.
Hij liep achter me aan. Opeens voelde ik zijn hand stevig op mijn schouder. Ruw draaide hij me om. ‘Dat zou ik maar wel zijn.’ Hij spuwde de woorden in mijn gezicht. ‘Jij gaat niet weg, voordat je dat hart aan mij hebt gegeven. En ik ben bereid ver te gaan, dus geef het nu maar gewoon.’
Het licht van de lantaarnpaal belichtte de bovenste helft van zijn gezicht waardoor een harde schaduw lag onder zijn spitsige neus.
‘Dat nooit.’
Hij liet mijn schouder los en trok hard aan het hengsel van mijn handtas. Maar ik verstevigde mijn greep en gaf hem in een reflex met al mijn kracht een knietje. Hij kromp ineen en vlug schoot ik mijn auto in.
Voorzichtig legde ik mijn tas op de bijrijderstoel en stak de sleutel in het slot. Ik draaide, en gaf een dot gas; de auto schoot naar voren. Ik stuurde naar links, maar de wielen blokkeerden en ik slipte door de ijzel. Mijn mooie cabriolet gleed opzij. Het lichaam van de jongen kwam steeds dichter bij de carrosserie van de auto, hij probeerde zich met zijn hand tegen de kilo’s staal te weren. Ik gaf gas en probeerde hem te ontwijken, maar de auto werkte niet mee. Ik had geen grip meer op de wielen en de arts-assistent sloeg met een klap tegen de zijkant van de auto. Daarna schoof de auto met een vaart tegen de lantaarnpaal. Ineens stond ik stil. Geschrokken keek ik naar links. Het gezicht van de jongen zat tegen mijn raam geplakt. Ik zag de grimas rond zijn mond en keek hem een paar seconden aan. Toen gaf ik opnieuw gas, waarop de auto naar voren schoot. Ik zag dat hij in elkaar zakte tegen de lantaarnpaal. Al slippend reed ik de parkeerplaats af.
‘Evert,’ zei ik met de telefoon tussen mijn schouder en mijn oor. ‘Ga naar de parkeerplaats, iemand heeft direct je hulp nodig.’
De wielen raakten weer in een slip en ik greep met mijn beiden handen stevig het stuur vast. Mijn telefoon viel op de grond en ik remde hard. De auto begon te spinnen om zijn as en ik zag de betonnen paal waar de slagboom voor de uitgang aan vast zat op me afkomen. In een split second kromp ik ineen. Ineens was daar een harde klap waardoor mijn lichaam tegen de voorruit werd gesmeten.
Even was alles om me heen stil. Ik probeerde mijn hoofd op te tillen, maar het duizelde me. Mijn zicht was wazig. Mijn armen voelden als lood. Ik bleef stil zitten en voelde hoe een warme gloed zich door mijn lichaam verspreidde. Net voor ik wegdommelde besefte ik dat iemand over me heen leunde en iets tegen me zei. Maar ik hoorde niet meer wat.


‘Laura?’
Ik hoorde mijn naam, maar het geluid klonk van ver.
‘Mevrouw Van de Berg.’
Mijn lichaam voelde zwaar, ik voelde dat ik in een comfortabel bed lag en bemerkte een hand op mijn arm.
‘Laura, je kunt wakker worden.’
Langzaam opende ik mijn ogen. Verdwaasd keek ik naar het plafond. Ik draaide mijn hoofd. De gordijnen waren gesloten en ik zag rechts van me een kleine lichtbron. Ik keek in het gezicht van Evert.
‘Fijn dat je er weer bent, Laura.’ Hij keek me aan. Donkere wallen kleurden zijn gelaat. Zijn gekreukte jas gaf hem iets kwetsbaars.
‘Wat is gebeurd?’ bracht ik er fluisterend uit.
Hij pakte een kruk en schoof die naast mijn bed. Ik keek om me heen en herkende de intensive care. ‘Je hebt een auto-ongeluk gehad. Je hebt twee dagen in coma geleden,’ zei Evert. ‘Ik ben blij dat je er weer bent.’
Ik staarde naar het plafond en dacht na. Vlagen van herinneringen kwamen terug. De obductie van Bente, het gesprek met Cluytmans, het hart! Vragend keek ik hem aan. Ik probeerde rechtop te gaan zitten.
‘Doe dat maar niet,’ zei Evert en hij legde zacht zijn hand op mijn schouder. ‘Je hebt een flinke hersenschudding en vier gebroken ribben. En je hebt ook aardig wat kneuzingen over je lichaam. Maar het komt goed, je hebt geen onherstelbare schade opgelopen.’
Opgelucht liet ik me in het kussen zakken.
‘Je hebt heel wat teweeg gebracht de afgelopen dagen,’ zei hij. ‘Wacht,’ vervolgde hij ineens. ‘Word jij eerst maar even rustig wakker, ik heb een cadeau voor je. Het is wel geheim, maar het is midden in de nacht, ik kan het je nu wel geven. Ben zo terug.’ Hij stond op en liep kordaat de kamer uit.
Zoals opgedragen door Evert bleef ik rustig liggen. Even tilde ik mijn hand een klein stukje op, een pijnscheut ging door mijn lichaam. Voor mijn gevoel duurde het een eeuwigheid voor Evert terug was. Toen hij weer binnenkwam zag ik de orgaanbox in zijn handen. Hij zette hem naast me op bed en maakte hem open.
‘Aan niemand doorvertellen,’ zei hij en hij pakte een dichtgeseald plastic zakje waar een hart in lag. Hij vouwde mijn hand tot een kommetje en legde het hart erin.
‘Het is niet verloren gegaan,’ zei hij. ‘Je kunt haar lichaam compleet begraven.’
Ik keek hem aan. Mijn ogen vulden zich met tranen.
‘Hoe kom je hier aan?’
Je hebt me gebeld, vlak voor je crashte, weet je nog? Ik ben meteen gekomen. De brandweer heeft je uit je auto moeten knippen. Ik heb je tas meegenomen. Sorry dat ik erin heb gekeken, ik zocht je telefoon of een agenda om het nummer van je man op te zoeken. En toen vond ik het hart.’
‘Hoe is het met…’
‘Die jongen met die krullen? Marijn Visser heet hij. Die ligt ook op de intensive care, met inwendige bloedingen en een verbrijzelde rechterarm. Hij zal nooit meer in een ok staan.’
Verbaasd keek ik hem aan.
‘Hij is degene die de operatie op Bente heeft uitgevoerd. Cluytmans was weggelopen uit de operatie. Het was een simpele procedure en hij liet Visser solo gaan. Maar die kerel heeft duidelijk nog wat meer vlieguren nodig. Het spijt me Laura, hij heeft een klungelige fout gemaakt. Er loopt nu een intern onderzoek.’
‘Maar waarom kwam hij mij achterna?’
‘Hij was bang dat hij zijn opleiding niet meer af kon maken en wilde het bewijs, het hart, wegwerken. Maar toen hij het wilde pakken, stond jij ineens bij Pathologie. Dat had hij niet verwacht. Hij besloot je te volgen en… Nou ja, de rest weet je.’
‘En Cluytmans?’
‘Die is meteen op non-actief gesteld. En waarschijnlijk heeft hij een rechtszaak aan zijn broek hangen als bewezen is dat hij die arts-assistent echt een operatie heeft laten uitvoeren waar hij niet bevoegd voor was. Dat deed hij blijkbaar met enige regelmaat. Maar niemand durfde er wat van te zeggen omdat hij vrienden heeft in de Raad van Bestuur.’
Enkele minuten waren we allebei in onze eigen gedachten verzonken.
‘Genoeg indrukken voor nu,’ onderbrak Evert de stilte. ‘Rust maar uit. Ik bel je man en ouders in de ochtend dat ze langs kunnen komen. Hij stond op en pakte voorzichtig het hart uit mijn hand.
‘Wat ga je daarmee doen?’
‘Bewaren,’ zei hij met een glimlach om zijn lippen. ‘Tot jij weer beter bent.’
‘Dank je,’ fluisterde ik.
Hij knikte en liep zachtjes de deur uit. 

Dit verhaal is opgenomen in de verhalenbundel 'Het cadeau' die in november 2014 is verschenen bij De Crime Compagnie.


Linda Samplonius (1984) is freelance journalist. Ze heeft een vaste rubriek in VIVA en coördineert jaarlijks de VIVA400-lijst; een lijst met 400 succesvolle en inspirerende vrouwen. Ze schrijft (en heeft geschreven) voor Cosmopolitan, Marie Claire, Crimezone.nl en Volkskrant Magazine.
In juni debuteerde ze met 'Koelcel', een vlot geschreven thriller over Sara, een jonge vrouw die vermoedt dat ze is gedrogeerd en verkracht door haar collega Marcel. Ze gaat op onderzoek uit. Maar dan wordt Marcel dood aangetroffen in zijn douche. Twee rechercheurs van de Amsterdamse politie onderzoeken – net als Sara – zijn dood. 'Koelcel' staat op de shortlist van de Hebban Crimezone Debuutprijs 2014.

www.lindasamplonius.nl
twitter: @LindaSamplonius



Over de auteur

Hebban Crew

1669 volgers
3 boeken
3 favoriet


Reacties op: Kort verhaal: Harteloos van Linda Samplonius

 

Gerelateerd

Over

Linda Samplonius

Linda Samplonius

Linda Samplonius (Son en Breugel, 1984) is auteur en freelance journalist. In 20...