Blogpost: GeaBesselink

Vuurzeewandeling - kort verhaal

“Mam, maaham!”“Wat is er Nathan?” korzelig kijkt ze op van haar mobiel.
“Ik wil graag naar de Vuurzee.”
Zijn moeder reageert zowaar niet op een nieuw inkomend bericht.“Vuur-vuurzee?” Nathan gaat vlak voor zijn moeder staan. Zijn moeder zit in een terrasstoel voor de tent van de camper.
“Ja, vuurzee”, knikt hij.
“En wat mag dat dan wel niet zijn?” Ze laat haar telefoon zakken om in de grote ogen van haar jongste zoon te kijken. Zijn wangen zijn rood van opwinding. Zijn handen houden de hengels van een rugzak vast.
“De boswachter in het animatieteam heeft er gisteren over verteld. Vanavond is het zover.”
“Maar Nathan, als de boswachter een verhaal heeft verteld, wil nog niet zeggen, dat we uit moeten gaan zoeken of het werkelijk bestaat.”
“Dus je wilt niet mee?” Zijn mondhoeken gaan naar beneden en hij houdt de hengels extra stevig vast.
“Nee. Ik heb het druk met het werk. Heb je je vader al gevraagd?” Ze kijkt opzij naar haar man. Verstopt achter een krant.
“Pap?” vraagt hij hoopvol. “Ga jij dan met mij mee?”
“Jongen, nu even niet. Ik heb net even tijd om de krant door te nemen”, antwoordt een gedempte bromstem.
“Waarom hebben jullie zo weinig tijd voor mij? Jullie zijn steeds druk met werk.”
De krant gaat een stuk naar beneden, zodat Nathans vader zijn zoon kan bekijken.
“Morgen gaan we iets leuks doen met z’n allen. Ja, toch, schat?” Zijn blik verplaatst zich naar rechts.
“Ja, misschien. Als het niet te warm is.”
“Maar die vuurzee is alleen vanavond!”
“Heb je Roan al gevraagd?” vraagt zijn moeder.
“Die heeft het ook druk. Met zijn vriendin enzo...”
Zijn moeder draait haar hoofd richting de voortent. “Roan! Kom eens hier alsjeblieft.”
"Nu?” klinkt het verstoord.
"Ja, nu!”
Een paar tellen later steekt hun puberende zoon zijn hoofd door de flappen van de voortent. “Wat is er zo dringend?”
“Je gaat even met Nathan mee. Het is goed als jullie met elkaar iets gaan doen.”
“Wát moet ik gaan doen? Ik heb het druk.”
Zijn moeder houdt vol. “Je gaat nu met Nathan mee. Hij wil graag een stukje wandelen.”
“Met een rugzak? Waar gaan we heen?”
“Naar de Vuurzee. De boswachter heeft er over verteld.” Nathan lacht aandoenlijk.
“Als het maar niet te lang duurt”, verzucht Roan en keert terug de tent in om zijn schoenen aan te trekken. 

“Nou, waar gaat de reis heen?” Roan kijkt opzij.
Nathan verlaat nog net niet huppelend het campingterrein. Het terrein ligt op een grote heuvel in het Zuid-Limburgse landschap.
“We gaan daar het bos in.” Nathan wijst met zijn wijsvinger richting een opening van het bos onder hen.
“Je weet het zeker? Ik wil er niet te lang over doen.” Vanuit de achterzijde van zijn broek klinkt  het geluid van een wedstrijdfluit.
“Kun je dat ding niet uitzetten? Dat je er zelf niet zat van wordt.”
“Zo’n mobiel is hartstikke handig. Jij krijgt over een maand vast ook zo’n ding. Ik was ook elf, toen ik het kreeg van pa en ma.”
“Ja, héél erg handig. Misschien kan ik dan meer contact met jullie krijgen tijdens het eten, of wanneer dan ook.”
Ze volgen inmiddels het stoffige glooiende pad, met aan weerszijden weilanden, dat hen rechtstreeks naar het bos brengt.
Op deze zomeravond ruikt het naar gedroogd gras. Een aantal koeien staren loom naar de wandelaars.

Ze bereiken het bos en vervolgen via een klaphek het pad. De bladeren van de eiken aan weerszijden van het pad ruisen hen zachtjes welkom, dat vervolgens wordt beantwoord door de schelle wedstrijdfluit.
Nathan besluit het geluid te negeren en loopt stevig door. Roan volgt iets langzamer, terwijl hij ondertussen zijn telefoon bekijkt. Vaardig beantwoordt hij zijn berichten met twee duimen. Af en toe kijkt hij op of een boomwortel zijn pad niet verspert.
Ineens wordt zijn doorgang belemmerd! Net op tijd stopt hij. Verschrikt kijkt hij op naar de beuk die voor hem staat. De wedstrijdfluit klinkt in zijn hand, maar hij reageert niet.
Hij kijkt om zich heen en ziet dat hij op een tweesprong is beland. Nathan is nergens te bekennen.
“Nathan! Waar ben je?! Nathan!” Weer klinkt de wedstrijdfluit. Roan zet met een nijdig gebaar het geluid uit en stopt de telefoon diep in zijn broekzak.
“Nathan! Doe niet zo flauw. Zeg even waar je bent.” Bosgeluiden beantwoorden zijn geroep. “Pa en ma doen mij wat als ik niet met hem terugkom.” Hij wist het plotselinge opgekomen zweet met zijn pols van zijn voorhoofd. Ineens lijkt hij zich iets te herinneren. Had Nathan niet gezegd, ‘we gaan zo rechts’? Ja, dat had hij gezegd. Hij bedenkt zich niet en slaat het pad in. Op een drafje loopt hij verder. Het pad versmalt zich. Aan de linkerzijde ligt bos en aan de rechterzijde vormt zich een muur van mergel.
Onderwijl blijft hij roepen. Zijn shirt plakt inmiddels vast aan zijn rug.
“Waarom blijft die jongen ook niet op mij wacht...” Ineens ziet hij aan de rechterzijde Nathans rugzak staan. Hij stopt en houdt zijn adem even in. Hij tilt de rugtas op en merkt een ruime spleet op in de mergelwand.
“Nathan!”Hij kijkt om zich heen en ziet hoe de schemering is ingevallen. Het zonlicht tussen de bomen is nagenoeg verdwenen. Zwarte schaduwen bewegen zich vluchtig over en langs hem heen. Geritsel tussen de bomen.
Een schreeuw!
Van schrik laat hij de rugzak vallen. Hij voelt zijn snelle hartslag. Instinctief grijpt hij naar zijn telefoon. Hij grijpt nog een keer. En nog eens. “Nee! Mijn telefoon is weg!!” Hij voelt nogmaals al zijn zakken na en slaat vervolgens met zijn vuist tegen de mergelwand. Een stekende pijn trekt door zijn hand. Wanhopig strijkt hij met zijn andere hand door zijn haar.
“Wat moet ik nu doen?” Roan onderzoekt de spleet en beseft dat de ruimte voldoende is om hier door te kruipen. Hij haalt diep adem, kruipt tussen de mergelwanden in en beweegt zich er langzaam tussendoor. Het steen schuurt tegen zijn onderarmen en benen.
Opgelucht bereikt hij na een aantal minuten het einde van de spleet. Hij kijkt om zich heen. In de schemering ziet hij een poel dat omringd is door berken en eiken. Hij focust zich sterker en daar! Daar op de grond ligt iets! Een lichaam. Hij weet het zeker.
In een opwelling wil hij gaan roepen, maar beseft dan, dat hij wel eens niet alleen zou kunnen zijn.
Hij luistert ingespannen naar het geluid om zich heen. Nog dieper dan zojuist dringt de overgang van dag naar nacht tot hem door. Hij hoort opnieuw schreeuwen, hoog boven hem. Gevolgd door kraken, kwaken en gezang.
Hij ziet de schim bewegen. Geschrokken drukt hij zich tegen de rotswand aan. De schim staat op en komt langzaam dichterbij, gebogen onder een kleed. Takken knappen. Geschuifel over bladeren.
Trillend blaast hij zijn adem uit. Dat moet de schim gehoord hebben.
“Ik moet me vermannen”, denkt hij en gaat rechtop staan. Hij zet zich af van de rotswand en stapt vooruit.“Wie ben je!” roept hij. Er volgt een klik en een lichtbundel verblindt hem. Hij slaat een arm voor zijn gezicht en probeert zijn ogen te beschermen.
“Wie ben je!!”
Opeens hoort hij een schaterende lach. Het licht wordt uitgeknipt en de schim ontdoet zich van een deken. Er klinkt een dof geluid. “Geweldig!” hoort Roan roepen. “Wat kun jij goed meespelen.”
“W-wat?” Roan laat zijn armen naast zijn lijf bungelen en kijkt onthutst. “Ben jij dat, Nathan?”
“Ja, dûh, wie anders.”
“Wat, waarom, hoe... wat is dit?” Roan doet een paar stappen vooruit. Hij slaat zijn armen demonstratief over elkaar heen. “Je hebt mij laten schrikken. Vind je dat soms leuk? Ik maakte mij zorgen over je.”
“Vond je dit niet grappig?” Nathan’s stem klinkt zwakjes.
“Nee, absoluut niet. Pak je spullen, dan gaan we terug. Pa en ma zullen wel doodongerust zijn ondertussen!”
“Denk je? Ze zijn toch maar met andere dingen bezig. Ze willen niets. Jij ook niet, trouwens.”
“Stel je niet zo aan. We zijn toch samen op vakantie?”
“Ja, jullie met de mobiel en ik mag me alleen vermaken.”
“Zo erg is het niet.” De boosheid in de stem van Roan lijkt af te zwakken.
“Zo erg is het wel. Ik dacht, als ik nu eens een soort speurtocht verzin, misschien dat ze wel eens wat willen doen. Heel misschien.”
“Dus die vuurzee van jou bestaat helemaal niet?”
“Nee. Niet echt. Het spijt me als je het niet leuk vond.”
Roan slaakt een diepe zucht. “Het is al goed. We gaan terug en dan gaan we morgen leuke dingen doen.”
“Zoals?”
“Zwemmen? Hoe vind je dat? Er is deze week vast ook nog wel een speurtocht op de camping. Kunnen we ook aan meedoen. Is...dat iets?”
Het blijft even stil.
“Meen je dit nou echt?”
“Ja. Nou kom Nathan. We moeten echt terug nu. Zo dadelijk zijn er honden en een helikopter naar ons op zoek.”
“Dat zou wel ‘cool’ zijn! Terug met een helikopter.”
“Vast, maar ik denk dat de rest van de vakantie niet zo ‘cool’ zal zijn met woedende ouders.”
“Al goed. Ik pak mijn spullen en kom zo achter jou aan.”
“Goed, ik zie je zo.” Roan wil zich in de spleet wurmen, maar bedenkt zich. Hij draait zich om en ziet hoe zijn broertje de spullen bijeen pakt. “Hoe kom je overigens bij het woord ‘vuurzee’. Is dat iets speciaals?”
“Ik heb deze week een boek gelezen over legenden die hier voorkomen en toen...hé, kijk eens!”
“Nathan, alsjeblieft. Niet weer. We moeten terug.”
“Nee, kom eens hier. Kijk eens!”
Roan verbijt zich en komt terug. “Wat is er zo bijzonder?”
“Kijk!” is het enige antwoord en Nathan wijst met een vinger richting de poel. Roan tuurt in de richting van de vinger, maar ziet niets.
“Zeg, ik ben er klaar mee, vriend. We gaan!” Hij pakt de arm vast van zijn broertje. Kijkt op en valt van verbazing stil. Een klein lichtpuntje zweeft voor zijn gezicht. Lijkt zijn neus aan te raken en vliegt weg.
Links van hen verschijnt ook een lichtpuntje, en rechts, en boven, onder, overal waar ze kijken verschijnen kleine lichtpuntjes die rondzwerven in de lucht. De lichtpuntjes vermeerderen zich per seconde en al gauw baadt de poel in zacht licht.
“De Vuurzee...” Nathan zijn stem is nauwelijks hoorbaar.
Roan laat de arm los en herhaalt de woorden. “De Vuurzee, ze bestaat echt.”
“Wat is dit? Hoe kan dit? Zijn dit vuurvliegen?”
“Ik weet het niet. Het lijkt magisch.”
Vol verwondering kijken de jongens naar het verschijnsel. Ineens lijkt Nathan zich iets te bedenken en grijpt naar zijn broekzak. Hij haalt een fototoestel tevoorschijn en zet het scherp. Een flits van fel licht mengt zich met het feeërieke verschijnsel. Ineens is het pikdonker. Het licht is verdwenen.
“Hoe kan dat nou? Zijn ze zo geschrokken? Sorry, wat jullie ook mogen zijn. Maar kom terug!”
Het blijft donker. Boven hen krast een uil. Het klinkt als een verwijt.
Nathan laat zijn hoofd hangen. “Sorry,” zegt hij nogmaals en bergt het apparaat op in zijn broekzak.
“Kom, we gaan.” Roan klinkt sussend en geeft zijn broertje een lichte duw.
Ze pakken de spullen op en verlaten vervolgens via de spleet de plek.
Ze vinden de rugzak aan de andere zijde en pakken alles zorgvuldig in. Met de zaklantaarn in de hand weten ze de weg spoedig terug te vinden.

Beduusd en teleurgesteld komen ze op ten slotte op de camping aan. Aangekomen bij de tent worden ze opgewacht door hun ouders.
“Daar zijn jullie eindelijk! We waren doodongerust! Waar bleven jullie zo lang?”
“We waren een beetje verdwaald. Dat was mijn fout.” Roan steekt zijn hand op. Ik heb niet goed opgelet en we zijn het verkeerde pad ingeslagen.”
“Heb je je mobiel niet bij je?” Zijn vader klinkt verbaasd, “Ik heb een aantal malen gebeld.”
“Nee, die...heb ik verloren.” Roan laat zijn hoofd hangen.
“Dat is niet zo fraai. Gelukkig word je volgende week zestien. Dan kun je weer een nieuwe krijgen. Tot die tijd...moet je het dan maar zonder doen.”
Nathan haalt intussen de rugtas leeg in de tent. Zijn deken, zijn zaklamp, chocoladereep, de mobiel van Roan...
Vlug rent hij naar de tentopening -  “Roan kom snel. Ik wil je nog wat laten zien.” – en draaft weer terug naar zijn plek.
Zijn broer hijst zich uit de tuinstoel en komt naar hem toe.
“Kijk!” fluistert Nathan, “jouw mobiel zat in mijn tas.” Roans ogen worden groot van verbazing, pakt zijn telefoon op en bekijkt het van alle kanten.“Dat is bijzonder.” Nathan knikt en haalt vlug het fototoestel tevoorschijn. Met trillende vingers schakelt hij het toestel in en bekijkt hij de gemaakte foto. Onthutst laat hij de camera zakken en geeft het door aan Roan. Roan bekijkt eveneens de foto en glimlacht. Ze schrikken op als hun moeder in de tent verschijnt.
“Is alles goed met jullie?” Bezorgd kijkt ze naar haar zoons.
“Ja hoor,” roepen de jongens in koor.
“Hmm, hoe heet de plek waar je naar toe wilde gaan, Nathan?”
“De Vuurzee.” 
“Zullen we er morgen naar toe lopen?”
“Ik wil liever zwemmen. En bovendien, het was maar een saaie wandeling. Er was niets te zien.”
“Dat is goed. Gaan we zwemmen. Ik heb het idee dat het nu eindelijk wat rustiger wordt op het werk. Sorry, lieverd.”
Nathan haalt zijn schouders op. “Geeft niet mama.”
Ze glimlacht kort en vertrekt.
“Niets te zien?” herhaalt Roan verbaasd. Nathan glimlacht breed en knipoogt naar zijn broer.
“Nee, er was niets te zien. De Vuurzee was oogverblindend.”  

Gea de Boer-Besselink  

Ik doe mee aan Hebban Open Podium!                 

Reacties op: Vuurzeewandeling - kort verhaal