Blogpost: Karin en Dimitri

Taaltendensen

Door Karin

Ik verbaas me er al een tijdje over hoe er op facebook kan staan: Die en die heeft de bericht van Zus en zo gedeeld. Of: Zus en zo vindt de filmpje van Die en die leuk. Net zoals een programmamaker bij Eva Jinek vertelt hoe die verhaaltje tot stand gekomen is. Carlo Boszhard hoor ik in zijn zondagmiddagprogramma zeggen: ‘Het is een leuk spel die…’ De rest registreer ik al niet meer wegens een loeiend alarm. Wat is er toch met het woordje ‘dat’ gebeurd? Hebben we massaal besloten het te boycotten? Dat ruimt het veld, die wint terrein. De eerste keer dat mij hierover wat opviel was vele jaren geleden in de tram. Twee allochtone vrouwen zaten gezellig te kletsen. ‘Ja, ik heb die vest nog gekocht. En die rode rokje staat er heel leuk bij.’ Ik vond het vertederend klinken. Correct gebruik van lidwoorden en alles wat daaruit voorkomt, is immers een van de moeilijkste dingen in een taal. Vooral in het Nederlands waar ze nauwelijks te herleiden zijn. Mijn gebruik van le en la, der die en das, il en la is ook verre van foutloos. Maar tegenwoordig zeggen zelfs moedertalers ik wil graag op die podium staan, zoals ik hoorde in Tourette on Tour. Taal is nooit statisch. Ergo deelt mijn man mij tijdens het avondeten mee: ‘Ik heb een leuk bootje gezien, maar die is langer dan vijf meter.’ Om niet de schoolfrik uit te gaan hangen, stop ik gauw een volle lepel in mijn mond. Aan de ene kant vind ik het jammer dat zo’n variëteit verdwijnt, aan de andere kant is het ook lekker makkelijk. Alles is gewoon de en die. Hebben we geen onzijdig meer en doen we meteen ook het mannelijk en vrouwelijk de deur uit, want het taalgevoel daarvoor hebben wij Nederlanders, in tegenstelling tot onze Zuiderburen, toch al niet meer. In dat opzicht wordt het Nederlands dan net zo eenvoudig als het Engels dat ook maar één lidwoord heeft. Een andere tendens is dat hij heeft in de ban gaat ten gunste van hij heb. Wat een schok was het dat ik mijn moeder hoorde zeggen: ‘Hij heb het me niet verteld.’ En toen ik haar hierop wees: ‘O? Zei ik dat? Wat vreselijk. Attendeer me er maar op.’ Dat heb ik in mijn bereidwilligheid een paar keer gedaan, maar er was geen beginnen aan. Vervolgens had ik een kennis aan de telefoon die in haar eentje in het buitenland zat. ‘Karin, Roel heb dat niet geweten.’ Ik was verbaasd. Zo weinig Nederlandse invloed en binnen een paar maanden zeg je al hij heb? Ook mijn chique, onlangs overleden schoonmoeder kwam met hij heb aanzetten. Inmiddels had ik geleerd om hierbij niet meer met mijn ogen te knipperen. Op de tv is hij heb al schering en inslag. In the Voice of Holland: ‘Onze vaste reporter heb zo onderhand alle uithoeken van Nederland gezien.’ Komt de opmars van hij heb soms uit een soort luiheid voort? Hij heeft is lastiger uit te spreken. Je moet je even ‘inspannen’ en je tong tegen je gehemelte drukken om die t goed te laten horen. Terwijl je met hij heb, eigenlijk in één actie klaar bent omdat je het zo lekker aan elkaar kunt plakken. Deze ontwikkelingen zijn een natuurlijk proces dat verre van betreurenswaardig is. Anders zouden wij nog steeds tegen elkaar zeggen: Mi lanct na di gheselle mijn. Toch voel ik als ik hij heb hoor bij iemand die verder neutraal spreekt, een onaangenaam speldenprikje. Misschien omdat ik dit als geboren en getogen Amsterdamse associeer met plat, niet wenselijk taalgebruik dat in mijn jeugd uit den boze was. Want anderen vinden een lokale tongval leuk, de spreker in kwestie kan het vaak minder waarderen.

In de spreektaal zijn genoemde fenomenen niet meer te stuiten en ik vraag me af hoe dit in het geschreven woord door gaat werken. Wanneer worden daarin het lidwoord ‘het’ en de voornaamwoorden ‘dat’ geroyeerd? Wanneer wordt er in dialogen standaard hij heb gebruikt omdat mensen nu eenmaal zo praten? En wanneer wordt ook in de rest van de tekst hij heeft vervangen door hij heb omdat hij heeft, hopeloos verouderd is? Ik gok op over een jaar of twintig. Maar ik blijf netjes dat gebruiken waar dat nodig is. De eerste die mij erop betrapt dat ik dat niet doe, krijgt van mij een fles prosecco. Ook hij heb ben ik niet van plan in de mond te nemen. Over dertig jaar word ik vanwege mijn archaïsche taalgebruik vast gezien als een meelijwekkende zonderling. Waarschijnlijk zal ik na decennia fel gestreden te hebben, op mijn sterfbed eindelijk zielenrust vinden en me conformeren: ‘Treur niet lieverds,’ zal ik mijn dierbaren toespreken. ‘Karin heb een mooi leven gehad.‘   Karin

Lees verder op mijn site

Reacties op: Taaltendensen