Advertentie

Hebban vandaag

Interview /

Vlaanderen Thrilt #4 • Jo Claes

Vlaanderen is het stukje België waar Nederlanders door moeten, willen ze beter weer bereiken. Een langgerekte zucht naar de Franse soleil. Vlot bollend transitland waar het leven wat minder strak is dan thuis en mensen pas open bloeien met een kroes bier binnen handbereik.

Vlaanderen wordt bevolkt door Bourgondiërs, plantrekkers en opportunisten. Door lui die van dagelijkse deugden levenslange geneugten maken. Die meer doen met dwaasheid en gebazel dan een noorderling kan vatten.

Vlamingen zijn kunstenaars voor het leven. Zij schilderen heuvels die ze bergen noemen. Zingen over lichtjes aan hun stromen, over het kabbelen van hun veel te kleine zee. Schrijven boeken die ze thrillers noemen, waarin al dat leven mag wemelen.

Het is tijd voor de Vlaamse thriller. Vanachter de brede rug van Pieter Aspe gluren heel wat kandidaat vaandeldragers. Het wordt tijd dat we ze op hun waarde schatten, hen aan het woord laten, deze Vlaamse reuzen in wording.

Het is weer tijd voor de Vlaamse thriller. Of u wilt of niet, het thrilt in Vlaanderen. We vervolgen deze reeks met wederom een topper. Dames en Heren, hier is Jo Claes!


 

Tekst: Raymond Rombout Foto's: Leo Goossenaarts



Tussen Ernest en Paul

In het gesprek met Jo Claes vraag ik of zijn statuut als schrijver van non-fictie doorwerkt bij zijn thrillers. Dat hij dus bekendheid van het ene naar het andere genre meeneemt. Jo vindt van niet. Hij vermoedt dat bij zijn vroeger werk het onderwerp belangrijker is dan de auteur, en dat eigenaars van die boeken niet beseffen dat hij nu thrillers schrijft. “Ik heb tenslotte een heel ordinaire naam, nietwaar,” zegt hij. “In de bibliotheek kom ik vlak achter Ernest en voor Paul Claes, toch twee mensen met een oeuvre om u tegen te zeggen.”

Dit tekent de Jo onder de Claes-en. Nuchter, beide voeten op de grond, en zoals de staande uitdrukking luidt: ook in het onderwijs. Daar ondervindt hij dagelijks dat jonge mensen geen verhalen meer kennen. Wie verhalen wil lezen in een thriller moet bij Jo Claes zijn. Dikke turven, maar tonnen genoegdoening als je klaar bent. Wie Claes nog niet heeft gelezen, reppe zich naar de dichtstbijzijnde bibliotheek. Je vindt hem bij de C. Tussen Ernest en Paul. In goed gezelschap.


Voor Thomas Berg werd geboren schreef je fictieverhalen. Daarna stapte je over naar mythologie. Wat was de oorzaak?
“Mijn uitgever stond geen tweede druk toe voor een uitverkocht boek. Eerst dacht ik goed, tijd om een pauze in te lassen, maar een andere uitgever wilde de tweede druk wel brengen. Bij het contractgesprek vroeg hij waarmee ik bezig was. Ik vertelde dat ik religieuze achtergronden onderzocht voor mijn vrouw die in opleiding was voor restaurateur. Dat zou hem wellicht niet interesseren. Het bleek echter het beroemde gat in de markt. Zo ging dat aan het rollen. Een hagiografie of een iconografie, iets met mythologie, er was altijd iets dat mijn aandacht vroeg. Voor ik het wist waren we zoveel jaar verder. Mijn vingers bleven echter jeuken voor fictie, mijn eerste liefde.”

In 2008 trad je toe tot de gilde der Vlaamse misdaadschrijvers. De zaak Torfs is het eerste verhaal van Thomas Berg
“Je kent dat verhaal wellicht toen ik met mijn dochters op vakantie was. Zij openden mijn ogen. Moet je eens goed kijken, papa, wat iedereen hier aan het zwembad leest: acht op de tien een misdaadverhaal.”

Vast de enige boeken die ze jaarlijks lezen, precies op vakantie
“Tuurlijk, maar dat doet er niet toe. Ik had er, eerlijk gezegd, nooit over nagedacht. Ik was in mijn jeugd helemaal geen misdaadlezer, behoudens Ellory Queen of Agatha Christie. Maar mijn dochters speelden het scherp: wil je niet of kan je niet? Dat draaide uit op een weddenschap. Ze legden me enkele handicaps op: het moest zich afspelen in Leuven, het moest een serie worden en ik kreeg een jaar tijd voor het eerste boek. Dat werd De zaak Torfs. Vermits de plot rond restauratie draaide, kon ik de research overslaan, want in het voorjaar zou het boek verschijnen. Ik won de weddenschap, een fles Veuve Clicquot. Tussen haakjes, mijn dochters blijken heel goede verliezers, want bij elk nieuw boek krijg ik een nieuwe fles. Maar kijk, tot mijn eigen verbazing vond ik thrillers schrijven leuk.”

Je dochters maanden je stevig aan om voor Leuven te kiezen?
“Ja, maar dat is niet echt een probleem. Ik woon hier immers veertig jaar en zou nooit ergens anders naartoe willen. Leuven is een kruising van een provinciegat en een middelgrote stad, maar ontsnapt aan de nietigheid door haar universiteit. Als je beseft dat hier jaarlijks veertigduizend mensen bij worden geduwd in een middeleeuwse binnenstad, niet voorzien op zoveel inwoners en verkeer. Je weet dan gewoon dat iedereen op elkaars lip zit, en dit een potentieel kruitvat is. Ik zei daarnet dat ik geen misdaadliteratuur las, maar ben wel een grote fan van Inspector Morse. Oxford is mooier, hier is tijdens de wereldoorlogen wel wat kapot gemaakt. Daarenboven wilde ik geen boek schrijven dat zich eender waar kan afspelen. Ik wil dat de stad als een echt personage fungeert.”

Je vindt het overigens belangrijk dat we de Thomas Berg-boeken geen thrillers noemen maar misdaadromans.
“Op mijn covers staat inderdaad 'misdaadroman'. De term 'literaire thriller' is in mijn ogen een contradictio in terminis. In de meeste gevallen dekt de vlag de lading niet. Ik vind dat ik romans schrijf, waarin een moord gebeurt. Een thriller is mijns inziens louter en alleen gericht op spanning, intrige en vooral veel vaart. De rest doet er niet toe, zelfs de stijl niet, als ik zo eens rond lees. Ik denk bovendien dat ik dat soort misdaadverhalen schrijf, dat niet eigen is aan het genre. Ik hoor vaak dat lezers die nooit misdaadboeken lezen, de mijne wel lezen. Kijk, ik vind het gek dat men in dit land zo’n onderscheid maakt tussen literatuur en misdaad. Je kunt die twee combineren, en ik probeer dat. In de Angelsaksische literatuur heeft men daar nooit moeilijk over gedaan. Patricia Highsmith, Hemingway, Graham Greene, Iris Murdoch, noem maar op, die schreven beide genres. Nooit kraaide daar een haan naar, hier wordt er een muur tussen gezet. Waarom moet dat zo in vakjes worden gestoken?”

De standbeelden op de covers behoren tot het patrimonium van Leuven, zijn bovendien in elk verhaal functioneel. Heb je daarover vanaf boek één nagedacht?
“Toch wel. In De zaak Torfs begon het met een beeld van Peter Vanbekbergen dat ik zonder kosten mocht gebruiken. Dat werd een constante. De rechten van het beeld van Rik Poot op de cover van De blinde vlek berusten bij het Provinciebestuur. De gouverneur was fier dat hij dat gratis kon verlenen. Toen kwam Jan Fabre, voor Het oog van de naald. Die man wordt onvoorstelbaar afgeschermd. Toen ik hem uiteindelijk te pakken kreeg, zei hij: ik zeg niet ja, ik zeg niet nee, laat eerst maar eens de cover zien. Nou, dat is de wereld op zijn kop natuurlijk, want na al de moeite en kosten voor een cover kon hij dus nog altijd nee zeggen. Mijn dochter is fotografe. Als je dat beeld, een metalen naald, tegen de lucht fotografeert, is de kever onderbelicht. Zij fotografeerde dus met flash. Met flash is die metalen paal weer niet te zien. Zij monteerde dus twee foto’s, mét en zonder flash. De beste foto van dat beeld ooit gemaakt, prees Fabre.”



Thomas Berg

In Tot de dood ons scheidt beschrijf je het karakter van inspecteur Berg, door de ogen van zijn collega Coens. Berg is autoritair wanneer hij onder druk staat, maar niet te beroerd zijn ongelijk toe te geven. Hij leeft voor politiewerk en drinkt sloten koffie. Hij is een meesterlijke kok, een connaisseur van wijnen, een operaliefhebber, een vat vol tegenstrijdigheden. Hij heeft het geduld van een eendagsvlieg. Leest nooit de krant, maar is belezen. Hij is niet getrouwd, maar ligt voortdurend overhoop met vrouwen. Hoeveel van Claes zit er in Berg?
“Dat is toch de vraag die ik altijd krijg, hé? Ik kweek ook orchideeën. Berg is er mee begonnen, ik pikte dat van hem. Ik verzamel, net als Berg, oud zilver. Dat is het zowat. Ik probeer niet mezelf in die figuur te leggen.”

Het appartement van Berg is een zeventiende eeuws pand in het centrum van de stad. Zijn tuin grenst aan een middeleeuwse stadswal en hij kweekt orchideeën in een oranjerie. Verder luistert hij naar klassieke muziek. Het verwondert me dat hij geen kruiswoordraadsels oplost van De Morgen. Hoeveel Inspector Morse zit er in Berg?
“Ik denk niet dat Morse theologie studeerde. Morse was gek op autorijden met zijn jaguar, Berg rijdt geen auto.”

Ik bedoel het karakter van Morse, het prototype van de norse inspecteur.
“Morse had ook wel iets nors, dat klopt.”

Goed, maar het draait niet écht om de details an sich, maar om het feit dat, toen je met Berg begon, Morse het evidente prototype was voor de intelligente, gecultiveerde politie-inspecteur.
“Dat wel, ik wilde een verstandig iemand. Kijk, Berg opereert in een universiteitsstad en komt daarom geregeld in contact met verdachten die een hoge opleiding hebben en een riant IQ. Je kunt toch niet iemand brengen die geen kennis heeft over mythologie, geschiedenis, of wat dan ook, die wordt toch constant onder tafel gepraat? Ik kon bijna niet anders. Dus liet ik hem twee jaar theologie studeren. Iemand die niet heeft gestudeerd, kent die verhalen niet. Ik had niet speciaal Morse voor ogen, maar misschien wel dat type. Ik vind dat zo jammer, een cultuur die zijn verhalen verliest, verliest fundament. Dat gevoel weerspiegelt zich ook in mijn misdaadverhalen. Ik vind dat een misdaadverhaal meer mag hebben dan enkel de plot. Zonder iemand met de vinger te wijzen, dat is niet het soort boeken dat ik wil schrijven, dat is mij te dun.”

Berg verbetert zijn collega’s herhaaldelijk op taalgebruik. Is de leraar in jou niet te temmen?
“Het verbeteren van taalfouten, dat geef ik eerlijk toe: dat is mijn leraarskantje. Dat komt voort uit een inside grap met de uitgeverij. Uiteraard heeft het te maken met mijn beroep, ik krijg 16-17 jarigen niet aan hun verstand gebracht dat ze correct Nederlands moeten spreken. Vandaar dat ik het Berg laat zeggen: het bepaalt voor een stuk wie je bent, hoe je overkomt.”

Eigenlijk is Berg een kluns wat vrouwen betreft. Hij leidt wat je kunt noemen: een getormenteerd liefdesleven. Zal je hem in de toekomst wat rust gunnen met een evenwichtige relatie?
“Wat heb ik aan een hoofdpersonage dat gelukkig is getrouwd? Er is toch niks zo saai als geluk? In geluk zit geen enkel verhaal. Alleen met problemen heb je een verhaal. Politiewerk legt, dat zal iedereen uit het vak je zeggen, een zware belasting op een relatie. Het is moeilijk samenleven met zo iemand. Als Berg in een zaak verwikkeld is, doet hij niks anders dan tot een gat in de nacht drinken.”

Nog even over die relatie. Berg neemt de afwijzing van een geliefde slecht op en is des duivels. Op een hotelkamer in Rijsel gaat hij uit de bol en smijt zelfs een hotelstoel door het raam. Heb je die scène uitgeschreven om te bewijzen dat iedereen woedend kan reageren, dat passionele moord wel degelijk bestaat?
“Ik ben ervan overtuigd dat iedereen dingen doet die hij niet wil doen. Ik ben ervan overtuigd dat in ieder van ons een potentiële moordenaar zit. Stel dat je in een situatie komt dat jouw kind wordt bedreigd met de dood. Hoeveel procent van de mensen gaat dan niet door het lint? Ik ben ook al eens door het lint gegaan, maar heb niet noodzakelijk een stoel door het raam geworpen.”

De blinde vlek

Ik verdenk je ervan dat precies het merkwaardige balkon aan het provinciehuis bij jou de hele intrige in gang zette.
“Absoluut. Omdat ik elke keer met mijn hond in dat park wandel. Ik kijk daar altijd naar op. Ik zie het vanuit mijn tuin. Het wordt heel moeilijk dat als misdaadauteur te laten liggen, hè? Dat is Gefundenes Fressen. Als ik het gebruik, wil ik het ook zien, om die gewaarwording te voelen. Maar daar geraak je zomaar niet, je moet dus netwerken. Er op staan was heel eng, want die zijwanden zijn doorzichtig. Het is veel groter dan je denkt. Je kunt er zonder problemen met 12-15 mensen op.”

Achtergrondkennis van een verhaal kan je niet opzoeken, die moet je gewoon weten, beweer je. Een lezer voelt meteen of feiten berusten op research of niet. Mag ik mij niet akkoord verklaren?
“Dat ging over het beschrijven van locaties. In mijn ogen kun je dat niet door op internet te zoeken. De lezer voelt dat. Neem nu Sagalassos. Ik ben daar geweest, kreeg een rondleiding. Daar houdt het niet op, hè? Hoe weet ik nu hoe die Vlamingen die daar alle dagen in die hitte werken, hoe die logeren, eten? Je kunt dat verzinnen, maar ik wil dat niet, ik wil precies weten hoe dat is. Een archeologe, die daar 5 jaar heeft gewerkt, heeft me via tientallen mails geholpen. Je moet dat uit eerste hand hebben.”

Krijg je gemakkelijk respons als je om research vraagt?
“Bij de politie heb ik een aantal fans. Ze gaven me een spontane rondleiding en ik heb daar het werkkader van Berg op gebaseerd. De recherche werkt inderdaad op de tweede verdieping, zijn baas zit een verdieping lager. Zo’n dingen kloppen. Dat is een van de voordelen van Leuven, je hebt hier elke mogelijke vakkennis bij de hand.”




Door het oog van de naald

In Door het oog van de naald speelt het verhaal zich af op je oude school. Kon je de verleiding weerstaan om enkele afrekeningen te maken?
“Je moet altijd oppassen als je over je eigen biotoop schrijft. Had ook niet de bedoeling het proces te maken van het onderwijs, dat hoort niet thuis in een misdaadverhaal. Ik wist op voorhand dat ik op eieren moest lopen. Je hebt geen idee hoe men achteraf personages vergelijkt. Om een voorbeeld te geven. Ik zit ergens te signeren. Komt een man naar me toe en zegt: ik heb een paar van uw boeken gelezen. Ik: dat doet me plezier. Ja, gaat hij verder, ik ben de eigenaar van de Kaminsky. Ja, juist, daar heb ik een scène gesitueerd. Dat klopt, er stond in dat Berg de koffie maar zozo vond. Dat vond ik helemaal niet leuk. En hij liep weg. Nou, gelukkig gebeurt dat ook andersom. Hoeveel reacties ik nu krijg over koffie die daar of daar beter is.”

Tot de dood ons scheidt

De familierelaties tussen Leeters, Winters en Dehaene, in combinatie met de flashbacks naar de Tweede Wereldoorlog, de symboliek van hanen en uilen. Je creëert eigenlijk een ingewikkelde plot, waar je als lezer goed je hoofd moet bijhouden. Hoe verzorg jij logica en verhouding van al die details?
“De plot, dat weet jij ook, is het moeilijkste. Het moet allemaal in elkaar passen. Het is al gebeurd dat ik vastliep omdat ik niet iemand ben die werkt met schema’s. Ik ken de grote lijnen, maar weet op geen stukken na hoe Berg dat allemaal gaat oplossen. Elke keer opnieuw maak ik mezelf de belofte een heel scenario uit te schrijven, met oplossing, slot en alles er op en er aan. Bij mij blijkt dat niet te werken. Na zo’n paar weken voorbereiden begint het te kriebelen en herval ik elke keer opnieuw in dezelfde stommiteit. Het is blijkbaar sterker dan mezelf. Dus nee, voor mij is uitschrijven geen goede methode.”

Zegt een auteur van meer dan 20 boeken …
“Bij non-fictie moet je je domein afbakenen, akkoord. Voor een misdaadverhaal zou dat ook moeten, maar daar werkt het niet bij mij. Ik schrijf ’s ochtends, slaap maar vier uur per dag, dus voor ik ga werken heb ik al drie, vier uur geschreven. Ik schrijf nooit ’s avonds, dan ben ik niet alert genoeg. Ik ben ook een hele trage schrijver, heb een volledig jaar nodig voor een roman. Ik herlees en herwerk heel veel. Indien ik zou schrijven volgens structuur, is dat saai. Dan zit er voor mezelf niks meer in. Soms kom ik daarbij op een ingeving, die mijn hele dag goed maakt. Het voorkomt dat een lezer alles op voorhand ziet aankomen, want ik weet het zelf niet eens. Maar goed, ieder zijn methode.”

Joris Dehaene blijkt een fictief figuur. Werd hij niet vaag op iemand gebaseerd
“Maar dat hoeft toch niet altijd? Het personage is zogezegd in de vergetelheid geraakt tot iemand er een scriptie over maakt. De rest klopt wel degelijk. Het laatste Avondmaal wérd meegenomen door de Duitsers. In dat huis wérden studentenkamers verhuurd. De uilen op de gevel kom je ook binnen tegen want de Jezuïeten zagen het huis oorspronkelijk als bibliotheek. Toen de bibliotheek op het Ladeuzeplein in brand stond, hebben buurtbewoners écht meegeholpen boeken te redden. Dat staat niet in de geschiedenisboeken, maar overlevering bevestigt dat. De poging van het verzet om Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts te redden is dan weer fictief.”

Berg ergert zich vaak aan de verwaarlozing van het historisch erfgoed. Ben jij dan aan het woord?
“Het is wel zo dat ik me gruwelijk erger hoe we hier met ons patrimonium omgaan. Ik schrijf het in mijn boek, zowat elke Leuvenaar kent de Janseniustoren, maar haast niemand weet waar die staat. Dit wordt niet toeristisch uitgebaat, en naar mijn smaak niet onderhouden zoals het moet. Idem met de 12-eeuwse ringmuur die aan de tuin van Berg grenst. Hoeveel steden in dit land hebben zo’n muur? Hier wordt die al twintig jaar gestut door zware ijzers, waardoor inbraak in de aanpalende huizen kinderspel is. Dat ergert mij blauw. Die ergernis ligt ook aan de basis voor Tot de dood ons scheidt. Met vele Leuvenaars stond ik daar te kijken, zeg maar te knarsetanden toen die bulldozers over het voormalige Fochplein denderden.”

Getekend vonnis

Meestal beperk je je tot één moord per boek. In Getekend vonnis laat je een seriemoordenaar toe. Iemand die spelletjes speelt met de politie, door hen de coördinaten te sturen van de volgende moord. Heeft een verhaal rond een seriemoordenaar een bijzondere aantrekkingskracht?
“Ja, maar mijn personage is iemand die seriemoord ensceneert. Precies dat maakte dat ik me ontrokken voelde aan de clichés van het genre. Ik wou daarnaast iets doen over strips. Ik ben een verzamelaar, dat heeft me altijd geboeid. Ik vertrok dus opnieuw vanuit eigen kennis, maar nam wel contact met het milieu. Bijvoorbeeld die eigenaardigheid dat Hergé zijn Kuifjes maar om de andere bladzijde tekende, dat heeft een Kuifjeskenner mij verteld.”

Met Getekend vonnis verscheen je voor het eerst op een shortlist van een literaire thrillerprijs. Opent dit deuren?
“Weet ik veel wat een jury beweegt. Ik vind het een rare vaststelling dat Getekend vonnis twee nominaties krijgt en Tot de dood ons scheidt geen enkele. Mijn vrouw lachte onlangs om een tijdschriftartikel waarin ik werd vernoemd als gevestigde waarde. Dat was inderdaad bij boek vijf. Ik weet niet wat die ommekeer bracht. Ik denk dat het pas iets verandert als je die Gouden Strop effectief wint, zeker naar de Nederlandse markt toe.
Na De Gouden Strop ben ik in de Amsterdamse boekhandels gaan kijken. Nou mijn boek lag er niet. Omgekeerd geldt dat ook, hoor. De andere genomineerden waren Michael Berg, Arjen Lubach, Charles den Tex, Corine Hartman. Den Tex vind je hier nog, maar die andere drie zul je vruchteloos zoeken. Michael Berg wint De Gouden Strop, de week nadien vind je dat boek hier helemaal niet. Het werkt in twee richtingen, alsof er een muur staat tussen Nederland en Vlaanderen. In de literaire fictie is dat evenzo. Ik begrijp het niet, het is in ieders voordeel als het anders zou zijn, en toch gebeurt het niet.”

Hoeveel Berg-boeken mogen we nog vewachten?
“Ooit zei ik in een onbezonnen ogenblik, een dozijn. Weet ik veel. Ik ben aan nummer acht bezig. Bij leven en welzijn, en zolang ik me amuseer. Als ik plots het gevoel krijg dat het genoeg is, stop ik er mee. Op diezelfde manier ben ik ooit met Berg begonnen.”



Over de auteur

Raymond Rombout

75 volgers
17 boeken
0 favorieten
Auteur


Reacties op: Vlaanderen Thrilt #4 • Jo Claes

 

Over

Jo Claes

Jo Claes

Jo Claes (1955) is een Vlaamse auteur, en daarnaast leraar Engels en Nederlands. Hij schreef een aantal novelles en romans en publiceerde bestsellers over mythologie, hagiografie en iconografie.Voor ...