Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Vertalersgeluktournee: Vertaler, een magisch beroep

In 2020 viert het Letterenfonds het tienjarig jubileum van de Europese Literatuurprijs. Op Hebban vind je de lezingenreeks van de voor deze prijs genomineerde vertalers. Marianne Molenaar vertaalde 'De andere naam' van de Noorse auteur Jon Fosse. 'Om dat te bereiken liet ik me bij de eerste vertaalronde [...] volkomen meedrijven door de stroom van het origineel.'

Door: Marianne Molenaar

Vertalen heeft iets magisch: tijdens de eerste en eigenlijke vertaalronde neem je met je ogen een tekst in een bepaalde taal op en typen je vingers diezelfde tekst min of meer tegelijkertijd in een andere taal. Wat daar tussenin gebeurt? Geen idee. Ik heb me dat proces wel eens visueel voorgesteld: een enorme wand met allerlei mapjes waarin woorden en uitdrukkingen in mij bekende talen verzameld zijn en waarlangs grijparmpjes op zoek zijn naar de juiste oplossing (grappig genoeg beschreef Knausgård in een van zijn boeken mijn wand als groot vlak). Goed, ze blijven weleens haken of steken, maar toch vinden ze verbazend vaak iets passends, soms zelfs perfect, zij het dat dat weleens in de verkeerde taal gebeurt! Dus waar zoeken ze naar? Wat zijn de criteria? De passende betekenis, sfeer, geur, toon, een beeld? Het totaal van dit alles? Geen idee, het gebeurt ergens diep van binnen en wordt opgeroepen door alles wat die tekst die ik lees in mij oproept: gevoelens, gedachten, herinneringen, beelden, associaties, noem maar op.

Ook de teksten van Jon Fosse hebben iets magisch. Dat komt vooral door zijn taal en zijn stijl. De taal waarin Fosse schrijft is Nynorsk. Noorwegen kent twee officiële talen, het Bokmål, sterk beïnvloed door het Deens, en het Nynorsk, dat gebaseerd is op de oude Noorse dialecten. Fosses consequente gebruik van het Nynorsk verleent zijn teksten een enigszins archaïsche sfeer, wat nog wordt versterkt doordat hij oude en oud aandoende namen en vormen van namen gebruikt zoals Bjørgvin voor Bergen en Sygnefjord voor Sognefjord. Bovendien doen Fosses teksten een beetje ouderwets aan door zijn heel eigen stijl. De andere naam bijvoorbeeld is één lange aaneenrijging van voornamelijk korte hoofdzinnen, slechts met komma‘s gescheiden, terwijl de bijzinnen hoofdzakelijk causaal zijn. De woordkeus is eenvoudig: Fosse gebruikt veelal woorden uit het dagelijks leven met weinig abstracte connotaties, die nauwelijks verwijzen naar de tijd of de maatschappij waarin het verhaal speelt. Het modernste woord in De andere naam is auto, geloof ik. Nee, tractor! Maar het meest kenmerkende stijlelement in Fosses teksten is toch de herhaling. Woorden, zinnen en frases worden telkens weer herhaald of lichtelijk gevarieerd. Dit gebeurt op alle niveaus: het woordgroepje 'zegt hij', het woordje 'en', maar ook hele zinnen en zelfs hele alinea‘s komen steeds weer terug. Merkwaardig genoeg werkt dat niet storend, het geeft de tekst juist een eigen ritme, een cadans, een melodie, ja, het geheel krijgt er zelfs iets plechtigs door.

Al deze elementen samen onderstrepen het tijdloze van het verhaal in De andere naam. Als lezer zien we, zo vermoeden we, hoe hoofdpersoon Asle, een oudere man, zijn leven aan zich voorbij ziet trekken, maar de situatie wordt nergens expliciet uitgelegd. We treden met het eerste woord zijn gedachtestroom binnen en verlaten die niet meer, heden en verleden wisselen elkaar af onderbroken door overpeinzingen over de Kunst en zijn eigen werk als kunstschilder, gedachten over het geloof en gebeden.

Bij het vertalen van De andere naam in het Nederlands valt van alle dragende stijlkenmerken een van de belangrijkste weg. Wij kennen niets vergelijkbaars als het Nynorsk. Een groot verlies! Dat patina gaat volledig verloren, elke poging het met een kunstgreep te behouden, bijvoorbeeld door een bepaald dialect te kiezen, zou de vertaling iets kunstmatigs geven dat in het origineel ontbreekt. Wat ik als vertaalster wel bewust kan doen is ook mijn tekst zo basaal en tijdloos mogelijk houden en geen te moderne of te 'moeilijke' woorden en uitdrukkingen gebruiken, maar zo veel mogelijk spreektaal. Er wordt tenslotte een gedachtestroom weergegeven; daarin passen geen woorden als 'aangezien' of 'als het ware'. Daarnaast kan ik proberen dat heel eigen ritme, die cadans, die melodie van het origineel zoveel mogelijk te behouden. Om dat te bereiken liet ik me bij de eerste vertaalronde, waarbij ik de vertaling in de computer typ, volkomen meedrijven door de stroom van het origineel, zonder veel na te denken, na te slaan, meteen te verbeteren of te verwerpen. Bij de tweede ronde, het corrigeren en aanpassen van de vertaling, liet ik me bij mijn keuzes vooral leiden door het ritme van de taal. Natuurlijk is dat in het Nederlands niet altijd exact hetzelfde als in het Noors, maar het moest in elk geval 'kloppen', de tekst mocht niet stotteren, moest net zo vloeiend zijn als het origineel. Het gevaar van deze werkwijze is dat de vertaling veel te dicht bij het origineel blijft en on-Nederlands gaat klinken of gaat haperen, en dat mocht niet, want van haperen is in het origineel geen sprake. Maar gelukkig zijn er altijd mensen die willen proeflezen om je op het juiste spoor te houden.

Achteraf bleek de door mij gekozen werkwijze van het 'onbewuste' vertalen een ontzettend leuk neveneffect te hebben: het bleek dat ik woorden en uitdrukkingen had gekozen die ergens heel diep verborgen lagen en die ik al jaren niet meer heb gebruikt, zoals 'omkukelen' en 'dan ben ik weer het heertje'. Met hun ietwat gedateerde karakter vond ik ze perfect in deze tekst passen en ik heb er dan ook dankbaar gebruik van gemaakt.

Juist dat maakt vertalen voor mij zo spannend: dat bewuste/onbewuste zoeken naar de juiste toon, de juiste kleur, kortom het juiste woord. En als je het hebt gevonden, past het dan wel in het geheel? Heeft het de juiste tint, kleurt het niet te veel af op de rest, moet het niet een beetje verwaterd, een beetje met zwart of met wit gevernist? Bij die zoektocht werken net als in de schilderkunst van Asle, alle herinneringen, ervaringen en gevoelens die ik heb vergaard mee. Belangrijk daarbij zijn vooral alle beelden die ik in me heb opgeslagen van de Noorse literatuur, de Noorse natuur, kortom van Noorwegen. En dat schuilt allemaal in die mapjes ergens diep daarbinnen en wordt opgeroepen door de taal van een kunstenaar als Jon Fosse. Magisch toch!

Marianne Molenaar heeft een reeks romans van gerenommeerde Noorse schrijvers als Knut Hamsun, Cecilie Løveid, Dag Solstad, Per Petterson, Hanne Ørstavik, Tomas Espedal, Karl Ove Knausgård en last but not least Jon Fosse vertaald. Haar vertalingen Vader en Liefde van Knausgård en Slapeloos van Fosse werden eerder voor de Europese Literatuurprijs genomineerd. Voor Vader kreeg zij in 2012 de Amy van Marken Vertaalprijs. Haar vertaling De andere naam is niet alleen genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2020 maar ook voor de Filter Vertaalprijs 2020.

Jon Fosse (Haugesund, 1959) groeide op in de provincie Hordaland in Noorwegen. Hij publiceerde zowel poëziebundels als romans, en schrijft recenter ook veel voor het toneel. Zijn toneelstukken worden over de hele wereld gespeeld. Zijn werk is veelvuldig bekroond, onder meer met de Literatuurprijs van de Noordse Raad voor zijn Andvake-trilogien. In Nederlandse vertaling verschenen tot nu toe bij de Wereldbibliotheek de romans Ochtend en avond en Slapeloos (vertaling Marianne Molenaar), en bij uitgeverij Oevers Melancholie, Melancholie II (vertaling Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven) en De andere naam. Septologie I-II. Het vervolg Ik is een ander, Septologie III-V verschijnt begin 2021, wederom in vertaling van Marianne Molenaar; in 2022 volgt Een nieuwe naam, Septologie VI-VII.

 Naar het vertalerskanaal



Over de auteur

Nederlands Letterenfonds

13 volgers
0 boeken
0 favorieten
Specialist


Reacties op: Vertalersgeluktournee: Vertaler, een magisch beroep

 

Gerelateerd

Over

Jon Fosse

Jon Fosse

Jon Fosse (Haugesund, 1959) groeide op in de provincie Hordaland in Noorwegen...