Advertentie

Hebban vandaag

Column /

Zo zondag #31: Martijn Neggers

In 'Zo Zondag' vertellen auteurs, uitgevers, redacteuren en andere boekenvakkers met een verhaal hun verhaal. Vandaag een column van Martijn Neggers over het schrijven van zijn tweede roman: 'Ik ben met een groot piratenschip alle zeeën op geweest, en nu moet ik mijn schip alleen nog zo veilig mogelijk de haven in krijgen. Maar ik wil nog niet naar huis.'

Naar de hoeren en naar de dokter.

Ik heb een boek geschreven, met een kop en een staart en een middenstuk. Spoetnik, heet het. En het is bijna af. Er zitten vervelende personages in, personages waar je medelijden mee kunt krijgen, dieren, geile wijven, irritante tieners, en hier en daar een plotwending. Het is bijna af. Het heeft een paar motto’s en een handjevol leidmotieven. Een spanningsboog, en allerlei problemen die na verloop van tijd weer ingelost worden, al dan niet zoals de protagonist dat eigenlijk het liefst zou willen. Ik zit ongveer aan de vijfenzeventigduizend woorden. Van de negentigduizend.

En nu staar ik naar mijn scherm en naar mijn aantekeningen die overal om me heen aan de muren hangen. Naar de schema’s van de ontwikkelingen die de personages doormaken. De personages die voor mij op dit punt net zulke werkelijke figuren zijn geworden als mijn vrienden, mijn familie en de mensen die bij me in de buurt wonen. Ik kijk ernaar, terwijl ik achterover leun en denk: potdomme, Neg, nog vijftienduizend woorden, je bent er bijna.

Terwijl ik dat denk, scroll ik nog maar eens door mijn manuscript heen. Ja. Ik heb ook al hoofdstuktitels. Ik verberg mijn document en kijk op youtube de verzamelde doelpunten uit de carrière van Luc Nilis. Daarna speel ik een paar rondjes on-line pokémon. Ik verlies er een paar en win er een paar. Ik klik mijn manuscript weer aan en kijk ernaar. Nog vijftienduizend woorden. Dat is in de twee weken die er nog voor staan, best te doen, als ik een beetje doorwerk. Dan wandel ik naar het buurtcafé voor een kop koffie.

Een paar uur later kijk ik weer naar hetzelfde manuscript. Nog steeds bestaat het uit vijfenzeventigduizend woorden. Ik sta op en haal een groot vel met aantekeningen van de muur. Ik schrijf ze nog eens een keer over, maar dan netjes. Dan hang ik het weer op, waar de vorige, iets minder netjes geschreven versie hing. En dan, ineens, valt het bij me binnen:

Ik heb vijfenzeventigduizend woorden de ruimte gehad om álles wat ik wilde te laten gebeuren in mijn nieuwe roman. Vijfenzeventigduizend woorden ben ik de baas geweest over mijn boek. Ik heb bepaald hoe lang het ging worden, wie er mee mochten doen, en hoe groot hun rol ongeveer mocht zijn. Ik heb de mensen namen gegeven die ik ze goed vond passen. Ik bedacht een hond die ik vervolgens Bulldoze noemde, en ik bedacht een Lisanne van de Gudderlake. Een Manfred van Schaijk. Ik bedacht een Wilfried Lugungu en ik bedacht een middelbare school. Een straat, een friettent. 

Ik ben met een groot piratenschip alle zeeën op geweest, en nu moet ik mijn schip alleen nog zo veilig mogelijk de haven in krijgen. Maar ik wil nog niet naar huis.

En nu mag ik niks meer bedenken. Ik heb nog vijftienduizend woorden over om het allemaal in goede banen richting het einde te brengen, dat ik ook al bedacht heb. Ik moet de laatste vakken zo mooi mogelijk inkleuren, zodat alles wat ik bedacht op de goede manier samenkomt. En dat blijf ik maar uitstellen en uitstellen, omdat ik weet dat wanneer ik dat gedaan heb, ik er écht geen Henny Berkers meer in kan stoppen. Ik in dit boek écht geen garage meer kan stoppen die ik ‘Franks Auto Paradijsie Amsterdam’ mag noemen. Vanaf dit punt is mijn boek de baas.

Ik ben met een groot piratenschip alle zeeën op geweest, en nu moet ik mijn schip alleen nog zo veilig mogelijk de haven in krijgen. Maar ik wil nog niet naar huis.

Dus ik sta nog eens op, en wandel naar het buurtcafé. En daarna ga ik thuis een uurtje in bad. Ik ga achter mijn computer zitten, pak mijn manuscript er weer eens bij, klik het weer weg en zet Netflix aan. Het liefst zou ik nog tien jaar rond blijven varen.

Maar de bemanning wordt ongeduldig, wil naar de hoeren. En het eten is op. En de laatste flessen drank zijn op. En Jordy, het hulpje van de kok, heeft buikloop en moet aan wal behandeld worden. Dus tik ik door.

Over twee weken lever ik de eerste versie van mijn nieuwe manuscript in. Nog twee weken laveren. En dan zijn we thuis, mijn personages en ik. Kan iedereen eindelijk naar de hoeren of naar de dokter. Of allebei, al naar gelang de noodzaak.



Martijn Neggers (Eindhoven, 1987) is schrijver voor Nieuwe Revu en Team Edgar. In 2016 kwam zijn debuutroman De mensen die achterbleven uit bij Nijgh & Van Ditmar. In 2018 verschijnt zijn tweede roman Spoetnik.

In 2014 richtte hij literair tijdschrift De Titaan op, en daarnaast schreef hij oa. voor Tirade, Hard Gras, Playboy, Brabants Dagblad en VICE Sports.





Eerdere afleveringen

Eva Kelder | Marijn Sikken | Steven de Jong | Auke Hulst | Henk van Straten | Frieda Mulisch | Robbert Welagen | Jeroen Windmeijer | Roderick Leeuwenhart | Tomer PawlickiMilou Klein Lankhorst | Carlo Groot | Murat Isik | Renee Kelder | Martyn van Beek | Gerrit Janssens | Hannah Jansen Morrison | Anke Laterveer | Guido Eekhaut | Sander Verheijen |Bronja Hoffschlag | Fien De Meulder

 

- advertentie -



Over de auteur

Hebban Crew

1937 volgers
3 boeken
3 favoriet
Hebban Crew


Reacties op: Zo zondag #31: Martijn Neggers

 

Gerelateerd

Over

Martijn Neggers

Martijn Neggers

Martijn Neggers (Eindhoven, 1987) woont en werkt in Tilburg en schreef onder and...