Advertentie

Hebban vandaag

Lezen /

Awardwinnaar: Thomas Olde Heuvelt

door Hebban Fantasy 5 reacties

In het kader van het Gala van het Fantastische Boek op 7 februari, waar de Paul Harland Prijs 2014 uitgereikt wordt, publiceren we de aankomende weken een aantal winnende verhalen van de PHP van de afgelopen jaren. We beginnen met het verhaal "De vis in de fles" waarmee auteur Thomas Olde Heuvelt de Paul Harland Prijs 2012 won.

Thomas schrijft zelf over het verhaal: "Het is bijna drie jaar geleden dat ik "De vis in de fles" schreef, en op dat moment stond ik zelf op de plek waar Tobi staat aan het eind van het verhaal: op een touwladder die afdaalde in de mist. Ik was ook op zoek naar vaste grond onder mijn voeten, en iedereen heeft wel eens een moment gehad dat je twijfelt of je dat ooit weer zult vinden. Veel is veranderd sinds die tijd. Het verhaal won de Paul Harland Prijs, ik werd genomineerd voor een paar internationale awards, ik heb contracten getekend met Amerikaanse uitgevers en in Hollywood, en ondersteboven of niet; de goudvis zwemt nog altijd de wereld over: "De vis in de fles" is inmiddels (als: "The Day the World Turned Upside Down", red.) verkocht aan de Verenigde Staten, China en Roemenië. Maar belangrijker dan dat alles is dat ik met dit verhaal van een breuk genas, en dat ik nieuwe liefde heb gevonden, intenser en volmaakter dan tevoren.

Het is het altijd waard om door te gaan. Aan het eind van de ladder zie je vallende sterren."

Geniet van dit topverhaal van Nederlandse bodem en kom regelmatig hier terug, want de aankomende weken verschijnen er nog een aantal winnaars van de Paul Harland Prijs op deze website.

De vis in de fles

door Thomas Olde Heuvelt

Die dag stond de wereld op z’n kop.

We wisten niet waarom het gebeurde. Sommigen van ons vroegen zich af of het aan ons lag. Of we tot de verkeerde Goden hadden gebeden of de verkeerde dingen hadden gezegd. Maar dat was niet zo; de wereld stond alleen op z’n kop.

Wetenschappers die het geluk hadden het voorval te overleven zeiden dat de zwaartekracht niet zozeer was verdwenen, maar zich als het ware had omgekeerd, alsof onze planeet in een kwinkslag al haar massa had verloren en door een kolossaal object werd omringd. Gelovigen die de pech hadden het wonder te overleven, zeiden dat het geven en nemen was en God nu eindelijk nam, na zoveel jaren gegeven te hebben. Maar er was geen kolossaal object, en door God genomen worden is een discutabel gegeven.

Het gebeurde als een donderslag bij heldere hemel, om vijf over tien ’s ochtends. Er was een moment, een magisch moment, waarop je ons allemaal halverwege onze woonkamers in de lucht kon zien zweven, ondersteboven in de houding van onze laatste bezigheid, koffiedrinkers koffiedrinkend uit omgekeerde kopjes koffie, verliefden zich vastklampend aan elkaars vallende lichaam, oude mannen graaiend naar afglijdende toupetjes, kinderen kraaiend en katten krijsend, allen omringd door de asteroïden van onze bezittingen; o, het was een moment van volmaakte waanzin, bevroren in de tijd. Toen begon het gekraak en gerinkel, het gebulder en geschreeuw. Een pandemonium was het. We kwakten tegen plafonds en werden verpletterd onder het puin van ons oude leven. Schedels kraakten. Nekken braken. Baby’s stuiterden. De meeste van ons stierven ter plekke of staken stuiptrekkend uit gaten in gipsplaten plafonds. Zij die overleefden lagen verbijsterd op inzakkende zolderingen, proberend te bevatten wat er zojuist was gebeurd.

Maar buiten was het altijd nog erger. Voor iemand ook maar besefte dat de hemel niet langer boven, maar onder ons was, viel men pardoes van het aardoppervlak. Binnen de kortste keren was het luchtruim bezaaid met tuimelende mensen, wapperende kledingstukken, spartelende honden, wentelende auto’s, klepperende dakpannen, loeiend vee en dwarrelende herfstbladeren in kleuren die de lucht in vuur en vlam zetten. Mensen onder portieken rollebolden tot ze tot stilstand kwamen op krakende afdakjes en staarden over de rand in peilloze diepten. Een mol die zijn neus uit de grond stak werd gegrepen door de zwaartekracht en een opspringende walvis zou nooit meer terug in zee landen. Moe van haar last schudde Moedertje Aarde al wat niet met haar oppervlak in verbinding stond van zich af. In een opwaartse stuwing viel het de dampkring in. Vliegtuigen, satellieten en ruimtestations verdwenen in het vacuüm en zelfs Vadertje Maan werd van ons weggeduwd. We zagen hem kleiner en kleiner worden, tot hij verdrietig zijn eigen baan om de zon trok. Hij zei niet eens vaarwel.

En ik?

Ik lag op de bank en ik deed eigenlijk niets; ik las geen boek en ik keek geen TV. Was de wereld op dat moment vergaan, dan had ik het niet gemerkt.

Ik keek alleen maar naar mijn telefoon en wachtte tot jij zou bellen.

Het was de tweede keer in twee dagen dat de wereld verging. De eerste keer was toen jij de dag ervoor je ogen had neergeslagen en had gezegd: Het ligt niet aan jou. Het was de laatste leugen van ons samenzijn, of eigenlijk de eerste van ons niet-samenzijn, want je wilde geen samen meer. Wat ik had ervaren als het mooiste in mijn leven had op jou gedrukt als een last. Zonder mij. Je wilde zonder mij zijn.

Mijn hart was op mijn buikwand in stukken gevallen. Grote stukken van een diep, duizelingwekkend verdriet en verbijstering over hoe kalm je me die mededeling deed, zonder de minste aanwijzing dat dit het pijnlijkste was dat je me ooit had moeten zeggen, dat je liever duizend doden zou sterven dan dat je me dit had moeten zeggen. Je was de liefde van mijn leven en ik had er nooit rekening mee gehouden dat je me die kon afnemen. Ik probeerde te doen alsof ik het begreep, alsof ik je niet verweet dat je het niet meer wilde proberen, alsof al mijn frustraties en pijn niet opwogen tegen jouw frustraties en pijn. Ik hield zelfs teveel van je om boos op je te zijn.

We stonden in de gang en ik kon de woorden nauwelijks uitspreken. ‘Weet je het echt, heel, heel, heel zeker?’

‘Nee. Ja.’

‘Je zei nee.’

‘Ja.’

‘Maar kunnen we niet...’

‘Nee.’

‘Maar kunnen we niet...’

‘Nee, Tobi. Het spijt me.’

In de stilte hoorde ik mijn trillende adem. Jij frunnikte zenuwachtig aan je tas, zocht een manier om de voordeur te openen. Wat is een gang een vreselijke, vreselijke plek: een midden tussen blijven en gaan. Ik verzamelde al mijn moed en vroeg: ‘Zijn we nu niet meer...’

Eindelijk keek je me aan, met tranen in je ogen, en schudde toen langzaam je hoofd. Ik vocht tegen mijn tranen, maar ze kwamen toch. Daardoor brak jij ook. We hielden elkaar vast, lang, stevig tegen elkaar aan, en dat vasthouden was het moeilijkste wat ik ooit heb gedaan. Toen liet je me los.

Ik glimlachte door mijn tranen heen.

Jij glimlachte door je tranen heen.

‘Omnomnom?’ vroeg ik.

‘Nomnomnom,’ zei je. En toen verdween je in het trappenhuis.

Het eerste halfuur nam ik me voor me een waardevol en integer mens te tonen en niet bij de pakken neer te zitten. Ik dwong mijn tranen terug in mijn ogen en deed de afwas. Maar terwijl jouw lipafdrukken op het glaswerk oplosten in het sop, werd ik doorlopend geplaagd met visioenen over hoe andere mannen over jouw gezicht ejaculeerden en miljoenen potentiële kinderen die van ons hadden moeten zijn op jouw mondhoeken stierven, visioenen die mij het serviesgoed met zoveel doelloze wroeging te lijf deden gaan dat de glazen trillend dekking zochten onder de borden, en ik met het even angstaanjagende als aanlokkelijke idee begon te spelen om een glas tegen het aanrecht stuk te slaan en de scherven in mijn pols te zetten. Aan het eind van de middag zag ik dat je je Facebookstatus had veranderd in ‘vrijgezel’, iets waarmee je omgekeerd pas na wekenlang zeuren schoorvoetend had ingestemd, en smeet ik mijn laptop in het afgekoelde sop. En vroeg in de avond was de leegte die je had achtergelaten volledig over me neergedaald en was ik alleen, alleen in de volle omvang van mijn verdriet.

Het was laat toen je sms’te. Ik lag op de bank, niet echt slapend en niet echt wakker. De scherven van mijn hart sprongen op in mijn buik.

Blub staat nog bij jou. Ik kom hem morgen halen.

En dat was het. Niet eens Ben je morgen wel thuis? of Misschien kunnen we er nog over praten. Geen Zet je dan alvast een pot Minty Morocco, die je altijd zo lekker vond, en zelfs niet Hoe gaat het nu met je? Alleen: Ik kom hem morgen halen. Meer dan alles maakte dat het onomkeerbaar, definitief.

O, Sophie, ik vind je zo ontzettend, ongelooflijk, onnavolgbaar lief. Waarom moest je dit doen?

Ook Blub wist daarop het antwoord niet. Hij keek alleen maar weemoedig in het troebele water, zoals hij weemoedig keek bij elk van de twee dingen die zijn kleine goudvissenbrein overwoog: de instinctieve, evolutionair bepaalde drang om te overleven, en het vage gevoel dat er meer was, iets groters, buiten de door de vissenkom afgebakende grenzen van Blubs universum.

De rest – het lot dat de planeet als het zwaard van Damocles boven het hoofd hing, de neiging van de rancuneuze schrijver om Blub tragikomisch door het toilet te laten spoelen, en zijn rol aan de vooravond van een episch avontuur – ontging hem volkomen.

Daar zijn althans de meeste ichtyologen het met elkaar over eens.

Toen het gebeurde lag ik met een kussen over mijn gezicht gedrukt, misschien in een poging om me af te sluiten voor de wereld die iets al te letterlijk over me heen viel, en zodoende was mijn landing op het plafond een merkwaardig zachte. De gipsplaten braken mijn val; de rugleuning van het bankstel voorkwam dat mijn botten braken. Versuft kroop ik eronder vandaan, zonder ook maar een schrammetje.

Het eerste wat men voelt wanneer de zwaartekracht zich heeft omgedraaid en alle tumult eenmaal is verstomd, is geen schok, maar desoriëntatie. Ik had zelfs niet door dat ik op het plafond lag en mijn huiskamer op z’n kop stond. Ik dacht niet aan een aardbeving, hoewel het luchtalarm loeide. Nog voor ik iets kon denken zag ik tussen de alomtegenwoordige chaos van verbrijzelde meubels, geknakte kamerplanten, uitgestrooide potaarde, hangende stroomdraden en versplinterde foto’s van jou en mij iets waarvan mijn bloed bevroor.

De vissenkom was kapotgevallen.

Blub spartelde in paniek in een plasje water tussen de glasscherven.

En op dat moment ging de telefoon.

Ik vond mijn iPhone onder een lap tapijt, maar op hetzelfde moment hield buiten het luchtalarm op en viel de telefoon stil. Toen ik op het display zag dat jij het was sloeg mijn hart op hol. Ik belde je onmiddellijk terug, maar kreeg niet eens verbinding. Ik probeerde het nog eens en nog eens, steeds opnieuw, wat er ook was gebeurd, jij had het overleefd, jij had me proberen te bereiken voor het netwerk uitviel en Blub sprong op in een uiterste poging om mijn aandacht te trekken, happend als een vis op het droge en bleef toen stil liggen, stervende.

Ik leefde nog.

Jij leefde nog.

Blub leefde nog.

Als de wiedeweerga woelde ik tussen het puin en vond zo vlug alleen jouw halfleeggedronken fles Spa Citroen. Verwoed begon ik die te schudden en liet steeds koolzuurgas ontsnappen, terwijl ik mijn vingertoppen in het plasje water tussen de glassplinters depte en er teder Blubs oranje schubben mee bevochtigde. Maar op dat moment sloeg de ongeduldige goudvis met zijn staart, als om me aan te sporen om tot actie over te gaan. Ik nam een slok, constateerde dat de prik eruit was, vrotte Blub door de flessenhals en durfde pas adem te halen toen ik de bevredigende plons hoorde.

Vis en citroen gaan prima samen.

Toen ik naar buiten keek begon de wereld op slag te wankelen. Ik woonde op drie hoog in een drie verdiepingen tellend appartementencomplex. De huizen aan de overkant van het plantsoen hingen ondersteboven aan het aardoppervlak, dat nu boven me was, krakend onder zijn eigen gewicht. De daken hadden hun pannen losgelaten en ook de bomen hingen ondersteboven, en de speeltoestellen in het plantsoen, en de was aan de lijn van de overbuurvrouw. Volkomen sprakeloos greep ik de fles met daarin de ongelukkige Blub, die met getuite lippen boven het spawateroppervlak naar zuurstof hapte, en kroop over het plafond, over het ondersteboven liggende bankstel naar het ondersteboven staande raam. Daar sloeg de diepte van de atmosfeer als een duizelingwekkende golf over me heen en voor een moment zat ik als bevroren, durfde niet eens tranen te plengen, bang dat die het wankele plafond te machtig zouden worden. De aanblik brak op zo’n ontzettende wijze met alle natuurwetten dat ik me aan de kozijnen wilde vastgrijpen om niet omhoog te vallen, maar de zwaartekracht hield me tegen het plafond gekluisterd en het was alleen mijn maag die zich omdraaide.

Ik zag geen mensen, behalve aan het speeltuintjeshek: daar bungelde een vrouw.

Ze hing met wit weggetrokken knokkels aan de spijlen, haar benen in het luchtledige en haar rug naar me toe zodat ik haar gezicht niet kon zien. Aan haar armen trachtten twee wel zeer hinderlijke Albert Heijn-tassen haar de diepte in te sleuren.

Uiterst voorzichtig richtte ik me op en opende het omgekeerde raam. Met mijn hart in mijn keel en mijn handen om de raamposten leunde ik naar buiten. ‘Mevrouw?’

Ze schrok van mijn stem, maar durfde niet naar beneden te kijken, bang dat ze met het minste verplaatsen van haar evenwicht haar grip zou verliezen. ‘Ik heb hulp nodig!’ riep ze, opvallend kalm voor haar netelige uitgangspositie.

Ik riep: ‘Wat is er gebeurd?’

‘Het is kerstmis, nou goed? Ik hou het niet lang meer vol!’

‘Wacht, blijf hangen!’

‘Ik had geen andere plannen!’

‘Sorry, ik bedoel... ik kom helpen!’

Maar door een ongelukkig toeval brak juist op dat moment de doorgeroeste as van mijn fiets, die acht meter hoger aan zijn kettingslot aan de verankerde fietsenstandaard had gehangen. Terwijl het wiel daarboven bleef bungelen, kukelde het frame de diepte in en sloeg in het voorbijgaan pardoes het open raam aan splinters. Van schrik liet ik de spacitroenfles los. Deze belandde met een boog op de onderkant van de dakgoot, rolde uit bereik van het venster... en bleef op de rand liggen.

Blub, ten prooi gevallen aan een acute aanval van hyperventilatie, schoot van de ene naar de andere kant van de fles, zo snel als zijn tere vinnen hem konden dragen. Ik keek van de getergde goudvis naar de ongelukkig-bungelende vrouw – ‘Schiet alsjeblieft op!’ riep ze nu – en plotseling zag ik jouw gezicht voor me. Jij had me proberen te bellen.

In een wereld die niet op zijn kop stond was jij het enige dat telde.

Ik vloog overeind en baande me een weg door de omgevallen woonkamer, over de kniehoge drempel naar de gang, waar het linoleum naar beneden hing en het water uit de stortbak van het toilet op het plafond lag, over de kniehoge drempel naar de keuken. Daar was het een zo mogelijk nog grotere heksenketel: uit hun hengsels gerukte kastjes, open lades, uitgestrooid bestek, van de planken geworpen pannen en, nee maar, een rafelig gat in de plafondbetimmering waar de koelkast dwars doorheen was geslagen en waaruit het daglicht naar boven bulkte. Vlug, vlug, balancerend op mijn tenen reikte ik naar de onderste kastjes, werd bedolven onder keukengerei toen ik het deurtje opende en vond daartussen wat ik zocht: het spantouw van de aanhanger.

Het einde van de wereld schept helden en lafaards. Toen de bungelende vrouw eindelijk de moed had verzameld een blik over haar schouder te werpen en mij uit het open raam zag klauteren, het ene uiteinde van het touw om het bankstel binnen en het andere uiteinde om mijn lichaam, moet ze hebben gedacht dat ik tot de eerste slag behoorde. Ongewis van iets kils dat zich echter op hetzelfde moment van mij had meestergemaakt mompelde ze: ‘Godzijdank.’ En niet veel later, terwijl ik reikte en strekte, terwijl ik spande en hing en volledig werd opgeslokt door mijn pogingen de goudvis op de dakgoot te pakken te krijgen, stortte de vrouw met de gedachte aan een lang en vruchtbaar leven naar beneden, zonder dat jij of ik ooit haar naam zouden kennen.

Aan het eind van de wereld is het ieder voor zich.

Dat had jij me geleerd, Sophie.

Het was even hachelijk als onmogelijk om de vermaledijde spafles vanuit het venster te bereiken. Na tweemaal ademhalen begaf ik me tenslotte op de dakgoot, het touw losjes in mijn linkerhand, en schuifelde voetje voor voetje met mijn wang tegen het glas geperst aan de onmetelijke diepte voorbij. Ik stond doodsangsten uit. Twee meter... anderhalf... een... tot op het moment dat het touw strak stond, ik me extreem langzaam door mijn knieën had laten zakken, reikte en mijn vingertoppen de flessendop beroerden; toen brak de dakgoot af en stortte samen met mij de diepte in.

Alles tolde; ik kneep mijn ogen dicht en perste mijn tanden op elkaar en wachtte op het knappen van het touw en DZINNG! de ruk en mijn maag VLATS! uit mijn middel en het bankstel RATS! tegen het kozijn en ik WOESJ! als een lappenpop door elkaar.

Het duurde een eeuwigheid eer ik stil hing en mijn ogen durfde te openen.

Ik hing ongeveer een meter onder de dakrand en een lichtjaar boven vaste grond. Het touw sneed in mijn middel. Ik besefte dat ik de fles in mijn handen had. Blub dreef op zijn rug, maar opende zijn bedwelmde oogjes toen ik beteuterd tegen het plastic tikte.

Nu ik eindelijk een moment van rust kreeg (hoewel dat woord zelden in betrekkelijker context is gebruikt), had ik de tijd om de situatie te overzien. De aarde in omgekeerd perspectief is een even wonderbaarlijk als angstaanjagend gezicht: een plafond tot aan de horizon, maar niets daaronder. Een enorm niets. Nergens geschreeuw. Nergens alarmen. Alleen in de verte het constante gekraak van dingen die afbraken en in de diepte verdwenen. Vogels zochten gedesoriënteerd naar landingsplekken en vielen vermoeid het heelal in.

‘Weet u hoe laat het is?’ vroeg plots een iel stemmetje.

Ik probeerde me om te draaien naar waar de stem vandaan kwam, mijn benen trappelend in de leegte. De twee schommels in het speeltuintje hingen omlaag de lucht in aan hun blauwgeverfde frame. Op een ervan zat een klein meisje met drie scheve staartjes en bungelende beentjes naar beneden te kijken, haar knuistjes nerveus om de kettingen geklemd.

‘Eh... wees maar niet bang,’ zei ik, niet erg overtuigend.

‘Ik wilde zo hoog gaan dat ik de lucht kon aanraken,’ zei het meisje. ‘Mama zei ga niet zo hoog, straks ga je nog over de kop. Alleen ik ging toch hoog en nu kan ik niet meer terug!’

‘Wat vervelend,’ mompelde ik. Ik merkte dat ik direct afstand probeerde te scheppen. Ik kon niets doen voor het meisje. Ze schommelde zeven meter verder, maar had net zo goed op de maan kunnen zijn. Ik begon voorbereidingen te treffen om me te bevrijden uit mijn benarde positie.

‘Ik heet Fiep,’ zei het meisje op de maan.

‘O... hallo.’

Ik stak de spafles in mijn broek.

‘Ik ben al vijf,’ zei het meisje op de maan.

‘O... oké.’

Ik begon me op te hijsen aan het touw.

‘Maar weet u nou hoe laat het is?’ vroeg Fiep. ‘Mama zei nog twee minuten, dan gaan we naar huis, want ik moet de boodschappen inruimen. Alleen ik weet niet hoeveel twee minuten is.’

En ik stokte in mijn bewegingen.

Ik dacht aan de vrouw met de Albert Heijn-tassen en op dat moment viel het verlies van alle levens ter wereld over me heen; het leven van de ongelukkige vrouw maar ook het leven van het meisje op de schommel, het leven van een moeder en het leven van een kind, het leven van geliefden en gebroken harten, het leven van jou en het leven van mij. Levens die als parels aan een rijgsnoer die jij had kapotgetrokken over de vloer vielen, door het huis rolden en waren verdwenen. De dood van de wereld is een dikwijls terugkerend fenomeen, maar zelfs de meest visionaire filosofen hadden niet kunnen voorzien hoe het ditmaal had plaatsgevonden. Gisteren om deze tijd was ik wakker geworden met jou in mijn armen, had ik het plekje tussen je borsten gekust waar je hart zit en was je de mijne geweest. Nu hing ik als een anker onderaan de wereld en was de wereld tot stilstand gekomen.

CONCLUSIES VAN HET DEBAT ‘WAAROM HET ONTEGENZEGGELIJK VASTSTAAT DAT GOUDVISSEN LIEFHEBBEN’ (Uit: Het pad van de goudvis, p.794, eerste herziene druk 1984)

Dat is lulkoek.

Blub knapte zienderogen op nadat ik het water uit de stortbak met een rietje van het plafond had opgezogen en had overgeheveld in een verschoonde spafles. Daarna zaagde ik de poten van de vurenhouten tafel, trok de planken van het keukenplafondgat los en tilde de deuren uit hun voegen. Na mijn worsteling om het raam binnen te klimmen was de galerij een peulenschil. Via trapleuningen en tussenetages hees ik me naar de begane grond; een wankele toren van matrassen en bankstellen bracht me bij de galerijdeur.

Wat zonk de moed me met een plof in de schoenen, bij het vooruitzicht me door die omgekeerde wereld te moeten verplaatsen, hangend aan een plafond van krakende fundamenten en wortels! Maar het verlangen om het meisje te redden was groter. De eerste horde overbrugde ik door de langste boekenplanken tussen de spijlen van het speeltuintjeshek te schuiven en aan de deurposten vast te timmeren. Daarop ging het tafelblad en zie: de eerste meters van mijn bouwsteiger waren een feit. Urenlang werkte ik door. Steeds verder vorderde mijn stellage van vensterbanken en Ikeaschappen, van spiegellijsten en kamerdeuren; van de trap naar het hangende hek, van het hangende hek naar de hangende eik, van de hangende eik naar de hangende schommel, al mijn bezittingen aaneengeregen tot een steeds groeiende loopbrug over de leegte. Zo schepten mijn handen een perfecte weerspiegeling van wat er van mijn leven was geworden. Misschien was dit wel de reden dat ik het meisje wilde redden: voortkruipend in een omgekeerde wereld, wilde ik mezelf ervan vergewissen dat het de wereld was die op z’n kop stond, niet ikzelf.

Tegen de tijd dat ik de met tapijt overspande regenpijpen met touw aan het blauwe schommelframe knoopte en de zolderladder liet zakken, was de zon naar de horizon gestegen en kleurde de hemel bloedrood.

Fiep keek met een vollemaansgezicht naar boven. ‘Ik durf niet,’ zei ze zacht.

‘Je moet.’ Ik lag op mijn buik, mijn armen om het frame geklemd, de ladder een verlengde van mijn uitgestoken handen. ‘Ik laat je niet los.’

Fiep aarzelde. ‘Weet je het echt, heel, heel, heel zeker?’

‘Nee. Ja.’

‘Je zei nee.’

‘Ja.’

‘Maar kunnen we niet...’

‘Nee.’

‘Maar kunnen we niet...’

‘Nee, Fiep. Klim omhoog.’

Heel, heel, heel voorzichtig pakte Fiep de kettingen hoger vast en ging op de schommel staan. Met angst en weerzin keek ze naar de ladder, alsof ze de schommel niet achter zich durfde te laten, alsof ze nog wat langer wilde schommelen, heen en weer, heen en weer tussen wat achter haar en wat voor haar lag. Toen nam ze een besluit, ging op de onderste sport staan en trippelde vlug en vederlicht omhoog.

Later, bij het bovengaan van de zon, staarden we door het weggeslagen woonkamerraam naar het theater van het aardse braaksel in de atmosfeer. Fiep tuurde met onverminderd grote ogen boven de rand van haar wollen deken, Blub zweefde onverminderd weemoedig in het zuivere water en ik rouwde onverminderd om mijn vorige leven, dat met de rest over de rand van de wereld was gevallen. In de verte waren explosies geweest en de lucht was bezwangerd met een brandlucht die nergens anders naartoe kon dan zich onder het aardoppervlak te verspreiden. De meeste branden losten zichzelf op doordat de huizen afbraken en in de diepte stortten, grijze rookpluimen achter zich aan trekkend als vallende kometen.

‘En bergen, vallen die ook?’ vroeg Fiep, een beetje dromerig.

Ze had zich vermaakt met het naar buiten gooien van kamerplanten, maar al snel was het haar gaan vervelen dat die het universum in vielen. Fiep was jong genoeg om zich zonder veel moeite een nieuwe normaliteit aan te wenden. Ik niet. Ik had met groeiende wanhoop geprobeerd nieuws te verkrijgen over de catastrofe, maar behalve het mobiele netwerk en internet hing er ook geen radio meer in de lucht.

‘Ik denk dat het daar rotsblokken regent,’ zei ik.

‘En vulkanen?’

‘Daar loopt het vuur uit, kaarsrechte pilaren van lava, helemaal tot in de ruimte.’

Fiep keek bedenkelijk. ‘Maar loopt de aarde dan niet leeg?’

Daar had ik niet over nagedacht.

Keek jij op hetzelfde moment naar hetzelfde buiten, naar dezelfde wereld op z’n kop, en voelde jij dezelfde verbijstering die ik voelde? Waarom had je onmiddellijk nadat de wereld verging juist míj gebeld? En waarom pas nu? Waarom niet al die keren toen het er nog toe deed? Tweemaal eerder had ik een liefde verloren, een aan een andere man en een aan onverschilligheid, maar geen van beide liefdes was zo ingrijpend en vanzelfsprekend geweest als mijn liefde voor jou. Als ik ’s nachts wakker werd en ik miste het gewicht dat de plek naast me had ingedeukt, was ik als de dood dat jij je maar al te begeesterd tegoed deed aan het nachtleven. Kwam je vlak voor de ochtend beschonken en uitgeteld thuis en viel je als een blok in slaap, dan lag ik naast je wakker en probeerde ik geen andere mannen in je adem te ruiken. Zo schiep de angst dat je me zou verlaten een voortijdig liefdesverdriet: ik miste je lichaam terwijl het naast me lag, ik hunkerde naar je aanraking terwijl je arm op mijn borst rustte, wat de herinnering eraan des te reëler en mijn hartzeer des te groter maakte. Het voelde alsof ik je al had verloren.

Een stortbui van vallende sterren trok lijnen door de gezonken duisternis: laatste ademtochten van voorwerpen die zich vanmorgen nog op aarde hadden bevonden en nu terug de dampkring in vielen. Een vuurwerk van duizenden stervende dingen. Ik keek er ademloos naar, durfde niets te wensen.

Na een tijdje merkte ik dat Fiep nog wakker was.

‘Mama is ook een vallende ster,’ mompelde ze.

Ik bedacht me dat ze daar best eens gelijk in kon hebben.

De wereld stond nog geen dag op z’n kop of er was algemene consensus ontstaan over hoe overlevenden zichtbaar maakten dat zij hadden overleefd: door witte lakens of gordijnen uit hun ramen of schoorstenen te hangen. Deze vormden een eerste op zichzelf staande schakel in een uniforme keten van aan elkaar geknoopte touwbruggen en loopplanken, die zich in de dagen na de ramp aaneenreeg als een spinnenweb.

De hoop dat ik Fiep kon achterlaten bij familie vervloog meteen. Toen ik haar vroeg waar haar vader woonde antwoordde ze: ‘Bij oma.’

‘Bij oma?’

‘Ja, pap en mam ruzieden over allemaal dingen en toen zei pap dat hij van alles had moeten achterlaten om met haar te zijn en toen zei mam o, krijgen we dat weer en toen schreeuwden ze tegen elkaar en toen ging pap bij oma wonen.’ Ze zweeg even en voegde eraan toe: ‘Denk je dat oma nu ook op z’n kop staat?’

Ik voelde een steek in mijn maag. ‘Weet je waar oma woont?’

‘Ergens met de auto,’ zei Fiep, terwijl ze aan haar scheve staartjes plukte. ‘Maar ik wil niet naar oma. Oma schreeuwt ook tegen mama.’

‘Waar zou je dan naartoe willen?’

‘Ik wil naar mama.’

Ik besefte dat Fiep die dag ook niets meer had. Dus moesten we delen.

‘Dan kom je met mij mee,’ zei ik. ‘En dan gaan we onderweg naar mama zoeken. Maar dan moet je één ding voor me doen.’

‘Wat dan?’ vroeg Fiep.

Ik gaf haar de spacitroenfles. Fiep nam hem in haar handen alsof hij het gewicht droeg van de wereld. Ze keek met grote ogen door het plastic naar binnen. Blub keek met grote ogen door het plastic naar buiten. Even speelde er iets van ontzagwekkend belang tussen de goudvis en het meisje, alsof haar verlangen om haar moeder te zien en Blubs verlangen om jou te zien, wat eigenlijk míjn verlangen was om jou te zien, voor een moment één en hetzelfde verlangen waren. Toen brak een brede glimlach door op Fieps gezicht, die haar voltallige fietsenrek tentoonspreidde. Vanaf dat moment week Fiep geen moment van Blubs zijde. Had hij honger, dan schilferde ze vissenvoer door de flessenhals; had hij dorst, dan vulde ze het water aan en werd hij benauwd, dan blies ze luchtbellen met een rietje tot Blub zijn glans herwon.

Aan het eind van de wereld hebben we allemaal iets nodig om ons aan vast te houden. Als we niet vasthouden, moeten we loslaten. En als we loslaten, moeten we onze eigen baan zoeken in het universum.

Zo hield ik me vast aan het speeltuintjeshek. En stevig ook! We waren er via de galerijdeur over de tafelbladbrug naartoe geklommen, maar daar werkte de onnatuurlijke diepte onder onze voeten zo acuut op me in, dat ik me minutenlang met wapperende haren verkrampt tegen het hek perste, zonder voor- of achteruit te kunnen. Ik durfde pas om te kijken toen ik Fieps zachte hand op de mijne voelde.

‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei ze, en ze liet de spacitroenfles in haar rugzakje zien om me aan te sporen. ‘Er is niets, daar beneden.’

Dat was niet alleen het meest ware, maar ook het meest eenzame wat ze had kunnen zeggen. De diepte verloor op slag zijn betekenis. Het werd gewoon zomaar een obstakel, één van de obstakels waarlangs ik Fiep een eindje kon laten zakken of ophijsen met het spantouw dat onze lichamen verbond. Voetje voor voetje schuifelden we naar de rand van het plantsoen en met de zolderladder bereikten we de eerste kruin van de lindenrij aan de straatkant. Ondanks dat veel takken waren weggeslagen door vallende auto’s was het relatief gemakkelijk om met de ladder van boom tot boom tot vensterbank tot boom te klimmen. Zo zigzagden we vooruit, onder een opengereten aardoppervlak waaruit stroomkabels en riolen als dode aderen en botten naar buiten staken, en elke stap bracht me dichter bij jou, elke stap haalde de angel uit de wreedheid van je laatste woorden, en transformeerde de woorden in een boodschap van hoop: Blub staat nog bij jou. Ik kom hem morgen halen.

‘Hé, jullie daar!’

In een luie zetel op een getimmerd platform, dat aan een provisorische meubelconstructie een eindje onder een zolderraam hing, zat een kleine, kalende man. Er stond een thermoskan naast hem op de planken en een mok dampende koffie. Toen we hem zagen wuifde de man met zijn verrekijker.

‘De hulptroepen zijn onderweg!’ riep hij goedgemutst.

‘Echt waar?’ riep ik, met een vonk hoop.

De man schaterde het uit. ‘Natuurlijk niet! Ik dacht dat jullie de hulptroepen waren!’ Hij kletste zichzelf op de dijen en nam een slok koffie. ‘Van wat ik van hieruit kan overzien, ziet het er niet best uit!’

Ik zuchtte, toch blij met een volwassene te kunnen praten. ‘Wat denkt u dat er is gebeurd?’ vroeg ik, om me heen gebarend.

‘Joost mag het weten!’ riep de man. ‘De aarde heeft ons mooi voor het lapje gehouden! Geen internet, geen telefoon, geen informatie! Gisteravond kwam er een megafoonboodschap uit het centrum, maar het was te ver weg om te verstaan! Er gaan geruchten dat ze daar touwbruggen en constructies bouwen! Je weet wel, voldoende voorraden voor overlevenden en zo! Maar jullie zijn pas het tweede groepje dat ik vandaag voorbij heb zien komen! Het eerste kwam tot het eind van de straat en viel per ongeluk de hemel in!’ Hij pauzeerde even en voegde eraan toe: ‘We zijn ten dode opgeschreven!’

‘En u? Gaat u niet proberen naar het centrum te komen?’

‘Beste jongen!’ riep de man, ‘Ik woon hier al mijn hele leven! Voor zover ik weet ben ik de enige die zowel de opbouw als de ondergang van deze straat heeft meegemaakt! Wat zeg je me daarvan?’

Op de tweede dag van onze reis zagen we gewonde mensen op plafonds achter ramen, wapperend met gordijnen en smekend met hun hand tegen het glas.

Op de derde dag zagen we aan elkaar geknoopte lakens uit een erkerraam bungelen, waar iemand was gaan zoeken naar vaste grond.

Op de vierde dag zonk mijn hart van mijn borst naar mijn buik, omdat de uren en minuten in het heelal neerregenden en wij zo traag vooruitkwamen, en omdat ik jou zo miste, en omdat alle gewone en ongewone speculaties over de catastrofe zinloos bleken. We waren op de onderkant van de brug geklommen, die nu onder de rivier hing. Het wegdek was weggevallen, maar het ijzeren skelet was intact en een deel van de betonnen platen hing nog aan de pijlers. En nu komt het: het water was er gewoon nog. Stromend als vloeibaar lood tegen het plafond van het aardoppervlak, lachte het de natuurwetten in het gezicht uit. Hier en daar waar het oppervlak golfde, regende het naar beneden, een zacht verwaaiend nevelgordijn, alsof de waterspiegel zèlf het vlak was waarop de zwaartekracht zich omdraaide.

‘Waarom valt de rivier niet naar beneden?’ vroeg Fiep.

Ik wilde iets zeggen - Ik denk dat de aarde ons gewoon zat was - maar voor ik kon antwoorden werd Fiep omvergeblazen door een deltavlieger, die met buitengewone vaart door het gat tussen de rivier en de brug suisde. Halsoverkop greep ik haar bij haar rugzakje, voor ze met Blub en al van de brug kon kukelen. De vliegenier joelde, cirkelde rond in het luchtruim onder ons, en kwam nu van de voorzijde op ons toegevlogen. Even leek het alsof hij tegen de brug zou klappen, maar op het laatste moment trok hij de neus omhoog, waardoor de delta vaart minderde en zijn draagkracht verloor, precies boven de onderkant van de brug. Met een onhandige struikelsprong landde hij en kwam met vlieger en al tot stilstand. ‘Reddingsbrigade, tot uw dienst,’ zei de piloot. ‘Vrouwen en kinderen eerst, alstublieft.’

‘Dat was... spectaculair,’ stamelde ik.

‘Dank u, dank u,’ zei de man, terwijl hij zich losklikte van zijn toestel. ‘Gemeentelijke service. Enige manier om overlevenden op te pikken en naar de evacuatiecentra te brengen.’

‘Zijn er evacuatiecentra?’ vroeg ik ongelovig.

‘In de kelder van het stadhuis.’

‘En de gemeente had zo’n... vliegding?’

‘Drie,’ grijnsde de piloot. ‘Collega’s nog niet zien vliegen? Misschien zijn ze nog niet in dit deel van de stad geweest.’ Hij knielde neer voor Fiep en pakte haar hand beet. ‘Zo, grote meid. Heb jij zin om eens een vliegtochtje te gaan maken?’ Hij richtte zich naar me op. ‘Sorry, kinderen eerst. Protocol. Kom jou later oppikken.’

Fiep keek plompverloren van de vliegenier naar mij. Iets in haar blik alarmeerde me. Er klopte iets niet.

‘Is het niet gevaarlijk?’ vroeg ik, meer om tijd te winnen dan iets anders.

‘Thermiek zorgt dat je boven blijft,’ zei de vliegenier en hij stond op, zijn hand verplaatsend naar Fieps rug. ‘Warme lucht stijgt op, hè. Nu de hele shit op z’n kop staat, is het een en al thermiek. Vallende zooi is wat je niet wilt.’

‘En waar land je dan?’

‘Bruggen, overkappingen, loodsen met laaddeuren... zelfs bosjes werken, maar dan mol je je delta.’

‘Maar ik bedoel, bij het stadhuis...’

‘Holy fuck, zie dat!’ zei de vliegenier, en wendde zich tot de rivier, die massief boven onze hoofden voorbij stroomde. ‘Dat lijkt wel magie.’ Hij had zijn harnas afgelegd en maakte aanstalten zich verder te ontkleden, alsof hij van plan was het water te proberen. Plotseling wist ik het zeker. Er was geen evacuatiecentrum, geen gemeentelijke reddingsdienst, geen protocol. De man was een roofvogel. Hij had rondgecirkeld als een havik en zijn prooi gespot. Hij zou met Fiep wegvliegen, en ik zou wachten, en niemand zou terugkomen.

In zijn ondergoed begon de piloot het ijzeren frame dat langs de brugpijler naar de rivier liep te beklimmen. Hij had alle tijd. Wij konden geen kant op en hij wist het. Maar juist op dat moment sprong Blub met gewichtig geklots boven het water in de spafles uit en Fiep en ik wisselden een blik. Razendsnel glipte ik in het harnas en gespte de riemen vast. De vliegenier had de loodgrijze waterspiegel bereikt en stak behoedzaam zijn arm omhoog. Ik maande Fiep heftig gebarend tot haast. De hand van de piloot gleed door het oppervlak... en in stroompjes sijpelde het rivierwater langs zijn lichaam naar beneden.

‘Bizar...’ mompelde hij, maar toen draaide hij zich om, kreeg ons in het oog en riep: ‘Hé, wat moet dat!’

‘Hou je vast!’ brulde ik en ik slingerde Fiep op mijn rug, ik greep het frame van de deltavlieger en klikte karabiners vast en klikte Fiep vast, hopend biddend smekend laat haar broekriem sterk genoeg zijn, armpjes om mijn nek en de vliegenier naar beneden gesprongen en vlak achter ons en ik het op een lopen en adem in mijn keel en ogen dicht en een tel de tijd om te denken: zitten de karabiners wel vast? En toen stortten we van de brug af en tolden we als gekken naar beneden.

En een RUK! en een duizelingwekkende duikvlucht en de wereld trok zich samen. De deltavlieger richtte zich op en we vlogen. Ik schreeuwde het uit, beseffend dat ik nog nooit had gevlogen, niet zonder vleugels en niet met. De vliegenier schreeuwde het uit achter ons op de brug, nu al ver weg. En Fiep... zij schreeuwde het niet uit, maar klemde zich vast op mijn rug, had haar handen voor mijn ogen geslagen en keek zelf opgetogen om zich heen.

Het is betrekkelijk eenvoudig een ultralightvliegtuigje te besturen als de nood aan de man is, maar landen zonder grond om te landen? Dat is een ingewikkelder kwestie. Ik durfde niet meer dan een klein eindje onder het aardoppervlak te vliegen. Dat bleek eenvoudig, omdat de thermiek van de branden die met de rook tussen de versplinterde daken bleef hangen de deltavlieger inderdaad steeds weer omhoog tilde. Door mijn balans op de stang naar voren te verplaatsen doken we naar beneden en voorkwam ik dat we tegen de aarde te pletter sloegen, en na wat experimenteren kon ik draaien door mijn gewicht naar links en naar rechts te verplaatsen.

Voor het eerst sinds jouw vreselijke het ligt niet aan jou maakte zich een nieuw gevoel van me meester: een gevoel van vrijheid, dat tenminste voor even het verlangen om iemand anders en ergens anders te zijn naar de achtergrond verdrong.

Na een tijdje kwam er een vlucht ganzen naast ons vliegen. Ik vroeg me af waar ze vandaan kwamen; ze waren er gewoon ineens. Ik zette koers naar jou en de ganzen klapwiekten met ons mee.

De dode aarde was van een fabelachtige schoonheid.

We zagen geliefden die elkaar omhelsden in bomen. We zagen kinderen die uit omgekeerde ramen emmertjes met etenswaren en opgevouwen briefjes naar elkaar voorttrokken aan waslijnen. We zagen mensen die elkaar vonden op de kriskras aaneengeregen constructies die ze bouwden, en de navelstreng smeedden van een nieuwe maatschappij. En na een tijdje hadden we de stad achter ons gelaten en zagen we alleen bomen, die hun takken treurig lieten bungelen en hun blaadjes lieten dwarrelen in de peilloze diepte van de atmosfeer, zodat het leek alsof de aarde groene tranen huilde.

We waren al vlakbij waar je woonde toen Fiep wees en zei: ‘Daar kunnen we naar mama!’

Voor ons in het luchtruim hing een nagenoeg oneindige touwladder, rustig op en neer deinend in de zwoele bries. Toen we dichterbij kwamen zag ik dat de ladder uit het luik onder in een caravan kwam, die aan ijzeren kettingen aan het aardoppervlak bungelde. Deze was via een schots en scheve loopbrug van planken met een klein, ondersteboven huisje verbonden, dat bijna uit elkaar viel en vanwaaruit enorme hoeveelheden vlastouw in gesponnen ragen naar de zonderlinge caravan bewogen, alsof daarbinnen een ononderbroken productiemachine aan de gang was.

Ik cirkelde om de touwladder heen en besloot in de appelboomgaard rondom het huisje te crashen. Ranke stammen, veel takken en ondergrensd met een dicht bladerdak: uiterst twijfelachtig, maar een betere plek zouden we niet vinden.

‘Druk je plat tegen me aan,’ zei ik tegen Fiep. ‘En wat je ook doet, laat me niet los!’

Het volgende moment was het een geschok en geraas van jewelste. Takken zwiepten, bladeren kolkten, vogels vlogen krijsend op. Met een klap scheurde de delta doormidden en plots hingen we stil, het verwrongen frame aan takken geregen. Deze knapten en met een misselijkmakende luchtzak vielen we door de weeë appellucht, voor het bladerdak ons opving en ik kans zag me vast te grijpen aan een stam.

In de caravan klapte een raampje open en een tengere vrouw die ouder leek dan de aarde zelf leunde naar buiten. ‘Lieve hemel!’ riep ze uit. ‘Hebben jullie je bezeerd?’

‘Ik geloof het... niet...’ stamelde ik. En prompt rolde Fiep van mijn rug en kwam met een beduusd gezicht in het luchtledige onder de appelboom te bungelen. Duizendmaal dank aan de karabiner aan haar broekriem. Ik hengelde haar omhoog, klikte haar los en zette haar in de appelboomkruin. Op wat schrammen en kleerscheuren na hadden we de klap overleefd.

‘Kom maar vlug binnen,’ zei de vrouw. ‘Jullie zijn vast toe aan een kopje thee.’

Even later schuifelden we over de wankele loopbrug, die met boorhaken in de aarde was bevestigd, naar de hangende caravan, uitkijkend dat we niet verward raakten in de ritselende ragen vlastouw. Binnen viel mijn kin op de vloer van verbazing. De kleine caravan hing werkelijk vol met vlastouw. De vrouw die ons door het raampje had begroet was in een schommelstoel gaan zitten en vlocht het in dikke strengen bij elkaar. Een tweede, haast identieke dame knoopte de strengen tot een touwladder bijeen en liet ze door het luik in de vloer zakken.

‘Pas op dat je daar niet in valt!’ zei de laatste bezorgd. ‘Je hebt geen idee hoe diep het daar is.’

‘Natuurlijk hebben ze dat wel, Anja,’ kibbelde haar zuster. ‘Ze komen er net vandaan.’

‘Maar weten ze ook hoe díep het er is?’ Het dametje keek me vol verwachting aan en ik haalde beleefd mijn schouders op. ‘Dat bedoel ik maar, Ines,’ zei ze, en trok resoluut haar knoop aan. ‘Dat weet niemand.’

We kregen ieder een kopje dampende kruidenthee. Daarna wendde de vrouw die Anja heette zich tot Fiep, zoals oude vrouwen dat kunnen zonder zich een moment aan haar nijverij te onttrekken. ‘Wat heb je daar, lieve kind?’

Verlegen draaiend liet Fiep haar de spacitroenfles zien. De vrouw tuurde nieuwsgierig door haar dikke brillenglazen naar binnen en Blub keek even weemoedig als altijd door het dunne plastic naar buiten.

‘Een goudvis!’ riep Anja ontdaan. ‘Wat een vreselijke, vreselijke plek voor een goudvis.’

‘Vreselijk!’ beaamde haar zuster Ines. ‘Een goudvis! Dat is wel het vreselijkste wat je in een fles kunt doen.’

‘Jenever, oké...’ zei Anja.

‘Of een liefdesboodschap...’ viel Ines haar bij.

‘Maar geen goudvis!’

‘Het is ook een liefdesboodschap,’ ontglipte het me. Plotseling beefde mijn stem. ‘Tenminste, niet echt. Of nou ja, eigenlijk wel.’ En voor ik het wist vertelde ik mijn verhaal aan de twee vrouwen. Ik vertelde ze hoe jouw laatste woorden de wereld voortijdig tot een einde hadden laten komen, en hoe jouw laatste telefoontje voldoende rechtvaardiging had geboden om Blub naar jou toe te gaan brengen, een onmogelijke queeste in een onmogelijke wereld als een laatste onmogelijke blijk van mijn liefde voor jou, omdat zonder jou toch niets in de wereld goed was, althans niet voor mij, en het ook nooit meer kon zijn. Het luchtte niet op om erover te praten, mijn hart werd er geen grammetje lichter op. Ik merkte pas dat ik huilde toen Fiep in de spafles mijn tranen opving, zodat Blub dacht dat het regende en tot ieders verbazing eenmaal koppeltjedook.

‘Arm ding,’ zei Ines hoofdschuddend.

‘Arm, arm ding,’ drukte Anja het nog sterker uit.

‘Een goudvis in een fles...’

‘Steeds maar gevangen in hetzelfde rondje...’

‘Hetzelfde, benauwende rondje...’

‘Je moet haar loslaten,’ zei Anja beslist. Maar hoe, hoe, hoe kon ik jou ooit loslaten, als er geen moment voorbijging of ik wenste dat ik je heel dichtbij me kon houden zodat, voor heel even, de wereld niet langer op zijn kop zou staan? In een impuls drukte ik Fiep tegen me aan en daar, op dat moment, werd ik volledig overmand door mijn verdriet en huilde ik, ontroostbaar en zielsbedroefd. Niet alleen om de leegte die jij had achtergelaten maar ook om die te moeten opvullen met iemand anders, want als je dromen je werden afgenomen dan klampte je je wanhopig vast aan nieuwe, hoe leeg die dromen ook waren.

O Sophie, ik mis je zo.

Zo ontzettend veel.

‘Dingen veranderen nu eenmaal, lieve schat,’ zei Anja, en ze legde een broze arm op mijn schokkende schouders.

‘Het is beter om op verandering voorbereid te zijn,’ zei Ines.

‘Zodat je er niet door wordt overvallen, als het komt.’

‘Neem nou de wereld,’ stelde Ines.

‘De wereld!’ benadrukte Anja. ‘Wat als de aarde nou gewoon, eens in de zoveel tijd, alles loslaat? Terugkijkt op wat het heeft, rilt, en alles van zich afschudt?’ En daar moest de oude vrouw zelf van rillen.

‘Het is maar goed dat wij erop voorbereid waren,’ zei Ines, en gaf een ontdane ruk aan het vlastouw dat door het raampje de caravan in liep.

‘Nou en of,’ beaamde Anja. ‘Wij pakken onze biezen!’

Ik keek met hete en natte ogen naar het luik in de vloer. ‘Waar gaat u naartoe?’

‘Heb je al die vallende sterren niet gezien, ’s nachts?’ vroeg Anja. ‘Het moet prachtig zijn, daar beneden!’

‘O ja, prachtig! Wonderbaarlijk zou ik zelfs willen zeggen.’

‘Daar gaan wij naartoe!’

En in het drukke gepraat van de oude vrouwen ging het stemmetje van Fiep bijna verloren,  toen ze haar hoofd achter de spacitroenfles vandaan stak: ‘Mijn mama is ook een vallende ster.’

Een korte stilte volgde. ‘Echt waar?’ zei Ines toen. ‘Wat heerlijk voor haar! Dat betekent dat je een wens mag doen, lieve kind.’

Fieps ogen werden groot en ze kronkelde van schaamte. ‘Mag ik... mag ik met jullie mee?’

‘Maar natuurlijk, lieverd!’ zei Anja. ‘Als Tobi het goedvindt...’

Ik knikte, kon niets uitbrengen, bang dat ik nieuwe tranen niet kon inhouden.

‘Ach lieve schat,’ zuchtte Anja. ‘Laat haar toch los.’

‘Niets is het waard om je zo aan vast te klampen,’ zei Ines.

En hoofdschuddend: ‘Een vis in een fles...’

Op dat moment wist ik geloof ik niet meer of we het over Blub, over jou, of over mij hadden gehad, en of het enig verschil maakte.

Al de keren dat ik hier eerder was binnengegaan kleefden als honingdruppels aan mijn vingertoppen toen ik de loopplank tussen de laatste eik en de stijlen van het keukenvenster legde. Dol van wellust als een verliefde tiener door jouw slaapkamerraam, fluisterend zodat je ouders ons niet zouden horen. Schuddebuikend terwijl ik je over de achterdeurdrempel tilde, na een ochtendwandeling vol kalme onzin bij het meer. Met het lood in de schoenen na weer nieuwe verhalen waarvan ik wist dat ze waren gelogen, maar die ik toch uit alle macht probeerde te geloven, omdat leugens nou eenmaal altijd bedoeld zijn om een leegte op te vullen, en ik niet wilde dat je met een leegte moest leven. En nu, met jouw beslissing om zonder mij verder te willen op een hoopje in mijn handen, en de macht om die te herzien in de jouwe.

Mijn hart sprong in mijn keel toen ik de witgeverfde spiegelbeeldletters tegen het gevelraam zag: HELP. Je leefde dus nog. Jullie huis hing op z’n kop en was een ruïne van afbrokkelende herinneringen, maar je leefde nog.

‘Sophie.’

Ik stond op het plafond van de kapotgevallen keuken en luisterde naar de omgekeerde stilte.

En toen, een aardverschuiving.

‘Tobi?’

Mijn naam.

Jouw stem.

Ik klauterde door de deuropening de woonkamer binnen. Ook hier was het een ravage van omvergeworpen huisraad, opgehoopt tot helemaal aan de diep inzakkende vloerbetimmering. Maar het midden van het plafond had je vrijgeschoven en daar op de bank lag jij.

‘Je bent het echt,’ zei je, terwijl je je moeizaam overeind hees.

Ik haalde beschaamd mijn schouders op. ‘Natuurlijk.’

‘Ik dacht dat je dood was.’

Ik haalde de spacitroenfles uit mijn rugzak en hield hem voor. ‘Ik heb Blub voor je meegebracht.’

Ongelovig keek je van de vis in de fles naar mij. ‘Maar hoe ben je helemaal...’

Ik haalde mijn schouders op. Jij grijnsde. ‘Je bent ook gestoord, hè.’

‘Weet je toch.’

Jouw universum.

Mijn universum.

Ik daalde terwijl jij oprees en borg de breekbare realiteit die je was in mijn armen. Jij drukte je stijf tegen me aan we zonken neer op de bank. Je lichaamsgeur, even vanzelfsprekend en onmogelijk Sophie, was zo overweldigend en bracht zoveel met zich mee dat ik me er volledig aan moest overgeven, wat er hierna ook ging gebeuren. Het maakte me gek. Het maakte niet uit. En dus begroef ik mijn gezicht in je hals en inhaleerde je geur als een drug, me gulzig onderdompelend in jouw aanwezigheid. Zo bleven we lange tijd liggen, innig verstrengeld, in een volmaakt, louter, zijn.

‘Alles oké?’ vroeg ik, natte lippen onder je oorlel.

‘Ja. Ik geloof het wel, ja.’ Hete lucht uit jouw binnenste in mijn haar. ‘Volgens mij is mijn knieschijf gebroken. En mijn rug doet heel erg pijn.’

‘Lag je in bed?’

‘Eronder.’

‘Stil maar. Ik ben er nu.’ Ik streelde het ragfijne dons achter je oor, de ronding van je nek.

‘Tobi.’

‘Sssj.’

‘Maar...’

‘Het is oké.’

‘Alles is wel ontzettend naar de klote, hè?’

Ik duwde ons zachtjes uit elkaar zodat ik je kon aankijken. ‘Je belde me.’

‘Ja.’

‘Sophie.’

Je liet me los en hees jezelf overeind, omdat je de situatie niet aankon. Maar ik omklemde je hand en zei: ‘Ik heb je gemist, Sophie.’

‘Hou op.’ Er liep een traan over je wang. ‘Ik maak me zo’n zorgen om mama en papa. Ik heb niets van ze gehoord. Sinds het gebeurde heb ik niemand gezien, helemaal niemand. Weet jij of er hulp komt?’

Ik voelde me wee worden van binnen. ‘Ik ben toch gekomen?’

Lange tijd keek je me aan. ‘Het spijt me hoe het is gelopen.’

‘Ja. Mij ook,’ zei ik. ‘Het was leuker toen het nog overeind stond. Stuk eenvoudiger latten, ook.’

‘Tobi.’

‘Ja sorry.’ Mijn stem beefde, zoekend naar houvast. ‘Ik weet me er gewoon geen raad mee. Alles is toch anders nu. Kunnen we niet...’

‘Tobi.’

‘Maar kunnen we niet...’

‘Niet doen, Tobi.’

Ik kon mijn tranen niet inhouden. ‘Maar ik zal alles anders doen.’

‘Jij was het niet die iets anders moest doen.’

‘Ik kan het niet alleen, Sophie.’

‘Kun je best.’

‘Maar ik hou van je.’

Weet je nog dat je op dat moment wegkeek, zoals je zo gewend was? Je ogen te zwaar, daarbinnen een onpeilbare diepte. Ik werd van je weggerukt, ik viel en ik viel, en toen: PLONS! in een fles vol bruisende tranen. Een wervelende draaikolk zoog me dieper en dieper onder water, voortgestuwd door de kracht van jouw wegkijken. In paniek trappelde ik met mijn benen en klauwde vergeefs naar houvast tegen gladde, plastic wanden.

‘Ik hou van je!’ probeerde ik te gillen, maar mijn liefde steeg in bellen naar het oppervlak en spatte uit elkaar. Ik maaide verzwakt met mijn armen, trommelde tegen het plastic. En achter het etiket keek jij weg, zag niet dat ik verdronk. In een trage spiraal zonk ik naar beneden en raakte met een doffe bonk de bodem van de spacitroenfles.

Met longen volgelopen met tranen fluisterde ik: ‘Alsjeblieft...’

En jij zei: ‘Ik heb tijd nodig.’

Proestend kwam ik boven, happend naar adem. Doorweekt en met klepperende oren liet ik de leugen van die woorden over me neerdalen. Zodra ik bij machte was hees ik mezelf overeind en strompelde de woonkamer uit.

‘Wat ga je doen?’

‘Aspirine voor je halen,’ mompelde ik stompzinnig.

‘Wacht!’

Maar ik was de keuken al door en hoorde je niet meer. Hangend aan de trapleuning liet ik me naar de bovenverdieping zakken. Na alles wat ik had moeten doorstaan, na de talloze malen dat ik mijn leven in de waagschaal had gesteld om Blub naar je toe te brengen, mijn liefde voor jou vergeefs had trachten te stillen met mijn liefde voor jou en was opgekrabbeld uit de branding van de stervende aarde... had jij tijd nodig? Hoeveel tijd denk je dat de wereld je nog geeft, Sophie?

Met een klap landde ik op de holstaande zoldering, die kraakte onder mijn gewicht. Als op dat moment het huis was weggebroken had het me niet uitgemaakt. Maar zelfs die genade was me niet gegund, omdat ik was voorbestemd in jouw kille werkelijkheid ten onder te gaan, niet in mijn illusie.

De slaapkamer. Mijn foto hing niet aan je muur. Ik wilde geloven dat hij was kapotgevallen, liever dan alles in de wereld wilde ik dat geloven. Andere fotolijstjes, versplinterd over het plafond: vakantiekiekjes, familie, je vrienden. Ik kende ze door en door. Verfrommeld truitje, dat ik in Parijs voor je had uitgezocht. Opengevallen backgammonbord. Gedeukte kaarsen. Ondersteboven bed. Kapot glas. Boeddhabeeldje. Geen spoor van mijn foto.

De aarde keerde zich af van schaamte.

Blub rolde op zijn buik en kwam bovendrijven.

Aan wat mijn kant van het bed was geweest lagen de sneakers van een ander het horloge van een ander en hoekanikbeschrijven wat er nu komt hoekanikdoorgaan vraag ik me af terwijl mijn leven zich zo buiten mij om had kunnen voltrekken terwijlikhetniethadgeweten of had ik het wel degelijk geweten maaktedathetnietalleenmaarerger doornaardebadkamer hippe jeans hip shirt bloedtussendetegels hijmoethebbengedouchtdegietijzerenbadkuipwasu-itgebroken hadhemverpletterdzijnportemonnaieinzijnbroekzakstudentenkaartIDkaartTomheettehijTomnogwatb-londejongenhalflanghaarhelemaaljouwtypehetbadkamerraamstondopenwathadjemethemgedaanverdommedezelfd-efuckingavondspreiddejijjebenenwathebjemetmíjgedaan?

Toen ik weer beneden was leunde jij uit het keukenvenster, voorovergebogen onder het gewicht van gemiste kansen. Je huilde. Onder mij, onder de loopplank die van jou wegleidde, dwarrelden de pasjes met zijn foto’s erop langzaam omlaag. Ik keek je strak aan. Ja, je had tijd voor jezelf nodig, ja, ik begreep dat je moest ontdekken wie je wilde zijn. Ik begreep je verlangen naar een rustiger plek zonder beloftes en bekentenissen. Ik zou je zelfs je fouten hebben vergeven. Je was mijn wereld. Maar alles had de wereld van zich afgestoten. Meer logica dan een mens kon bevatten en meer mensen dan bevattelijkerwijs logisch was... alles behalve het weerzinwekkende beeld dat jij voor een ander huilde en het dagende besef dat er in deze door jouw geschapen werkelijkheid geen plek meer voor mij was.

En de goudvis?

Die verdiende beter.

Het was als een droom aan het eind van de wereld: ik zat op een lage boomtak onder de oever van het hangende meer. Mijn benen bungelden in de diepte en boven me zag ik mezelf weerspiegeld in het water, dat brandde in de bovengaande zon. Toen ik tegen de spacitroenfles tikte ging er een siddering door Blubs tere vinnen en draaide hij zijn kop naar me toe.

‘Toe maar jongen,’ zei ik, en schroefde de dop van de fles. ‘Je bent vrij.’

Ik hield de spafles omhoog en stak de bovenkant door de waterspiegel. Luchtbellen borrelden omlaag en bleven op de weegschaal van de zwaartekracht drijven. Blub sloeg het sceptisch gade. Toen strekte ik mijn arm uit, duwde de fles onder water en keerde hem om.

En ook Blub floepte om. Ineens zwom hij ondersteboven, schichtig van de ene naar de andere kant van de spafles glibberend. De luchtbellen ontsnapten en ik wiegde de fles zachtjes op en neer, tot Blub de opening van de schroefdop ontdekte en er nieuwsgierig door naar buiten gluurde.

‘Ga maar,’ fluisterde ik, het neerspattende water uit mijn haren schuddend. ‘Je bent vrij.’

Even aarzelde de goudvis nog. Toen zwom hij door de monding naar buiten. Hij keek om zich heen, op zijn hoede. Plots zwierden en krioelden zijn vinnen en schoot hij weg in de diepte.

Dat was het dan. Dag, Blub. Ik glimlachte, een beetje weemoedig. Maar mijn weemoedigheid werd algauw weggespoeld door een gevoel van vervulling, toen ik de spafles uit het meer trok en eindelijk, na zo’n lange reis, losliet. Ik keek hoe de fles naar beneden buitelde en uit het zicht verdween. Daarna richtte ik me op. Tot mijn verbazing keek Blub me vanachter de weerspiegeling van mijn gezicht liefdevol aan. Hij was teruggekomen naar de oppervlakte en tuitte zijn lippen boven water, alsof hij een geheim verklapte. Het veroorzaakte een minieme rimpeling. Ik kon mijn ogen niet van dit beeld afhouden. Waarom wekte het zoveel liefde bij me op? En toen zag ik het. Natuurlijk. Blub was niet ondersteboven... ik was ondersteboven. Het is allemaal een kwestie van perspectief.

Als je er vanaf een andere kant naar keek, stond de wereld gewoon overeind.

Ik kleedde me uit tot ik naakt was, haalde diep adem. Ik stak mijn hoofd door de waterspiegel, genietend van de plotselinge sensatie van koelte en bruisende luchtbellen die neerdaalden en mijn gezicht schoonspoelden. Wankelend kwam ik overeind op de tak, mijn armen in het water grabbelend, nu tot mijn middel ondergedompeld. En toen ik mezelf afzette kreeg de zwaartekracht vat op me en gleed ik als een duiker Blubs wereld binnen.

Ik kwam boven. Al watertrappelend begon ik te lachen. Ik was vergeten hoe normaal eruit zag. Hoewel, normaal... want al zakte de zon nu achter de horizon en bevond ik me aan de goede kant van boven en onder; mijn natte haren stonden in slierten overeind en lieten het regenen in het heelal. Daar moest ik nog harder om lachen. Aan de oever hieven bomen hun armen als kinderen die door hun moeder een trui werd aangetrokken. Ergens brak een tak, die kaarsrecht omhoog de hemel in viel.

Blub dartelde speels om me heen, een oranje schicht in het diepgroene water. Ik dook onder en we buitelden en koppeltjedoken tot mijn longen ervan barstten. Elke keer dat ik bovenkwam voelde ik me lichter. Uiteindelijk zwommen we in onze nieuwbereikte normaliteit naar het midden van het meer, zij aan zij, de goudvis en ik.

Daar, op mijn plekje in de wereld, liet ik hem los.

Ik weet niet of mijn slaap droomloos was omdat er geen vallende sterren waren of omdat er een plaagzieke twijg van de boomkruin in mijn rug stak, maar toen ik de volgende ochtend wakker werd klampte er een naargeestige mist aan het aardoppervlak. Overal, waar ik ook keek, was het grijs. Ik vroeg me af waar de mist vandaan kwam. Er heerste een doffe stilte, waarin elk geluid dat ik voortbracht bleef hangen en me bewust maakte van mezelf.

Het duurde niet lang eer ik terug was bij de hangende caravan, maar de twee oude vrouwen en Fiep waren verdwenen. Het luik in de vloer stond open en het uiteinde van de touwladder was aan een van de schommelstoelen geknoopt. Ik beeldde me in hoe Anja en Ines volgeladen met hun bezittingen en naarstig kibbelend, treetje voor treetje de touwladder afdaalden, met Fiep nieuwsgierig achter hen aan. Ergens, veel lager waar de sterren vielen, zouden ze tegen de vrouw met de Albert Heijn-tassen opbotsen en zij zou zeggen: Nee maar, ik was net naar jullie op zoek.

Ik sloeg mijn benen over de rand van het luik en hield me vast aan de eerste sport. Onder mijn voeten deinde de ladder kalm heen en weer en vervaagde in de mist. Ik haalde diep adem en begon af te dalen, met mijn ogen dicht, alsof ik slaapwandelde. Condensdruppeltjes van nevel vormden zich aan mijn wimpers. Toen ik mijn open weer opende was het aardoppervlak verdwenen en zag ik boven me alleen nog de vage contouren van de caravan. Even later was ook dat weg.

Nu ben ik alleen, in de mist.

Dacht jij aan me?

En als jij me zou zien afdalen, zou je je dan afvragen waar de touwladder naartoe leidt? Maar dan zou ik je zeggen dat het niet belangrijk is. Het gaat om het pad dat je volgt, de reis die je maakt. Wanneer je dat beseft kun je makkelijker loslaten, aan het eind.

Ik denk dat ik wil dat je weet dat je me zo, ongelooflijk, veel pijn hebt gedaan, Sophie. Nu daal ik de ladder af. Op zoek naar vaste grond onder mijn voeten. Het is niet makkelijk. Ik ben doodsbang voor wat ik daaronder zal aantreffen. Maar ik sluit mijn ogen, en daal verder af. Soms schudden de touwen, en beeld ik me in dat jij het bent die me volgt, ergens daarboven in de mist. Maar misschien is het alleen maar de wind. En ik besef dat het me niet uitmaakt. Ik ben ook iemand.

Hier beneden zijn we allemaal vallende sterren.

CONCLUSIES VAN HET DEBAT ‘WAAROM HET ONTEGENZEGGELIJK VASTSTAAT DAT GOUDVISSEN LIEFHEBBEN’ (Uit: Het pad van de goudvis, p. 794, eerste herziene druk 1984, tweede herziene druk 1987)

Dat doet het niet, en moge iedereen die beweert dat het dat wel doet in de hoogste boom worden opgeknoopt, maar oké, het tegendeel is niet onomstotelijk bewezen (zie APPENDIX XIV: OVER HET ZIJN, VERLANGEN, DROMEN, ROUWEN, VERWERKEN, LOSLATEN EN ANDERE SOCIALE WETENSWAARDIGHEDEN VAN DE GOUDVIS)

EINDE



Over de auteur

Hebban Fantasy

276 volgers
20 boeken
0 favorieten


Reacties op: Awardwinnaar: Thomas Olde Heuvelt

 

Over

Thomas Olde Heuvelt

Thomas Olde Heuvelt

Thomas Baudelet Olde Heuvelt (Nijmegen, 1983) is een Nederlandse auteur. Zijn werk valt in te delen onder magisch realisme, fantasy, moderne horror en spanning, en heeft vaak een humoristische en emot...