Hebban vandaag

Interview /

San Bos: 'Mijn innerlijke criticus is streng'

Tot drie keer toe won ze Duizendwoorden, de schrijfwedstrijd van het VPRO-radioprogramma De Avonden. Haar verhalen werden gepubliceerd in Dagblad Trouw en NRC Handelsblad, maar ook in de literaire tijdschriften De Revisor, Bulkboek, Schrijven Magazine, Op Ruwe Planken, Ballustrada en KortVerhaal. Ze verschenen bovendien in tal van verhalenbundels. Wat nog ontbrak was een verhalenbundel geheel van eigen hand. Met het recent door Nieuw Amsterdam uitgegeven ‘Je moet wat’ heeft San Bos weer een mijlpaal bereikt. Wie is deze schrijfster van wie we ongetwijfeld nog veel gaan horen?

Je hebt aan de Toneelschool gestudeerd en op de bühne gestaan. Pas enige tijd later besloot je korte verhalen te gaan schrijven. ‘Acteren en schrijven zijn twee disciplines die elkaar prima aanvullen,’ merkte Elle van Rijn eens op. Ervaar jij hetzelfde?
Natuurlijk hebben schrijven en acteren beide te maken met het kijken naar de mens, zijn emoties en het weergeven daarvan. Het je totaal kunnen inleven in het bestaan van een ander. Mijn, overigens zeer korte acteergeschiedenis, was meer een zoeken. Ik voelde wel dat ik iets met woorden en emoties wilde, maar hoe ik dat het beste kon vormgeven wist ik niet. Ik speelde in het toneelstuk Biografie van Max Frisch; een man krijgt de kans zijn leven over te doen en alles anders te doen. Toch doet hij steeds hetzelfde. Ik had die zoektocht naar het schrijven nodig. Het leven met hoogtepunten en tegenvallers is uiteraard een natuurlijke inspiratiebron. Juist door dingen te doen die niet bij je passen leer je jezelf goed kennen. Je komt in situaties die schuren en ongemakkelijk zijn en over dat gevoel schrijf ik graag.

Je volgde een aantal schrijfcursussen. Voor wie nog altijd twijfelt over het nut van zo’n cursus: hoe groot is het belang van professionele begeleiding bij jou geweest?
Het heeft mijn schrijven vaart gegeven. Theorie kun je uit boeken halen. Familie en vrienden kun je beter niet om commentaar op je verhalen vragen, ze zullen mild zijn en je sparen. Vooral het kritisch bespreken en analyseren van verhalen heeft mij zeer geholpen. Zeggen dat je een verhaal goed vindt of niet is niet voldoende. Je moet o.a. verwoorden en heel precies aangeven waar en waarom een verhaal je pakt of waar het je loslaat. Je leert gedegen en onderbouwde feedback te geven op verhalen van medecursisten en daardoor leer je ook scherp naar je eigen werk te kijken. Je verhaal besproken krijgen verbreedt je blik. Je leert je valkuilen ontdekken. Je krijgt veel schrijvers en specifieke verhalen aangereikt. Natuurlijk creëer je zelf inzichten die bij je passen, waar je iets aan hebt. Het hongerige gevoel naar nieuwe leeservaringen had ik al, maar eenmaal op het spoor gezet van kritisch lezen geeft dat een nieuw soort begeerte. Ik zie kritisch lezen en verhalen selecteren als een soort medicijnpotje. Wil je zien hoe een meester van de zachte overgangen het doet, lees Intimiteit van Hanif Kureishi. Wil je mooie Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden lees Simon Carmiggelt. Wil je no tricks, no lies verhalen lees Carver etc, etc.
Natuurlijk kun je alles zelf ontdekken en doen, er zijn meer dan genoeg schrijvers die dat hebben bewezen. Een schrijfcursus kan je aanzetten om echt aan de slag te gaan, mijn schrijven was altijd een sluitpost, maar nu moest ik deadlines halen en leerde ik te blijven zitten tot het er staat, zoals Kees van Kooten het zegt. Zoek naar een goede docent/schrijfschool. Een slechte docent kan veel stukmaken. Er bestaat een theorie over waarom het schrijfonderwijs in Nederland zo vreemd lijkt. In de middeleeuwen kon je in de leer bij schilders, dakdekkers en broodbakkers. Schrijven was iets voor een kleine groep. Een elite groep, edelen en wat geestelijken. Onbereikbaar voor de gewone man. Schilders waren er wel, je kon bij een schilder in de leer gaan. Nu hebben we een kunstacademie, een conservatorium en de balletacademie. Natuurlijk heb je autodidacte kunstschilders en veel kunstschilders maken de academie niet af. Toch is schrijven, lijkt het, blijven hangen in dat kleine onbereikbare groepje. In Amerika, dat een veel jongere geschiedenis heeft qua cultuur en vakopleidingen, is creative writing net zo gewoon als toneellessen of schilderles. Schrijven kun je niet leren. Al neem ik acht jaar privé balletles, een prima ballerina zal ik niet worden. Je moet al iets van aanleg of talent hebben. Je moet een manier van kijken hebben maar ook de juiste houding. Met talent maar zonder zitvlees ga je het niet redden. Schrijven moet je vooral veel doen. Alleen als je vóór de wind vaart kun je de spinaker hijsen of te wel, mijn schrijven heeft meer vaart gekregen door een schrijfcursus te volgen.

In een interview met de Amerikaanse auteur Charles D’ambrosio vroeg je hem wat hij beginnende schrijvers adviseert. Wat adviseer jijzelf deze schrijvers?
Lees veel. Kijk veel om je heen en probeer te voelen wat voor zinnen situaties uit het dagelijks leven bij je oproepen. Wat voor woorden roept de man die tegenover je zit in de trein bij je op, wat voor zinnen passen er bij het gezicht van de vrouw achter de toonbank, probeer zinnen te horen die heel diep bij je vanbinnen ontstaan. Luister naar je eigen toon, je eigen geluid. Het is iets dat je kunt trainen door het veel te doen en toe te laten ook al is het soms vreemd en raar. Probeer zintuiglijke sensaties vast te houden, hoe voelt de wind aan je hals, het scherpe randje van je fietsbel. Je moet veel schrijven, maar als je niet fysiek kunt schrijven kun je in je hoofd er wel mee bezig zijn. Kijk naar films, hoe is het verhaal opgebouwd, wat is de openingsscène en begrijp je achteraf waarom, etc. etc. Schrijven en over verhalen denken moet iets worden waar je steeds mee bezig bent.

‘Ramen lappen’, je allereerste verhaal, verscheen in 2005 in dagblad Trouw en niet veel later in een verhalenbundel van uitgeverij De Geus. Had je dit succes zien aankomen? Was het een extra stimulans om door te schrijven?
Het was heel bijzonder om mee te maken. Ik dacht, je moet eerst duizend keer een afwijzing hebben gekregen maar het stond ineens in de krant en niet veel later in de bundel. Mijn verhaal in druk te zien smaakte meteen naar meer. Ik ben een hele voorzichtige inzender. Verhalen moeten rijpen, ik moet schaven en het in verschillende gemoedstoestanden lezen en herlezen en herschrijven. Ik ben niet gauw tevreden en stuur maar af en toe iets op. Mijn innerlijke criticus is streng.

Voor VPRO radio deed je ooit de uitspraak dat wat jou betreft een verhaal niet echt een kop, midden of staart hoeft te hebben, als je maar het leven van een personage binnen kunt stappen en een indruk kunt achterlaten. Een open einde bijvoorbeeld moet kunnen?
Absoluut. Een tekening van Peter van Straaten is voor mij ook een heel verhaal. Ik onderschat een lezer niet, het einde hoeft zeker niet altijd ingevuld te worden. Ik vind het zelf heel vervelend als alles ingevuld en ingekleurd is. Je mag me als lezer dingen aanwijzen, maar niet bij de hand nemen.

In ‘Je moet wat’, je zojuist verschenen verhalenbundel-debuut, is het menselijk onvermogen de rode draad van vrijwel elk verhaal. Wat fascineert je zo aan onze tekortkomingen?
Een kort verhaal moet pijnlijk zijn, knagen en schrijnen maar mag tegelijk ook humoristisch zijn. Raken aan pijnplekken, het op scherpzetten van situaties, inzoomen en uitvergroten van emoties. Vooral als je ziet dat het misgaat grijp je de lezer vast.

Zien we het menselijk onvermogen ook terug in de gedichten die je schrijft en voordraagt, of wisselt het thema daarin sterk?
Gedichten schrijf ik zelden, ze dienen zich niet vaak aan. Mijn vader had een lang sterfbed. Hij sprak niet meer. Ik ben een woorden-mens dus kwamen er zinnetjes, gedichten op kladblaadjes die ik schreef terwijl ik naast hem zat. In die stilte kon ik heel dicht bij hem komen. Toch nog een hele conversatie. Kennelijk komen gedichten alleen in uitzonderlijke gevallen op mijn weg.

De ik-personen in ‘Je moet wat’ zijn nogal ondervertegenwoordigd. Toeval of met een duidelijke reden?
Het kiezen van het perspectief is een van de belangrijkste keuzes die je moet maken. Het is de relatie die je als schrijver aangaat met je personage. Het is bij mij een buikgevoel, als het vertelperspectief niet goed is klopt het hele verhaal niet. Het wordt een slijtageslag, alles moet opnieuw. Het perspectief is een krachtig gereedschap waarmee je de blik van lezers stuurt. Bij mij werkt het vaak beter als ik tegen een personage aan kijk, dan heb ik het gevoel meer te kunnen laten zien. Soms is het bijna claustrofobische van de ik-vorm beter. Met het kiezen van het perspectief kies je voor de vorm waarin je het verhaal het beste kunt laten zien; zoals het scherpstellen bij het maken van een foto. Heel dichtbij of iets verder weg.

Wat opvalt is dat je in niet één van de vijftien verhalen een plaatsnaam, provincie of streek noemt. Een goed verhaal kan gemakkelijk zonder?
Geen plaatsnamen noemen heeft voor mij twee functies. Het verhaal wordt groter als je het niet vastpint aan een stad of een dorp. Ik schreef voor de VPRO het verhaal 'Geluk' over een man in een rolstoel in een haven. Voor mij was het IJmuiden, maar een lezer was er vast van overtuigd dat het Scheveningen was. Voor die lezer kwam het verhaal dichtbij doordat hij iets herkende, al was dat niet wat ik voor ogen had. Als je alleen de plek laat zien zonder het te benoemen wordt het verhaal van iedereen. Met details ben ik graag heel specifiek, maar waar zich iets afspeelt mag van mij iedereen zelf invullen. Tenzij ik er een bedoeling mee heb, dan noem ik wel namen van plaatsen. Punt twee is dat je je geen enkele fout kunt permitteren als je plaatsnamen noemt. Verhaal je over een basiliek in de stad terwijl het een kathedraal is, dan verlies je direct een deel van je lezers. Je haakt af als je een fout ontdekt. Ook al is het fictie, alles moet kloppen.

In het verhaal ‘Borg’ betreden we de wereld van de scheepvaart, wat ergens logisch is daar je bent opgegroeid op een binnenvaartschip. In hoeverre heb je nog meer eigen ervaringen verwerkt in de verhalen?
Ik hou van het gebruik van coulour locale in mijn verhalen. Vaak haal ik dat uit mijn eigen omgeving, al hoeft het verhaal totaal niets autobiografisch te hebben. Ik ben geen man die geadopteerd is zoals in het verhaal 'Borg' uit mijn bundel Je moet wat, maar ik kon hem wel goed kwijt in een sfeer die ik ken uit mijn jeugd. Voor andere verhalen, zoals in Klein Naturalis, de overledenenverzorger en de taxidermist, heb ik de informatie puur gehaald van internet en uit gesprekken met mensen die dat werk doen. Research vind ik heerlijk om te doen, uitpluizen wat vaktechnisch mooi, of eng of smerig is. Google zal wel vreemd opkijken als ze ooit mijn account uitpluizen.
Ik vraag me overigens vaak af hoe iets zou zijn, ik verplaats me graag in anderen. Ook al zijn dat vaak situaties en omgevingen waar ik eigenlijk bang voor ben of een afkeer voor voel. Ik vind het bovendien fijn mijn personages handelend weer te geven. Dat is natuurlijk ook doelmatig als je maar weinig woorden wilt gebruiken. Je zet snel sfeer en karakter neer.

Met welk verhaal uit de bundel heb je het meest op en waarom?
Ik heb geen echte lieveling. Elk verhaal heeft iets voor mij. Ik had 25 verhalen liggen voor deze bundel. We hebben er 15 opgenomen en bij elk verhaal dat er uit ging dacht ik, jammer. Het is een goede keuze geweest. Ondanks de variëteit resoneert er iets tussen de uitgekozen verhalen. Bij het laatste verhaal uit de bundel, 'Groet', zei mijn redactrice Janneke Louman dat ze even een soort snik gevoelt had. Dat doet mij wat. Ik vind het fijn als verhalen een emotie oproepen. Ook is het fijn als mensen er iets uithalen waar ik me niet bewust van was. Of iets herkennen dat ik er niet doelbewust in heb geschreven. Ik denk zelf bijvoorbeeld het verhaal gaat over eenzaamheid en dan zegt iemand het gaat over liefde.

Staat er een nieuwe bundel, of misschien wel een roman, op stapel waarover je een tipje van de sluier wilt oplichten?
Ik zit boordevol ideeën voor romans en voor verhalen. Een deel daarvan ligt in een eerste versie klaar. Omdat een roman zo heel anders is dan een kort verhaal zal ik me ook dat genre eerst goed eigen moeten maken. Dus herschrijven, rijpen en nog eens herschrijven. Het korte verhaal zal altijd mijn grote liefde zijn. Het compacte, het doelgerichte daarvan. Verhalen dienen zich aan en moeten dan opgeschreven worden. Dat is niet tegen te houden. Schrijven is het liefste wat ik doe, dus geen probleem… aan de slag!



Over de auteur

Jean-Paul Colin

176 volgers
21 boeken
17 favoriet
Auteur


Reacties op: San Bos: 'Mijn innerlijke criticus is streng'

 

Gerelateerd

Over

San Bos

San Bos

San Bos (1965) schreef korte verhalen voor o.a. De Revisor, KortVerhaal, NRC Handelsblad, Trouw, Bulkboek, Ballustrada en Schrijven Magazine. Ze won diverse prijzen. Ook was zij redacteur voor www.sho...