Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Sneak Preview: Het kwalijke geheugen van Marc Peirs

door Hebban Crew 1 reactie
Marc Peirs (1966) is journalist bij de VRT. Bij Manteau verschijnt in maart 'Het kwalijke geheugen', het eerste deel in een thrillerreeks rond de eigenzinnige Gentse commissaris Victor Vansina. Op Hebban lees je alvast een voorproefje.

Over Het kwalijke geheugen

In het anders zo vredige dorpje Kluisbergen wordt een hoertje brutaal vermoord. Een warrig briefje met een uitdagende boodschap is het enige begin van een spoor voor de Gentse commissaris Victor Vansina. Samen met zijn kleurrijke speurdersteam en zijn vriendin, radiojournaliste Lydia Blauw, strijkt Vansina neer in een winters Kluisbergen. Maar dan ontspoort de zaak helemaal. Een toppoliticus uit de streek wordt vermoord. Weer zet een verwarde tekstflard de speurders op weg, maar is het de juiste weg? Het wordt steeds duidelijker dat niets is wat het lijkt in het rustige Kluisbergen. Oude wonden, taaie geheimen en nieuwe rivaliteiten teisteren de dorpsgemeenschap en maken het werk voor Vansina en zijn ploeg aartsmoeilijk. Intussen worstelt de commissaris met privédemonen die te maken hebben met geld, liefde en familie.

Sneak Preview

‘Dag Vanessa 75E.’ De joggende man zei het zachtjes, bijna prevelend, terwijl hij haar inhaalde. Vanessa 75E dacht: jezus, een klant, hier, of all places, en ze bedwong een zucht. Al haatte ze het wanneer haar beroepsleven haar dagelijkse bestaan binnenglipte, ze glimlachte professioneel. Ze bleef een rustige, vastberaden joggingtred aanhouden. De man bleef zonder zichtbare inspanning even naast haar lopen en zei, harder nu, net voor hij versnelde en via een zijpadje dieper het Kluisbos in dook: ‘Of moet ik zeggen: dag Karen Meganck?’

Hoe weet die kerel mijn echte naam?’ dacht Vanessa, alias Karen, geschrokken. Ze begon sneller te lopen, ook al omdat het weer steeds slechter werd. De plots opgekomen hevige najaarsregen en harde wind geselden de beuken en verplichtte die hun laatste bladeren massaal te lozen. De regen kleurde de donkergroene stammen nog een tint donkerder. Ze leken nu zwarte zuilen met grillige, zwiepende kruinen.

Karen hijgde, maar hield een straf tempo aan. Weer of geen weer, drie keer per week kwam ze in het Kluisbos joggen. De ideale manier om haar hoofd leeg en haar figuur strak te maken. Precies dat strakke figuur, en vaak ook dat lege hoofd, kwamen prima van pas in haar job als luxeprostituee in Villa Patrijzenhof aan de voet van de Kluisberg, het erotische paradijs waar zowat alle zakenlui, politici, journalisten en parvenu’s van de Vlaamse Ardennen kind aan huis waren.

In het gordijn van regen zag ze plots het silhouet van een joggende man voor zich uit lopen. De grijze Lonsdale-capuchon, de zwarte broek die tot de knieën reikte. Geen twijfel mogelijk: dit was dezelfde jogger als daarnet. De man liep trager nu. Toen Karen op gelijke hoogte kwam, zei hij: ‘De regen spoelt alle vuilnis weg, hè Karen, pardon, Vanessa? Dat voelt goed hè? Wanneer alle vuiligheid verdwijnt? Wanneer de wereld weer net en goed wordt?’ Hij keek haar recht in het gezicht. Deze keer glimlachte ze niet. De man ging sneller lopen en sprong kwiek over een varenstruik om opnieuw in het bos te verdwijnen.

Karen voelde haar hart wild bonzen. De bodem kon het overvloedige regenwater niet meer aan en verzamelde het tussen de wortels van de beuken in modderige plassen. Haar oranje-witte loopschoenen zakten er diep in weg. Het bruine water spatte tot hoog op haar fraaie, gebruinde, blote kuiten. Nog vijfhonderd meter en ik ben bij de auto, dacht ze, terwijl druppels van water en zweet onafgebroken van haar kin dropen. Door de stof van haar joggingbroekje heen betastte ze in haar rechter broekzak de autosleutel van haar Alfa Romeo. Als een talisman.

Onder het geweld van regen en wind knapte een beuk in tweeën. Een groot stuk van de kruin stortte met donderend geraas naar beneden. ‘Jezus!’ Karen liep langs de afgeknapte kruin, een wirwar van geschaafde en geknakte takken. De stapel rook naar hars en vers hout. Net zoals een gewonde naar bloed ruikt. Precies die geur wasemde Karen nu uit. Haar grote grijsgroene ogen, troeven waarmee ze zovele mannenharten sneller liet slaan, puilden uit van angst toen ze de hamer dichterbij zagen komen.

De joggende man had haar voor de derde keer ingehaald.

Maandag 2 november 2015, ochtend, Allerzielen

1

Het was onchristelijk vroeg, nauwelijks vijf uur, toen Victor Vansina abrupt wakker schrok uit een nachtmerrie met, zoals al te vaak in de voorbije drie jaar, zijn dode ouders in de hoofdrol. Vanuit zijn warme bed graaide hij naar de gsm op de rotan nachtkast. ‘Vansina’, prevelde hij vermoeid. ‘Ja?’ Naast zich hoorde hij een licht gekreun. Zijn vriendin draaide zich zwijgend op haar zij. Voor haar was de stem in de gsm niet meer dan een onverstaanbaar maar hoorbaar opgewonden gekakel. Ze voelde hoe Victors lichaam strakker werd. Hij slikte, zei de drie woorden die haar na twee jaar samenzijn met deze speurder al vertrouwd in de oren klonken – ‘Ik kom meteen’ - en tikte haar op de schouder. ‘Schat, ik moet naar je geboorteplek. Kluisbergen. Zegt De Toren jou nog iets?’

Natuurlijk herinnerde Lydia zich het stompe witte torentje dat nipt boven de sparren en beuken van het Kluisbos uitkwam. Tijdens de schermutselingen met de Spaanse inquisitie was De Toren een uitkijkpost voor de protestantse rebellen geweest. Nu was het een lieflijk plekje met een speelplein, twee vijvers met eendjes en een zonneterras.

‘Een heerlijk plekje, lief,’ zei ze, ‘een bekend café uit mijn jonge jaren.’ Met hoorbaar genoegen dook ze in haar herinnering. ‘Houten banken, een jukebox met singles op vijfenveertig toeren en een krassende naald. Vijf frank voor een liedje. Een dikke waardin die als een moeder voor ons was. En op de verdieping had de eerste vrije radio uit de streek zijn uitzendstudio. Speelde tien keer per dag “Keep on Loving You” van REO Speedwagon. Maar dat ken jij natuurlijk niet, jij kent alleen klassiek.’ Giechelend ging ze door: ‘En je kent ook weinig van “keep on loving”.’

Victor twijfelde tussen een zucht en een protest, maar Lydia snoerde hem de mond.

‘Toen vonden mannen mij nog onweerstaanbaar.’ Ze zag hoe Victor fluks naar de aanpalende badkamer stapte. ‘De Toren was in mijn jeugd het hoekje waar verliefde jongens hun oogappel op Fanta en pannenkoeken trakteerden. Ik denk dat toch tien, of nee, wacht, minstens twaalf puberjongens daar aan mij hebben gevraagd of ik verkering met hen wilde.’

‘Bij de deur van De Toren ligt nu een vermoorde vrouw’, riep Victor van onder de douche. ‘Bloot. Hoofd kapotgeslagen en vingers afgeknipt. Als je ’t mij vraagt geen werk van een verliefde puberjongen.’

Die laatste woorden gingen al vergezeld van het dichtdraaien van de waterkraan. Met zijn kortgeknipte donkerbruine haren, die aan de slapen grijzig werden, hoefde Victor nooit veel tijd te besteden aan zijn ochtendlijke douche. Hij stapte naar de kledingkast en griste willekeurig een pak. Zilvergrijs. En een staalblauw hemd. Energiek kleedde hij zich aan. Hij schoot zijn stevige boots aan, die naast het bed stonden. Hij knoopte het op één na bovenste knoopje van zijn hemd dicht en zei liefdevol: ‘Ik bel je.’

Lydia wierp een onbestemd kushandje in de lucht en trok het aangenaam warme donsdeken hoger rond haar naakte lichaam, dat Victor ook deze nacht niet had ontvangen.

 

2

Op dit ontiegelijk vroege uur was er weinig verkeer op de bijna loodrechte vierbaansweg N60 die van Gent naar Oudenaarde liep. De straatverlichting brandde nog en toverde vlekken van gelig licht op het natgeregende wegdek. Links en rechts zag Victor de typische ingrediënten van de Vlaamse steenweg: hier akkers en weiden, daar een rij baanwinkels en fantasieloze snackbars, ginds een wegwijzer naar een dorpscentrum waarvan je alleen de kerktoren zag. Dicht bij Oudenaarde was de weg door bedrijven en kantoren afgezoomd. Hier heerste de kmo. ‘De middenstand regeert het land, beter dan ooit tevoren’, zong Victor zachtjes, denkend aan Lydia, die bijzonder van dat melancholische lied hield. Voor hem was het zowat het enige popliedje dat hij kende en waardeerde. Pop en rock vond hij voor de rest niet meer dan vervuilend lawaai. Hij kon niet begrijpen dat zijn Lydia, toch een meid met hersens en smaak, zo gek was op pop. Victor, die bij de meeste mensen een stijve, gereserveerde eerste indruk naliet, terwijl hij zichzelf behoorlijk sociaal vaardig vond, hield enkel van klassiek. En dan nog zonder gekwebbel, zoals hij dat noemde, van presentatoren tussen de meesterwerken. Daarom luisterde hij alleen naar cd’s. Voor deze rit naar Kluisbergen had hij Mendelssohn als muzikale passagier gekozen.

Even verderop, bij de afrit voorbij de stadskern van Oudenaarde, sloeg Victor rechts af. Een kleinere weg leidde hem naar Kluisbergen. Bleek en aarzelend, alsof zelfs zij door de overvloedige regen van de voorbije dagen verkouden was geworden, scheen de maan schuchter achter de heuvelrug van de Patersberg. Links zag Victor de kam van de heuvelreeks die de ruggengraat van de Vlaamse Ardennen vormde, rechts lagen de vlakke landbouwlanden aan de oevers van de Schelde. Hij maakte de mentale aantekening dat Lydia en hij hier echt vaker moesten komen wandelen met Bas, die lieve loebas van een labrador die ze een jaar geleden uit het asiel hadden gered. Hij bedacht dat het vreemd was dat Lydia nooit eens voorstelde om hierheen te komen. Het was tenslotte haar geboortestreek. En ze kende hier heel wat mensen. Ze was dol op al die wielerkoersen die door deze heuvels banjerden, het was er mooi en rustig en toch pittig wandelen. Zoveel argumenten om hem naar de Vlaamse Ardennen te brengen. En toch had ze dat nooit gedaan. Hij schudde bedenkelijk het hoofd. Geen nanoseconde kwam het bij hem op dat ze dit juweel van een streek pas aan hem wilde tonen eens hij er zelf om vroeg. Zodra hij zou laten blijken dat hij Lydia’s afkomst wilde leren kennen, haar jeugdverhalen wilde horen, in haar verleden wilde duiken. Zodra hij voorbij de hardwerkende radiojournaliste wilde kijken. Zodra hij bewees dat hij de héle Lydia wilde en niet alleen de kwieke, vrolijke stadsmeid die ze ook was.

 

3

‘Goeiemorgen, commissaris, goeiemorgen, komt u mee?’ zei de substituut-procureur haastig en zonder zichzelf voor te stellen. Boven op de Kluisberg, rond De Toren, wemelde het van de politiemensen en de in witte overalls gehulde technici van het lab, die sporenonderzoek deden.

De substituut-procureur stapte snel door en trok Victor nog net niet aan de arm van zijn jas. ‘Allerzielen! Feestdag van de onschuldige zielen! Vreselijk. Vreselijk gezicht.’ Met een trillende wijsvinger wees hij naar het slachtoffer.

Karen Meganck, enkele uren geleden nog een aantrekkelijke jonge vrouw, was nu een scheefgezakt, dood lichaam met een vale huidskleur, een kapotgeslagen schedel en vingerloze stompjes als handen.

‘De vingers?’ vroeg Victor.

De substituut haalde berustend de schouders op. ‘Vermoedelijk heeft de dader ze meegenomen, nee? Als een lugubere trofee? Iemand die zo ziek is om met een hamer deze dame kapot te meppen, die is ook ziek genoeg om vingers mee te nemen. Meegenomen!’

Victors tweede vraag: ‘Is er iets materieels aangetroffen, bewijsmateriaal, behalve de kledij van het slachtoffer?’

‘Zeker. Jawel.’ De magistraat stak met iets van trots een plastic zakje onder Victors neus. ‘Twee smartphones. Twee! Ze zaten gewoon in de broekzak van het slachtoffer. Stomweg in de broekzak.’

‘Hebben we nog meer?’

De substituut-procureur schudde het hoofd. ‘De technische recherche heeft zich de pleuris gezocht naar voetafdrukken… Echt, goed gezocht. Maar niks gevonden. Helemaal niets. Het kan dat de moordenaar plastic zakjes over zijn schoenen heeft aangetrokken. Van die plastic zakjes. Dan heb je natuurlijk alleen vervormde sporen. En dan die regen. Die spoelt alles weg. Foetsie!’

Victor knikte. ‘Mag ik nu misschien uw naam weten, mijn waarde?’

‘Sorry. Sorry. Natuurlijk. Stefaan Pilate, substituut-procureur, gevestigd in Oudenaarde. De officier van wacht van de lokale recherche heeft me meteen gebeld. Een kind kan zien dat dit een zaak wordt waarin we allemaal, allemaal, lokale en federale, speurders en parket, moeten samenwerken. Samenwerken.’ En dan, hoofdschuddend: ‘Zo gruwelijk. Gruwelijk.’

Victor keek rond, fronste even. ‘Wie heeft het slachtoffer als eerste aangetroffen?’

Substituut Pilate wees naar een politiecombi waarin een jong koppeltje koffie zat te drinken.

De jongen keek wezenloos naar de bodem van zijn mok, het meisje klappertandde en Victor betwijfelde of dat van de kou was. Hij stapte op de jonge mensen af. ‘Gaat het? Hebben jullie nog iets nodig?’

De jongelui keken hem aan als hulpeloze puppy’s.

Pas nu hij zeker was dat hij hun volle aandacht had, stelde hij zich voor als commissaris. ‘Ik weet dat jullie al een lange verklaring hebben afgelegd. Die is heel nuttig en nodig voor het dossier. En ik ga jullie niet folteren door te vragen het hele relaas over te doen. Maar…’ Hij aarzelde even en ging op zachte toon verder: ‘Het zou mij heel veel helpen als jullie in grote lijnen wilden herhalen wat je precies hebt gezien.’

De jongen schraapte zijn keel. ‘Maj en ik, wij studeren allebei burgerlijk ingenieur in Gent. Gisterenmiddag hebben we van de vrije dag geprofiteerd om samen te werken aan een presentatie die we volgende week voor fysica moeten geven.’ Hij aarzelde even, keek opzij naar Maj en raapte al zijn moed bijeen. ‘We zijn ook een koppel. Na een avond en halve nacht in de fysica te zitten, wilden we iets doen, iets beleven… We hadden van onze ouders al lang gehoord dat jonge koppeltjes uit de streek hier vroeger dates hadden. We wilden die traditie nieuw leven inblazen. Ik weet niet hoe uw liefdesleven is, commissaris,’ zei hij met een flauwe glimlach, ‘maar ons leek het wel wat: op een donkere, natte nacht wandelen en zoenen op de plek waar al generaties lang “boy meets girl” gebeurt. Heerlijk.’ Hij stokte. ‘Nu ja, heerlijk… Tot we natuurlijk aan De Toren zelf kwamen en… en… Dit.’

Victor knikte de jongeman begrijpend toe en moedigde hem aan om verder te gaan. ‘Ja, het is verschrikkelijk om die arme vrouw te vinden op de plek waar je alleen pure romantiek vermoedt… Heb je nog iets gehoord? Gezien? Een auto? Iemand? Is je iets opgevallen? Het geringste wat je je herinnert, kan van groot belang zijn.’

De jongen schudde traag zijn hoofd.

Het meisje zei met iets van schuldbewustzijn: ‘Ik ben keiluid beginnen gillen, commissaris. Bram had alleen oog voor mij. Zelfs al zou de dader nog in de buurt zijn geweest, dan hadden we dat nooit in de gaten. En mijn gekrijs zal hem of hen zeker op de loop hebben gejaagd.’

‘Commissaris! Commissaris!’

De kreten van substituut Pilate deden Victor haastig afscheid nemen van de jongelui.

‘Kijk! Kijk eens hier!’ Pilate zwaaide vervaarlijk met een plastic zakje. Er zat een wijsvinger in. ‘Net gevonden. Net. Ongeveer vijftig meter van het slachtoffer vandaan.’

Victors hersenen draaiden op volle toeren en meteen gaf hij concrete bevelen: ‘De perimeter! Breid de perimeter uit! Heel het bos is verboden zone! Geen burgers en al helemaal geen journalisten! En de mannen van het lab, verspreiden!’

Prompt renden en reden lokale politiemensen rond met blauw-witte linten, die ze aan de rand van het bos rond boomstammen spanden. De twee onverharde wegen en de zes wandelpaden die het Kluisbos doorkruisten, werden in amper vijf minuten afgesloten voor vroege wandelaars, nieuwsgierigen en journalisten.

‘Goed zo! Goed!’ Pilate klapte net niet in de handen van opwinding. ‘Ik heb daarnet al zo’n vervelende journalist moeten wegsturen. “Oprotten”, zei ik. “Weg!”’

Ook de manschappen van de technische recherche wisten meteen wat hun te doen stond. Bijzonder efficiënt verspreidden ze zich om elk apart een welbepaalde zone rond De Toren te onderzoeken, goed wetend dat ze zich nu op het vinden van één element concentreerden: vingers. Meer vingers van Karen Meganck.

‘Speurhonden!’ beval Victor. ‘Breng speurhonden!’

Substituut Pilate was al sinds enkele minuten aan Victors zijde gaan staan, zonder dat die dat had gemerkt, laat staan erom gevraagd. Nu tikte hij aarzelend op Victors schouder. ‘Die heeft de lokale zone Vlaamse Ardennen niet, commissaris. Speurhonden? Nee. Die moeten we bij de federale recherche in Gent bestellen. In Gent.’

Victor begon het danig op zijn heupen te krijgen van de nerveuze, eeuwig knikkende magistraat. ‘In Gent? In Gent? Dat is drie kwartier rijden, maar eerst hebben we nog extra tijd nodig voor de procedure om de honden aan te vragen. Hoelang duurt het dan voor die honden hier zijn? Hoelang?’ bauwde hij Pilates stijl na.

Die had niets in de gaten. ‘Zeker anderhalf uur, commissaris. Een uur en een half.’

Victor zuchtte.

Uit het gezelschap politiemannen trad een struise, grote agent rustig naar voren. ‘Neem me niet kwalijk, commissaris Vansina. Pascal Vandenberghe. Lokale recherche, zone Vlaamse Ardennen. Ik had niet de intentie u af te luisteren, maar ik deed het toch. Beroepsmisvorming, zeker?’ Hij grijnsde. ‘Ik was vroeger lid van de hondenbrigade in Brussel. Lang geleden. De betogingen, dat begrip dat je telkens weer moest opbrengen voor die paar tientallen freaks met hun particuliere ideaaltje? Ik werd dat beu. Ik keerde terug naar mijn roots. De Vlaamse Ardennen. Ik wilde terug sjampetter worden. Maar Milow, mijn trouwe herdershond, nam ik mee. Milow zit in de kofferruimte van mijn auto. Ik kan haar eruit laten… als u wil? Zonder de procedures, zonder de regeltjes. Milow heeft voldoende talent.’

Victor keek de speurder gedurende enkele seconden strak aan. Voldoende om aan te voelen dat hij in Vandenberghe een waardevolle, loyale, getalenteerde collega had gevonden. ‘Ja’, was dan ook zijn korte maar vriendelijke antwoord.

Vandenberghe knikte zwijgend en haalde Milow uit de kofferbak. De gespierde herdershond rook met korte maar geconcentreerde halen aan het lichaam van Karen Meganck. ‘Snuif, Milow. Snuif’, spoorde Vandenberghe zachtjes zijn hond aan.

‘Wil je ook de vinger die we al hebben gevonden?,’ vroeg Victor.

‘Liever niet’, antwoordde Vandenberghe. Hij glimlachte verontschuldigend. ‘Milow wil, net als ik, een zaak onbevooroordeeld bekijken.’

De hond snuffelde opgewonden in de buurt rond De Toren. Maar al snel liep het dier, met de kop in de humuslaag van bladeren en modder gebogen, naar rechts, naar het pad langs een steile helling.

‘De inwoners noemen deze plaats D’Helle. De Hel’, zei Vandenberghe.

Hoe toepasselijk, dacht Victor, terwijl hij en, op enige afstand, substituut Pilate achter de hond en Vandenberghe aan draafden.

De hond draaide de kop omhoog om in de ijle lucht te ruiken, stak de snuit weer diep in de bladerenlaag, rende verder, keek om naar Vandenberghe.

‘Zoek, meisje. Zoek, Milow’, moedigde de agent zijn speurhond aan.

Na ongeveer vijftig meter verstijfde het dier. Haar neus ging doelgericht omlaag, haar achterlichaam schudde, haar staart kwispelde.

Vandenberghe haastte zich naar de bewuste plek en boog voorover. ‘Goed zo, Milow’, zei hij, terwijl hij de herdershond liefdevol achter de oren krabde. Hij richtte zich tot het gevolg: ‘Een middenvinger.’

‘Niet aanraken!’ riep Victor. Aan substituut Pilate vroeg hij: ‘Hoe lag de eerste gevonden vinger precies?’

Pilate, uitvoerig als steeds: ‘Hij lag plat, commissaris, plat en recht en uitgestrekt.’

‘Ja,’ repliceerde Victor ongeduldig, ‘maar de richting die hij aanwees?’

‘Euh… west. Naar het westen.’

Victor triomfeerde: ‘Juist. We weten in welke richting verder te zoeken, heren. De vingers, ze wijzen.’

Victors intuïtie bleek voor het volle pond correct. Na nog eens vijftig meter lopen vond Milow een ringvinger, vijftig meter verderop een pink, dan weer een middenvinger en na nog eens vijftig meter duikelde de hond een tweede wijsvinger op. Elke vinger lag verstopt onder een stapeltje herfstbladeren en wees resoluut de richting aan: verder en verder op het bospad langs D’Helle. Links zag Victor de steile boshelling waarin her en der een straal zonlicht de bodem bescheen tussen de beuken, rechts lag een vlakker landschap dat was begroeid met varens en braamstruiken. Het was opgehouden met regenen. In het door de schaarse overgebleven boombladeren gefilterde zonlicht zag Victor de laatste druppels van de bomen lekken, alsof ook zij stonden te zweten na een zware inspanning.

‘Weer prijs’, zei Vandenberghe kalm. ‘Een tweede ringvinger.’

Zeven vingers hadden de speurders nu al gevonden, alsof ze kinderen waren die paaseieren in een mandje verzamelden.

Intussen was het gezelschap zowat 350 meter van De Toren verwijderd. Het pad langs D’Helle werd modderiger en minder steil.

‘Pink!’ riep Vandenberghe. ‘En weer westwaarts wijzend.’

De groep mannen liet zich door Milow gewillig op sleeptouw nemen. Het terrein ging nu plots steil omhoog. Victor zag achter een bocht tussen de eiken een constructie van twee grote staande rotsblokken met een vlakke steen erbovenop, als een primitief altaar.

‘Peetje en Meetje’, zei substituut Pilate hijgend. ‘Een Keltisch altaar! Oud! Een offertafel misschien. Peetje en Meetje!’

De mannen stonden hijgend voor het mysterieuze, schijnbaar oeroude monument. Victor wees zwijgend naar wat ieder van hen al had opgemerkt. Een plankje. Met daarop twee duimen gespijkerd. Op het plankje in zwarte alcoholstift: ‘Proficiat politie! Twee duimen omhoog!’

Onder het plankje was een envelop geniet. Victor wachtte niet eens op de mannen van het laboratorium om de envelop te openen. Hij las een brief die verdacht veel op wartaal leek.

‘Sta me toe mezelf voor te stellen. Ik ben een man van weelde en goeie smaak. Ik woon hier al vele jaren. Ik steel van veel mannen hun ziel en geloof. Fijn u te ontmoeten. Graag wens ik dat u mijn naam raadt. Maar het is u een raadsel wat mijn doel is.’

Bij het zien van de beide duimen kwispelde Milow vrolijk. Het teefje leek te begrijpen dat haar werk erop zat.

Voor Victor begon het pas. Hij keek Pilate strak aan en stak zijn twee duimen omhoog. ‘Twee duimen, mijn waarde. Twee.’

 



Over de auteur

Hebban Crew

1485 volgers
50 boeken
0 favorieten


Reacties op: Sneak Preview: Het kwalijke geheugen van Marc Peirs

 

Gerelateerd

Over

Marc Peirs

Marc Peirs

Marc Peirs (1966) is journalist bij de VRT. Sinds 2000 heeft hij Polen tientallen keren bezocht en talrijke reportages over het land gemaakt. In het najaar van 2015 leeft hij met zijn Poolse echtgenot...