Blogpost: Bert Bergs

Hoe '30 dagen' begon

Hoe ‘30 dagen’ begon… alles moest in Gent gebeuren.

Ik wilde perse een thriller schrijven die zich volledig in Gent afspeelde. Om dit aan te kondigen had ik een origineel idee: mijn personages hadden mij in een café uitgenodigd om naar hun gerieven te luisteren.

Het was al laat in de avond. Er stonden drie verschillende bierglazen op een tafeltje dicht bij de Leuvense stoof in het Waterhuis aan de Bierkant in Gent. Bij gebrek aan Leffe was het een La Trappe blond voor Marc Ackein, het Koninckske of Bolleke paste bij Frans De Nolf die zijn Antwerpse roots nooit zou verloochenen, en de Gentse tripel had ik besteld om ook mijn chauvinisme in de kijker te zetten.
‘Het is al welletjes geweest. Waarom weet Marc altijd meer in een onderzoek en mag ik uiteindelijk alleen maar de boel opruimen’, gooide hoofdinspecteur De Nolf van het Gentse team “geweld” op tafel. 
‘Ja, Frans, je moet dat begrijpen. Marc is onderzoeksjournalist en veel flexibeler. Hij is freelancer en hoeft aan niemand verantwoording af te leggen wanneer hij naar het buitenland trekt. En daar speelt het verhaal zich ook dikwijls af’, antwoordde ik voorzichtig en keek naar Marc, bij wie ik een vage bevestiging meende te zien.
‘Het is toch waar, hè, Marc?’ vroeg ik hem nog om zeker te zijn.
‘Ja, Bert, maar in “Het duivelse recept”, heb jij mij toch alleen maar in België laten rondsnuffelen. Brussel was het verste waar ik naartoe mocht, terwijl tal van interessante zaken zich hadden afgespeeld in Egypte, Libië en Tunesië.' 
‘Hoho, Marc. Je hebt in het verhaal een snoepreisje naar Kos gekregen, of ben je dat al vergeten?’
‘Ocharme, twee weekjes vakantie in Kos, die ik dan ook nog zuur had verdiend. Moet ik je hiervoor eens trakteren, Bert?’ 
‘Marc, je bent ondankbaar! Ik heb je ook Sofia leren kennen in “Cirkel Twaalf”.’
‘Vier daagjes Sofia. Bert, wees eens ernstig, hè.’‘En je reisjes naar Duitsland in “Het Pi-algoritme”? Je hebt verdomme zelfs in Leipzig gezeten. Ik heb die stad nog niet eens gezien.’
Marc schudde zijn hoofd en lachte. ‘Maar, Bert, wees toch eens realistisch. Bij mij ging het altijd maar over een paar daagjes in een buurland, terwijl de grootste misdadiger naar Japan mocht vliegen. Ik vind dat …’ 
‘Stop, stop, genoeg! Bert, je hebt mijn vraag nog altijd niet beantwoord’, onderbrak De Nolf, die de discussie over reizen beu was. ‘Nogmaals, waarom mag ik altijd alleen maar de boel opruimen?’ 
‘Ach Frans, ik houd jou op de achtergrond omdat ik moet bekennen dat ik zo weinig weet over de Gentse politie.’ 
‘Wel Bert, hier heb je de naam van de woordvoerder van de politie in Gent. Bel hem op met mijn complimenten.’ 
‘Ja, maar Frans …’
‘Tuttut, laat mij dit keer maar iets meer doen. Laat mij maar eens uit de schaduw komen.’ 
‘Dat gaat niet, Frans. Jij en Marc vormden nooit een hecht team. Er was altijd wrijving tussen jullie.’ 
‘Maar denk toch eens na, man. Dat is potdorie precies wat de lezers willen.’
Ik zat tussen drie vuren: mijn eigen fantasie, hun onbezonnen willetjes en de Leuvense stoof.
‘Goed, ik zal het proberen. Maar houd jullie klaar, het zal er hard aan toegaan.’ 
‘Prima’, antwoordden beide tafelgenoten in koor.
‘Maar onder die voorwaarde, Marc, dat jij dit keer in Gent blijft.’ 
‘Hoezo?’ 
‘Ik heb geen geld voor reizen. Mijn boeken brengen te weinig op.’ 
Het was even stil.‘Goed, maar bezorg mij dan een vriendin. Ik zit al lang genoeg zonder.’ 
‘Ik zal het overwegen.’
Ik stond op, liep naar de toog en betaalde de consumpties. Ik passeerde nog een tafeltje met twee personages en drie verschillende bierglazen. ‘Jongens, ik zie jullie wel bezig in het verhaal.’ 

Hoe ‘30 dagen’ begon… het proloog.

Tijdens het googelen viel mijn blik op een groene Buick Convertible uit 1953, die ergens op een site te koop werd aangeboden. Wat mij onmiddellijk opviel was het brede verchroomd rooster vooraan de wagen. Het leek op een dierenmuil die mij grijnzend toelachte. Onmiddellijk ontsprong de eerste zin van mijn nieuwe boek in mijn gedachten: ‘Breedsmoelkikker of breedbekkikker, zo noemden zijn vrienden de nieuwe auto.’ Die auto zou het worden. Met witgeverfde banden, zoals in de good old days, zou de wagen het paradepaardje worden van Herman Tavernier, die er graag op de zonnige zondagen aan de Belgische kust mee uitpakte. Maar niet op die zonnige junizondag in 1978. Zijn vrouw, Els wilde absoluut vermijden dat hun baby in zijn mandje op de achterbank van een open auto lag. Het dakzeil moest erover. Maar die leek op een vale, vieze, vuile vaatdoek en ontsierde stellig de blinkende Amerikaan. Dat dit smerig dak zou bijdragen tot de ondergang van de Taverniers was niet te voorspellen …

Bert Bergs

Reacties op: Hoe '30 dagen' begon